8.3.Oordeel van de rechtbank
Voor zover de raadsvrouw aanvoert dat een herhaalde ISD-vordering betrekking moet hebben op een nieuw feit, merkt de rechtbank op dat deze opvatting geen steun vindt in de wet. Het enkele feit dat verdachte na 16 mei 2025 geen nieuw strafbaar feit heeft gepleegd, doet niet af aan de mogelijkheid om in een andere strafzaak, waarin aan de wettelijke voorwaarden is voldaan, alsnog de ISD-maatregel te vorderen. De rechtbank merkt op dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is op maatregelen. Het Openbaar Ministerie heeft dan ook de mogelijkheid om opnieuw de ISD-maatregel te vorderen, terwijl deze eerder door de rechtbank niet is opgelegd.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal. Dit is een hinderlijk feit dat in de maatschappij in het algemeen, en bij de winkelbedrijven in het bijzonder, overlast en schade veroorzaakt.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 3 november 2025 (hierna: strafblad), waaruit blijkt dat hij al meerdere keren is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 2 december 2025, opgesteld door [deskundige] . Dit advies houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in.
Er is sprake van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Verdachte is dak- en werkloos en gebruikt dagelijks heroïne. Er is sprake van een delictpatroon aangaande vermogensdelicten. Verdachte pleegt diefstallen om te voorzien in zijn levensonderhoud en middelengebruik, wat zorgt voor een vicieuze cirkel met betrekking tot justitiële contacten. De kans op recidive wordt ingeschat als gemiddeld. Het professionele oordeel van de reclassering wijkt hiervan af. Indien de situatie op het gebied van middelengebruik, gezondheid, huisvesting en dagbesteding onveranderd blijft, acht de reclassering het recidiverisico onverminderd hoog.
Verdachte voldoet aan de harde en zachte criteria van de ISD-maatregel. Hij heeft geen verblijfsrecht in Nederland en is op 23 augustus 2025 Nederland uitgezet. Verdachte is nadat hij teruggestuurd is naar [land van herkomst] om financiële redenen direct teruggekeerd naar Nederland. Hij gaf in gesprek met de reclassering aan liever in Nederland te blijven en open te staan voor hulp en alle geboden kansen. Indien dat niet mogelijk is, is zijn plan om terug te keren naar [land van herkomst] om daar aanspraak te maken op zijn erfenis en daarmee een toekomst in Londen op te bouwen.
Nu verdachte geen verblijfsrecht heeft, is een re-integratietraject in het kader van een voorwaardelijke ISD-maatregel geen optie. Verdachte heeft immers geen recht op hulpverlening en voorzieningen die hem in staat stellen een maatschappelijk aanvaardbaar bestaan in Nederland op te kunnen bouwen. Derhalve is een onvoorwaardelijke ISD-maatregel een passende maatregel die gericht moet zijn op een terugkeer naar het land van herkomst. De uitvoering van een onvoorwaardelijke vreemdelingen ISD-maatregel (ISD-VRIS) heeft naast bescherming van de maatschappij als doel re-integratie in het land van herkomst, waarbij verdachte voor deze terugkeer wordt gemotiveerd. Daartoe worden trainingen en begeleiding door meerdere organisaties intramuraal aangeboden.
De deskundige, [deskundige] , heeft voornoemd advies op de terechtzitting bevestigd.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezenverklaarde aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarnaast is hij gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt.
Hoewel verdachte meerdere keren heeft aangegeven vrijwillig naar [land van herkomst] te willen terugkeren, heeft de rechtbank twijfels bij deze bewering. Nadat verdachte naar [land van herkomst] was uitgezet keerde hij immers direct terug naar Nederland vanwege financiële redenen, terwijl hij blijkens het reclasseringsadvies van 22 september 2025 op de hoogte was van zijn onrechtmatige verblijfstatus. Bovendien heeft verdachte herhaaldelijk bij de reclassering aangegeven dat hij liever in Nederland wil blijven. Bij het niet opleggen van de ISD-maatregel bestaat aldus het risico dat verdachte weer in zijn vreemdelingrechtelijke, perspectiefloze situatie zal belanden en moet stelen om in zijn levensonderhoud en verslaving te voorzien. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. De veiligheid van goederen eist daarom de oplegging van de ISD-maatregel.
De rechtbank neemt bovendien in aanmerking dat, gelet op de vreemdelingrechtelijke status van verdachte, begeleiding door de reclassering buiten de ISD-VRIS praktisch niet uitvoerbaar wordt geacht. Verdachte heeft onder andere vanwege zijn verslavingsproblematiek hulp en begeleiding nodig. Binnen de ISD-VRIS maatregel kan gewerkt worden aan terugkeer naar het land van herkomst met een ‘zachte landing’ en aan het vergroten van de motivatie van verdachte daartoe, maar ook kan er gewerkt worden aan de (verslavings)problematiek van verdachte zodat de kans op recidive in de toekomst (al dan niet in het buitenland) verminderd wordt. Als verdachte hieraan meewerkt, zal van een kale detentie geen sprake zijn. Mocht verdachte niet meewerken aan de geboden interventies dan zal de ISD-maatregel enkel dienen ter bescherming van de maatschappij. Dat verdachte wegens zijn illegale status niet zal kunnen deelnemen aan een extramuraal traject en dat geen sprake kan zijn van resocialisatie in de Nederlandse samenleving brengt aldus niet mee dat van oplegging van de ISD-maatregel moet worden afgezien.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte de ISD-maatregel dient te worden opgelegd. Het is van groot belang dat er voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. De maatschappij dient optimaal te worden beschermd en er moet worden bijgedragen aan een oplossing voor zijn problematiek. Ook is er voldoende tijd nodig om een verantwoorde terugkeer naar het land van herkomst alle kans te geven. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen. Bij een eventuele repatriëring wordt de ISD-maatregel door de minister van Justitie en Veiligheid opgeheven. De snelheid waarmee een dergelijke repatriëring met zachte landing kan worden georganiseerd is mede afhankelijk van de mate waarin verdachte ontvankelijk is voor de geboden interventies. Verdachte heeft daarmee invloed op de duur van zijn maatregel. De tijd door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht wordt niet in mindering gebracht op de duur van de maatregel. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen.