ECLI:NL:RBAMS:2026:1913

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/1743 en AMS 25/1749
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:5 AwbArt. 7:11 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 2.12 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor damwanden en sloop in beschermd stadsgezicht

Vergunninghouder vroeg op 12 december 2023 een omgevingsvergunning aan voor het aanbrengen van damwanden en sloop in een beschermd stadsgezicht. Het college verleende de vergunning op 6 juni 2024, ondanks strijd met het bestemmingsplan, door toepassing van de kruimelgevallenregeling. Eiseressen maakten bezwaar en stelden beroep in tegen het besluit.

De rechtbank behandelde de beroepen gezamenlijk en oordeelde dat het college de vergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. De rechtbank verwierp de formele bezwaren over de behandeling van de bezwaren en de samenstelling van de bezwaarschriftencommissie. Ook was er geen wettelijke plicht tot coördinatie met het Waterschap.

Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat het bouwplan aannemelijk voldoet aan het Bouwbesluit 2012, mede op basis van recente adviezen en onderbouwingen. De damwanden zijn niet primair waterkerend en voldoen aan veiligheidsklasse RC1. De toetsing aan welstand en cultuurhistorische waarden leverde geen strijd op. De kruimelafwijking is terecht toegepast, waarbij oppervlakte en hoogte binnen de wettelijke grenzen blijven.

De rechtbank vond geen motiveringsgebrek en geen schending van de zorgplicht. Het college heeft de belangen zorgvuldig afgewogen en het besluit is in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. De beroepen zijn ongegrond verklaard en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/1743 en AMS 25/1749

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaken tussen

In de zaak AMS 25/4724
[eiseres 1], uit [plaats] , eiseres
In de zaak AMS 25/4726
[eiseres 2], te [plaats] , eiseres
(gemachtigden: mr. [gemachtigde eiseres 1] , [gemachtigde eiseres 2] en [gemachtigde eiseres 3] )
en
In beide zaken
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (het college), verweerder
(gemachtigde: mr. M.A. van Marle).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel:
[bedrijf 1]te [plaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde vergunninghouder] ).

Procesverloop

1. Op 12 december 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van nieuwe damwanden langs het perceel en het slopen in beschermd stadsgezicht op de locatie [locatie 1] .
1.1.
Met een besluit van 6 juni 2024 heeft het college aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ [1] , ‘slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht’ [2] en ‘het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’ [3] . Het college heeft het bouwplan onder meer getoetst aan het bestemmingsplan ‘ [locatie 1] ’. Het bouwplan is in strijd met de artikelen 5.1, 5.2 en 5.2.9 van de planregels. Het college heeft ervoor gekozen om met toepassing van de zogenoemde kruimelgevallenregeling buitenplans af te wijken van het bestemmingsplan. Onderdeel 3 van artikel 4 van Pro Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat een kruimelafwijking kan worden vergund voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde dat niet hoger is dan 10 meter, en maximaal 50 m² groot is. Onderdeel 9 van artikel 4 van Pro Bijlage II bij het Bor bepaalt dat een kruimelafwijking kan worden vergund voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van het bij die bouwwerken aansluitend terrein.
1.2.
Eiseressen hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Met het bestreden besluit van 30 januari 2025 op de bezwaren van eiseressen heeft het college, met overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie, de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
1.3.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft gereageerd op het beroep met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.4.
Verder heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Waterschap) met een besluit van 27 september 2024 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de wateractiviteiten inhoudende het vervangen van een stalen damwand en het dempen van 12 m² primair oppervlaktewater (boezemwater) en het tijdelijk dempen van 65 m² primair oppervlaktewater (boezemwater) ter hoogte van [locatie 1] . Met het besluit van 27 september 2024 wordt verder een eerder door het Waterschap verleende omgevingsvergunning van 25 april 2024 ingetrokken en worden maatwerkvoorschriften opgelegd voor het vervangen van een damwand in de beschermingszone van een verholen waterkering. Ook over deze omgevingsvergunningen lopen procedures bij deze rechtbank. [4]
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk met de zaken AMS 24/4727 AMS 24/4729, AMS 25/4724 en AMS 25/4726, op 12 januari 2026 op zitting behandeld. [5] Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres 1] als eiseres en als gemachtigde van de [eiseres 2] , [gemachtigde eiseres 2] als gemachtigde van de [eiseres 2] , [persoon] en de gemachtigde van verweerder. Vergunninghouder heeft niet deelgenomen aan de zitting.

Overgangsrecht

2. Per 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat vóór die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dit volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat de beroepen ongegrond zijn. Dit betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Formele beroepsgronden
4. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat het bestreden besluit niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Zo zijn, volgens eiseresssen, alle bezwaren op één hoop gegooid in één beslissing op bezwaar en is niet op alle bezwaargronden apart ingegaan. Dit is in strijd met artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het motiveringsbeginsel. Verder is sprake van een gewijzigde voorzitter bij de bezwaarschriftencommissie, die niet bij het horen aanwezig was. Dit is in strijd met de hoorplicht, aldus eiseressen.
4.1.
De rechtbank volgt eiseressen hierin niet. Eiseressen hebben niet betwist dat zij het bestreden besluit hebben ontvangen. Er is geen wettelijke bepaling die het college verplicht alle bezwaren afzonderlijk te behandelen. Verder volgt uit artikel 7:5 van Pro de Awb dat sprake kan zijn van een ambtelijke commissie. Niet is gebleken dat de betrokken ambtenaren ook betrokken zijn geweest bij de besluitvorming. Verder is er ook geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat eiseressen opnieuw moeten worden gehoord bij (personeels)wisselingen. De beroepsgronden slagen niet.
4.2.
Eiseressen voeren verder aan dat coördinatie van besluitvorming tussen het college en het Waterschap noodzakelijk is, omdat de besluiten op dezelfde damwand zien. Volgens eiseressen volgt de plicht tot coördinatie van de besluitvorming uit de Wabo en sinds 1 januari 2024 ook uit de Omgevingswet.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van een wettelijke coördinatieplicht. Paragraaf 3.5. van de Wabo is slechts van toepassing als – kort gezegd – sprake is van een uitgebreide voorbereidingsprocedure met betrekking tot een inrichting waartoe een IPPC-installatie behoort. [6] Daarvan is in dit geval geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
De activiteit bouwen
5. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” geweigerd indien deze in strijd is met het Bouwbesluit 2012, de bouwverordening, het bestemmingsplan of redelijke eisen van welstand.
Bouwbesluit
6. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat ten onrechte slechts het oude en niet een actueel rapport van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) aan de omgevingsvergunning ten grondslag ligt. Volgens eiseressen is verder onvoldoende onderzocht wat het effect van de omvangrijke nieuwbouw zal zijn op de stabiliteit van de damwanden. De damwanden hebben ten onrechte veiligheidsklasse RC1. Omdat uit de legger volgt dat de [locatie 1] in een primaire waterkering ligt, moeten de damwanden voldoen aan veiligheidsklasse RC3.
6.1.
De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseressen zo, dat zij betwisten dat aan de vereisten uit het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan.
6.2.
Uit vaste rechtspraak volgt dat het college bij de toetsing van het bouwplan aan het Bouwbesluit moet beoordelen of aannemelijk is dat het bouwplan aan de toepasselijke voorschriften voldoet. Het college komt bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit beoordelingsruimte toe. Deze aannemelijkheidstoets betekent dat niet hoeft te zijn
aangetoonddat aan het Bouwbesluit wordt voldaan. [7]
6.3.
De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen concluderen dat voldoende aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Uit de stukken in het dossier blijkt dat er naast een advies van 2 februari 2024, een tweede notitie van [bedrijf 2] van 3 september 2024 is, die ingaat op de nieuwe locatie van de damwanden. De stelling van eiseressen dat de omgevingsvergunning slechts gebaseerd is op het verouderde advies is dus onjuist. Verder overweegt de rechtbank dat vergunninghouder in een notitie van 10 april 2024 nader heeft onderbouwd waarom veiligheidsklasse RC1 in dit geval volstaat. Vergunninghouder heeft verwezen naar de NEN-EN 1990 waaruit volgt dat veiligheidsklasse RC3 vereist is in het geval van grote gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens en/of zeer grote economische of sociale gevolgen voor de omgeving, bijvoorbeeld bij bijzondere constructies en (damwanden in) een primaire waterkering. Veiligheidsklasse RC1 volstaat bij geringe gevolgen ten aanzien van het verlies van mensenlevens en/of kleine of verwaarloosbare economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving, bijvoorbeeld een kademuur met een beperkte kerende hoogte tot maximaal vijf meter. De rechtbank overweegt dat de damwanden geen waterkerende maar een grond kerende functie hebben. De damwanden hebben tot doel de oever in stand te houden. Omdat van een primaire waterkering geen sprake is en de kerende hoogte van de damwanden minder dan vijf meter is, is voldoende onderbouwd dat kan worden volstaan met damwanden van veiligheidsklasse RC1. Verder heeft het college de constructieve gegevens beoordeeld en akkoord bevonden. De rechtbank stelt vast dat eiseressen geen tegenrapport hebben overgelegd en hun stellingen verder niet hebben onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen redenen te twijfelen aan de deskundige onderbouwing van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Welstand
7. Eiseressen voeren aan dat het college gehouden was een stenen kademuur met een cultuurhistorisch verantwoorde authentieke houten kadebeschoeiing langs de [locatie 2] en de [locatie 3] aan te (laten) brengen.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college gehouden is de aanvraag te toetsen zoals deze door de vergunninghouder wordt ingediend. Het college heeft over het bouwplan advies gevraagd aan de Commissie Omgevingskwaliteit, die op 24 april en 29 mei 2024 heeft geadviseerd. Volgens de Commissie Omgevingskwaliteit leiden de damwanden en het dempen van oppervlaktewater niet tot een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden, de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied en de belangen met betrekking tot de waterhuishouding. Eiseressen hebben ook ten aanzien van dit advies geen tegenadvies overgelegd. De rechtbank ziet in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd geen reden te twijfelen aan het advies van de Commissie Omgevingskwaliteit. Van strijd met redelijke eisen van welstand is de rechtbank daarom niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
De activiteit gebruik in strijd met het bestemmingsplan
8. Niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met de artikelen 5.1, 5.2 en 5.2.9 van het bestemmingsplan ‘ [locatie 1] ’. Het tweede lid van artikel 2.10 van de Wabo bepaalt dat bij strijd met het bestemmingsplan de aanvraag mede wordt aangemerkt als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, van de Wabo kan het college de omgevingsvergunning verlenen voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
8.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college beleidsruimte heeft bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen en het moet daarbij de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [8]
Artikel 4 van Pro Bijlage II bij het Bor
9. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat het college artikel 4, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Bor ten onrechte aan de omgevingsvergunning ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseressen wordt niet voldaan aan de eis dat de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt. Bij bepalen van de oppervlakte gaat het namelijk om lengte maal diepte, of lengte maal breedte.
9.1.
Artikel 4, onderdeel 3, van Bijlage II bij het Bor bepaalt dat een omgevingsvergunning kan worden verleend in afwijking van het bestemmingsplan voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 10 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m².
9.2.
De rechtbank oordeelt dat de damwand voldoet aan de in artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II bij het Bor genoemde eisen. Bij het bepalen van de hoogte van de damwand heeft het college terecht beoordeeld hoe ver de damwand boven het water uitkomt. Die hoogte is minder dan 10 meter. De rechtbank oordeelt verder dat het college voor het bepalen van de oppervlakte terecht heeft gekeken naar de breedte van de sloof (het bovenstuk van de damwand) maal de totale lengte van de damwand. De sloof is 0,151 meter breed en 70 meter lang, zodat de damwand met een oppervlakte van 10,57 m² ruim onder de grens van 50 m² blijft. De beroepsgrond slaagt niet.
9.3.
Eiseressen voeren verder – samengevat – aan dat ‘afwijkend gebruik’ als bedoeld in artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor doelt op functioneel gebruik van een bestaand bouwwerk, anders dan volgens de bestemming eraan toegekend in het bestemmingsplan en mits het bouwoppervlak en het bouwvolume van dit bestaande bouwwerk daarbij niet worden vergroot.
9.4.
Artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor, bepaalt dat in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van het bij die bouwwerken aansluitend terrein.
9.5.
De rechtbank oordeelt dat de damwand gedeeltelijk op de bestemming ‘water’ komt. De damwand wordt echter niet gerealiseerd ten behoeve van de bestemming ‘water’ oftewel de waterhuishouding, maar ten dienste van de oeverbescherming. Dit is niet in geschil. Artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor is juist bedoeld om dergelijke situaties door middel van een kruimelafwijking te vergunnen, mits de bouwactiviteit het bebouwde oppervlak of het bouwvolume niet vergroot. Van strijd met artikel 4, onderdeel 9, van Bijlage II bij het Bor is de rechtbank niet gebleken. Dat het aangrenzende perceel inmiddels de bestemming ‘wonen’ heeft maakt dit – anders dan eiseressen tijdens de zitting kennelijk bedoeld hebben te stellen – niet anders.
Omgevingsvergunning voor de wateractiviteit als advies
10. Eiseressen voeren – samengevat – aan dat de eerste (en nadien ingetrokken) omgevingsvergunning voor de wateractiviteit van het Waterschap als advies en daarmee als onderbouwing ten grondslag ligt aan de in deze procedure voorliggende omgevingsvergunning. Omdat de eerste omgevingsvergunning van het Waterschap is ingetrokken, valt de motivering voor de omgevingsvergunning van het college ook weg. De omgevingsvergunning is dus in strijd met het motiveringsbeginsel, aldus eiseressen.
10.1.
De rechtbank oordeelt dat de nieuwe (tweede) omgevingsvergunning voor de wateractiviteit van het Waterschap al genomen was ten tijde van het bestreden besluit. Het is dat laatste besluit dat ten grondslag is gelegd aan de omgevingsvergunning die door het college is verleend. Daarmee is geen sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt niet.
10.2.
Voor zover eiseressen nog hebben gesteld dat sprake zou zijn van vermenging van bevoegdheden door Waternet omdat zij zowel gemeentelijke- als waterschapstaken uitvoert, oordeelt de rechtbank dat van vermenging van bevoegdheden geen sprake is. De beide omgevingsvergunningen voor de wateractiviteiten zijn ondertekend namens het dagelijks bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Waternet treedt in die besluitvorming slechts op als uitvoeringsorganisatie. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Verklaring van geen bedenkingen
11. Voor zover eiseressen hebben aangevoerd dat een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist, volgt de rechtbank dit niet. Een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is pas aan de orde bij de uitgebreide voorbereidingsprocedure en zelfs dan niet in alle gevallen. In dit geval heeft het college terecht de reguliere voorbereidingsprocedure toegepast. De beroepsgrond slaagt niet.
Zorgplicht en belangenafweging
12. Voor zover eiseressen nog hebben aangevoerd dat het college zijn zorgplicht heeft geschonden, oordeelt de rechtbank dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. De zorgplicht uit de Omgevingswet is op deze procedure niet van toepassing. Verder is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van strijd met een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dan wel dat het college de belangen niet deugdelijk heeft afgewogen.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
13. Gelet op voorgaande beoordeling komt de rechtbank tot de conclusie dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het project in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft de omgevingsvergunning daarom in redelijkheid kunnen verlenen. Al hetgeen eiseressen verder hebben aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige of een descente ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.

Conclusie en gevolgen

14. Het college heeft de omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen. De beroepen zijn ongegrond. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Verberne, voorzitter, en mr. M. Frishert en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 2.10 van de Wabo.
2.Artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de Wabo in samenhang met artikel 2.16 van de Wabo.
3.Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo.
4.De procedures tegen de omgevingsvergunning van 25 april 2024 zijn geregistreerd onder AMS 24/4727 en AMS 24/4729 en de procedures tegen de omgevingsvergunning van 27 september 2024 zijn geregistreerd onder AMS 25/4724 en AMS 25/4726.
5.In de zaken AMS 24/4727 en 24/4729 en AMS 25/4724 en AMS 25/4726 doet de rechtbank afzonderlijk uitspraak.
6.Zie artikel 3.16 van de Wabo.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2375.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.