Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van te veel betaalde IOW-uitkeringen over delen van 2021 en 2023 door verweerder, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Verweerder had de uitkeringen definitief vastgesteld en teruggevorderd op basis van definitieve belastingaanslagen, waarbij rekening was gehouden met inkomensgegevens uit 2019 die aanvankelijk niet waren meegenomen.
De rechtbank heeft beoordeeld of verweerder op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Eiseres voerde drie gronden aan: het niet meenemen van inkomensgegevens uit 2019, een misleidend chatgesprek met een medewerker van het Klant Contact Centrum, en het niet nader onderzoeken van een inkomensstijging die telefonisch was doorgegeven.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de inkomensgegevens uit 2019 door de terugvordering te matigen voor 2021, maar niet voor 2023 vanwege het hogere inkomen. Het chatgesprek gaf geen duidelijke toezegging en er was geen formeel besluit ontvangen, zodat geen vertrouwen op definitieve vaststelling bestond. De telefonische melding van inkomensstijging leidde tot aanpassing van het voorschot, maar niet tot nader onderzoek omdat eiseres geen aanvullende stukken verstrekte.
De rechtbank concludeerde dat de terugvordering het gevolg is van het voorschotstelsel en dat noch verweerder noch eiseres verwijt treft. Eiseres maakte niet aannemelijk dat de terugvordering schrijnende gevolgen heeft. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.