ECLI:NL:RBAMS:2026:1783

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
25/2322
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet inkomensvoorziening oudere werklozenArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugvordering te veel betaalde IOW-uitkering over 2021 en 2023

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de terugvordering van te veel betaalde IOW-uitkeringen over delen van 2021 en 2023 door verweerder, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Verweerder had de uitkeringen definitief vastgesteld en teruggevorderd op basis van definitieve belastingaanslagen, waarbij rekening was gehouden met inkomensgegevens uit 2019 die aanvankelijk niet waren meegenomen.

De rechtbank heeft beoordeeld of verweerder op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien. Eiseres voerde drie gronden aan: het niet meenemen van inkomensgegevens uit 2019, een misleidend chatgesprek met een medewerker van het Klant Contact Centrum, en het niet nader onderzoeken van een inkomensstijging die telefonisch was doorgegeven.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de inkomensgegevens uit 2019 door de terugvordering te matigen voor 2021, maar niet voor 2023 vanwege het hogere inkomen. Het chatgesprek gaf geen duidelijke toezegging en er was geen formeel besluit ontvangen, zodat geen vertrouwen op definitieve vaststelling bestond. De telefonische melding van inkomensstijging leidde tot aanpassing van het voorschot, maar niet tot nader onderzoek omdat eiseres geen aanvullende stukken verstrekte.

De rechtbank concludeerde dat de terugvordering het gevolg is van het voorschotstelsel en dat noch verweerder noch eiseres verwijt treft. Eiseres maakte niet aannemelijk dat de terugvordering schrijnende gevolgen heeft. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van te veel betaalde IOW-uitkeringen over 2021 en 2023 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/2322

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Ouwerkerk-Hoogendonk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. L. Ritsma).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de uitkering van eiseres op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen (Wet IOW) voor gedeeltes van de jaren 2021 en 2023 en de terugvordering van de te veel betaalde IOW-uitkering. Eiseres is het daarmee niet eens.
Verweerder heeft met de primaire besluiten van 10 september 2024 en 16 oktober 2024 de IOW-uitkering van eiseres voor gedeeltes van de jaren 2021 en 2023 definitief vastgesteld. Verweerder heeft daarbij respectievelijk € 4.016,- en € 6.515,41 aan te veel betaalde IOW-uitkering teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 4 maart 2025 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2026. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Totstandkoming van de besluiten

1. Eiseres heeft tot en met 2 februari 2021 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. In aansluiting hierop heeft verweerder haar met ingang van 3 februari 2021 een voorschot op een uitkering op grond van de IOW toegekend. Verweerder heeft op 24 oktober 2023 het verleende voorschot gestopt, omdat eiseres de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De Belastingdienst heeft hierna de definitieve aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2022 aan verweerder doorgegeven.
2. Verweerder heeft vervolgens in eerste instantie het gehele toegekende voorschot voor het jaar 2022 teruggevorderd, omdat eiseres voor het jaar 2022 een (veel) hoger belastbaar inkomen heeft ontvangen dan waarmee verweerder oorspronkelijk bij de vaststelling van het voorschot rekening had gehouden. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres heeft verweerder de terugvordering gematigd. Verweerder stelt dat eiseres bij haar aanvraag voor een IOW-uitkering al de jaarcijfers van haar bedrijf over 2019 heeft toegestuurd. Deze gegevens zijn echter ten onrechte niet meegenomen bij het vaststellen van het voorschotbedrag voor 2021, dat daardoor te hoog is vastgesteld. Begin 2022 heeft eiseres doorgegeven dat haar belastbaar inkomen voor het jaar 2022 nog hoger zou liggen dan voorheen. Verweerder heeft het voorschot van de IOW-uitkering wel aangepast, maar daarbij nog steeds onvoldoende rekening gehouden met de jaarcijfers uit 2019. Eiseres mocht volgens verweerder erop vertrouwen dat verweerder haar wijziging goed had verwerkt. Aangezien eiseres wel behoorde te weten dat de IOW-uitkering op voorschot was verleend, heeft verweerder de terugvordering gematigd. Verweerder heeft de terugvordering daarbij beperkt tot het verschil dat zou ontstaan als wel rekening was gehouden met de jaarcijfers uit 2019. Eiseres heeft tegen deze beslissing op bezwaar over het jaar 2022 geen beroep ingesteld.
3. Verweerder heeft vervolgens van de Belastingdienst ook de definitieve aanslagen inkomstenbelasting over de periode van 3 februari 2021 tot en met 31 december 2021 en de periode van 1 januari 2023 tot en met 23 oktober 2023 ontvangen. Dit heeft geleid tot de primaire besluiten waarbij verweerder een bedrag van respectievelijk € 4.016,- en € 6.515,41 aan te veel betaalde IOW-uitkering heeft teruggevorderd. Daarbij heeft verweerder besloten om bij de terugvordering voor deze jaren ook het verschil mee te nemen dat zou ontstaan als wel rekening was gehouden met de jaarcijfers uit 2019. Dit heeft geresulteerd in een vermindering van de terugvordering voor het jaar 2021, maar niet voor 2023.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt in deze zaak of verweerder op goede gronden een bedrag van € 4.016,- en € 6.515,41 aan te veel betaalde IOW-uitkering over de periode van 3 februari 2021 tot en met 31 december 2021 en de periode van 1 januari 2023 tot en met 23 oktober 2023 heeft teruggevorderd. Eiseres stelt dat verweerder vanwege dringende redenen (gedeeltelijk) had moeten afzien van terugvordering en onderbouwt dit met drie verschillende argumenten.
5. De Centrale Raad van Beroep heeft in de uitspraak van 18 april 2024 zijn uitleg van de dringende reden verruimd, in die zin dat (ook) betekenis toekomt aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. [1] Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij moeten alle relevante feiten en omstandigheden worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van verweerder is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het bestuursorgaan of trage besluitvorming. Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij te veel aan uitkering ontving. Bij het nemen van een besluit over herziening of terugvordering is het bestuursorgaan verplicht om een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn.
6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de inkomensgegevens van haar bedrijf over 2019 niet heeft meegenomen en dat dit een verdere matiging van de terugvordering rechtvaardigt. Verweerder heeft erkend dat deze gegevens aanvankelijk niet zijn betrokken en heeft de terugvordering daarop aangepast, zodat deze niet hoger is dan het bedrag dat verschuldigd zou zijn indien wel rekening was gehouden met de inkomensgegevens uit 2019. Het inkomen van eiseres blijkt in 2021 echter hoger te zijn geweest dan in 2019 en in 2023 nog aanzienlijk hoger. Dit leidt ertoe dat een (gedeelte van de) terugvordering blijft bestaan, ook indien verweerder destijds rekening had gehouden met de inkomensgegevens uit 2019. Voor het jaar 2021 heeft dit er wel in geresulteerd dat de terugvordering van € 5.325,14 is gematigd naar € 4.016,-. Voor het jaar 2023 heeft dit niet geresulteerd in een matiging. De rechtbank overweegt dat verweerder met de aanpassing voldoende rekening heeft gehouden met de door eiseres genoemde omstandigheid. Verweerder heeft namelijk voldoende inzichtelijk gemaakt dat dit de terugvordering was geweest indien destijds wel rekening was gehouden met de bedrijfsgegevens uit 2019. Daarbij neemt de rechtbank verder in overweging dat het systeem is ingericht als verlening op voorschot, waardoor een gewijzigd inkomen kan leiden tot een terugvordering. Eiseres was hiervan bij de toekenning van het voorschot ook op de hoogte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, voor zover deze eerste grond betreft, voldoende rekening gehouden met de door eiseres genoemde dringende reden.
7. Eiseres heeft aangevoerd dat de terugvordering voor het jaar 2021 verder zou moeten worden gematigd, naar aanleiding van een chatgesprek met een medewerker van het Klant Contact Centrum (KCC) van verweerder. In dat gesprek is op de vraag van eiseres geantwoord:
‘U vraagt of wij de definitieve berekening van uw IOW-uitkering over 2021 kunnen maken voor u. Dit hebben wij al gedaan. U kunt het totaal terugvinden op de jaaropgaaf 2021. Deze staat digitaal voor u klaar […]’Eiseres stelt dat zij door dit gesprek en het uitblijven van berichtgeving gedurende ruim twee jaar mocht verwachten dat er voor 2021 geen terugvordering zou volgen.
7.1
Omdat eiseres geen definitieve berekening voor 2021 heeft ontvangen, mocht eiseres naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zonder meer erop vertrouwen dat haar IOW-uitkering definitief was vastgesteld. Hoewel uit het antwoord van de KCC-medewerker lijkt te volgen dat de definitieve herberekening al was gemaakt, was een definitieve vaststelling van de IOW-uitkering niet te vinden in de jaaropgaaf waarnaar de KCC-medewerker heeft verwezen. Dit betekent dat eiseres niet zonder meer ervan kon uitgaan dat het antwoord dat de definitieve berekening al is gemaakt juist is. De rechtbank begrijpt wel dat de verwachting van eiseres werd versterkt doordat er geen besluit werd genomen en omdat verweerder eerst het jaar 2022 definitief heeft vastgesteld. Verweerder heeft echter toegelicht dat dit komt doordat de Belastingdienst eerst het inkomen van eiseres voor 2022 heeft doorgegeven en later pas voor 2021. Het langere verloop kan derhalve niet aan verweerder worden toegerekend. Nu niet is gebleken van een duidelijke toezegging en eiseres bovendien geen formeel besluit heeft ontvangen, ziet de rechtbank, voor zover de tweede grond betreft, geen aanleiding de terugvordering voor 2021 verder te matigen.
8. Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat de terugvordering over 2023 verder zou moeten worden gematigd, omdat zij in 2022 telefonisch had doorgegeven dat haar inkomen zou stijgen en verweerder op dat moment geen nader onderzoek zou hebben verricht naar haar recht op het voorschot. De rechtbank overweegt dat ook deze derde grond geen aanleiding geeft tot verdere matiging. Eiseres heeft telefonisch medegedeeld dat haar inkomen zou toenemen. Uit de telefoonnotities van deze gesprekken blijkt dat in overleg met verweerder het voorschot per maand is verlaagd. Eiseres heeft op dat moment geen aanvullende stukken verstrekt en heeft in 2023, toen haar inkomen nog verder steeg, niet gebeld of documenten overgelegd. Verweerder had daarom geen aanleiding om aan de wijziging van het voorschot te twijfelen.
9. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding tot een verdere matiging van de terugvordering. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt dat, ook rekening houdend met de ten onrechte niet betrokken inkomensgegevens uit 2019, de terugvordering reeds voldoende is gematigd. Voor het overige kan verweerder geen verwijt worden gemaakt. De terugvordering is grotendeels het gevolg van het systeem waarbij een voorschot op grond van het inkomen van een eerder belastingjaar wordt verleend. Een hoger inkomen kan in een later belastingjaar leiden tot een terugvordering. Hoewel ook aan eiseres verder geen verwijt kan worden gemaakt, is dit het gevolg van het voorschotstelsel, waarbij het recht op uitkering op een later moment kan afwijken. Voorts heeft eiseres de rechtbank duidelijk gemaakt dat zij onverwachts is geconfronteerd met een aanzienlijke terugvordering en dat zij hiermee geen rekening heeft gehouden. Eiseres heeft echter niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de terugvordering schrijnende gevolgen, zoals financiële nood, voor haar oplevert. Op dit moment hebben partijen afgesproken dat eiseres, rekening houdend met haar afschrijvingsmogelijkheden, € 100,- per maand betaalt. Zoals verweerder in het bestreden besluit ook heeft aangegeven kan eiseres, indien zij het afgesproken bedrag op een later moment niet kan betalen, zich tot verweerder wenden voor aanpassing van de terugbetalingsregeling.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om op grond van een dringende reden geheel van terugvordering af te zien of de terugvordering verder te matigen.
11. Omdat de rechtbank het beroep ongegrond verklaart, bestaat voor een vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726.