ECLI:NL:RBAMS:2026:1948

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
11694637 \ CV EXPL 25-7013
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 2 RvArt. 122 lid 1 RvArt. 141 RvArt. 3:307 BWArt. 3:316 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verstekvonnis wegens onrechtmatige openbare betekening en verjaring vordering

De ING Bank had opposant gedagvaard wegens een openstaande schuld uit een kredietovereenkomst, maar betekende de dagvaarding openbaar omdat zij de woon- of verblijfplaats van opposant niet kon achterhalen. Opposant was verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk en betwistte de geldigheid van de dagvaarding en de schuld.

De rechtbank oordeelt dat de ING Bank onvoldoende redelijke onderzoeksinspanningen heeft verricht om de verblijfplaats van opposant te achterhalen, terwijl er wel contactgegevens zoals een e-mailadres bekend waren. Hierdoor mocht de dagvaarding niet openbaar worden betekend en heeft de dagvaarding geen stuitende werking op de verjaring van de vordering.

De vordering is daardoor verjaard en het verstekvonnis wordt vernietigd. De rechtbank wijst de vorderingen van ING Bank af en veroordeelt ING Bank in de proceskosten van opposant. Een beroep op schending van artikel 6 EVRM Pro wordt niet behandeld omdat het beroep op verjaring slaagt.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de vordering van ING Bank afgewezen wegens onrechtmatige openbare betekening en verjaring.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11694637 \ CV EXPL 25-7013
Vonnis van 6 februari 2026
in de zaak van
[opposant],
te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),
opposant,
hierna te noemen: [opposant] ,
gemachtigde: mr. L.A.C. van Lierop,
tegen
ING BANK N.V.,
te Amsterdam,
geopposeerde,
hierna te noemen: de ING Bank,
gemachtigde: mr. D.J. Posthuma.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 28 oktober 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de akte overlegging producties tevens akte feitelijke toelichting van de ING Bank,
- de mondelinge behandeling van 8 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt gewezen.

2.De feiten

2.1.
Op 14 mei 2010 heeft de ING Bank ten behoeve van eenmanszaak [handelsnaam] een offerte uitgebracht voor een MKB Werkkapitaalkrediet en een MKB Investeringslening, met een limiet van in totaal € 120.000. [handelsnaam] was destijds de eenmanszaak van [opposant] . Op de plek waar “ [opposant] h/o [handelsnaam] ” kon ondertekenen “voor akkoord” is een handtekening gezet en de datum van 27 mei 2010 opgeschreven.
2.2.
Op 23 november 2011 heeft Vesting Finance, de incassogemachtigde van de ING Bank, een brief gestuurd naar [opposant] waarin staat dat de ING Bank de kredietverlening per direct opzegt en de uitstaande schuld van € 109.001,44 ineens opeist, vanwege voortdurende overschrijdingen van de kredietlimiet.
2.3.
In juni 2012 heeft Vesting Finance in een brief aan [opposant] geschreven, voor zover relevant:
“In reactie op uw e-mail van 4 mei jl. waarin u ons een betalingsvoorstel doet van
€ 100,00 per maand, delen wij u het volgende mede. (…) wij [zijn] genoodzaakt ING het advies te geven om uw dossier over te dragen aan onze collega’s van de afdeling Zakelijke Incasso’s.”
2.4.
In september 2012 is alsnog een betalingsregeling gesloten waarop tot 2015 regelmatig aflossingen aan de ING Bank zijn gedaan.
2.5.
Volgens het incassodossier van Vesting Finance is vanaf 2015 herhaaldelijk telefonisch en per e-mail overleg geweest met [opposant] over het niet nakomen van de betalingsregeling.
2.6.
Bij e-mail van 6 december 2017 heeft [opposant] aan Vesting Finance geschreven dat hij niet langer in staat is om zijn schuld af te lossen en naar Suriname is verhuisd om daar zijn leven een andere wending te geven.
2.7.
Op 20 mei 2021 heeft de ING Bank [opposant] gedagvaard; de dagvaarding is openbaar betekend aan [opposant] .
2.8.
[opposant] is niet in de procedure verschenen. De kantonrechter heeft [opposant] bij verstek veroordeeld tot betaling van € 25.0000, vermeerderd met rente en kosten (hierna: het verstekvonnis).
2.9.
Het verstekvonnis is op 12 oktober 2022 openbaar betekend aan [opposant] .
2.10.
Op 27 januari 2025 heeft de ING Bank executoriaal beslag gelegd op de woning van [opposant] aan de [adres] .

3.Het geschil

3.1.
[opposant] vordert in verzet primair om het verstekvonnis te vernietigen en subsidiair om hem te ontheffen uit zijn veroordeling en de vordering van de ING Bank alsnog af te wijzen, met veroordeling van de ING Bank in de werkelijke proceskosten. Op de zitting heeft [opposant] desgevraagd aangegeven dat hij in eerste instantie een oordeel vraagt over zijn subsidiaire vordering en dat dit dus in feite als de primaire vordering moet worden begrepen.
3.2.
[opposant] legt aan de vorderingen ten grondslag dat de ING Bank de inleidende dagvaarding ten onrechte openbaar heeft laten betekenen. Zij had namelijk met minimaal onderzoek kunnen achterhalen dat [opposant] zijn vaste verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk heeft. De dagvaarding is daarom nietig en, aangezien de ING Bank geen geldige stuitingshandelingen heeft verricht, is haar vordering bovendien verjaard. Tot slot is de proceshouding van de ING Bank in strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). De ING Bank heeft ondanks herhaaldelijk verzoek pas bij conclusie van antwoord in het incident de producties bij de oorspronkelijke dagvaarding aan [opposant] verstrekt. Hij is daardoor ernstig in zijn verdediging geschaad en van een eerlijk proces is daarom geen sprake.
3.3.
De ING Bank voert verweer. Volgens de ING Bank heeft zij zich voldoende ingespannen om de werkelijke woon- of verblijfplaats van [opposant] te achterhalen en kon de deurwaarder volstaan met een openbare betekening van de dagvaarding. Hierdoor is de verjaring tijdig gestuit. Nu de verzetprocedure [opposant] een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdige rechtbank geeft, is van een oneerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro geen sprake.

4.De beoordeling

4.1.
Op de zitting heeft [opposant] het standpunt ingenomen dat de handtekening op de door de ING Bank overgelegde kredietovereenkomst niet van hem is. Ook heeft hij betwist dat hij een betalingsregeling met de ING Bank heeft gesloten en dat de maandelijkse afbetalingen van de schuld door hem zijn gedaan. [opposant] heeft desgevraagd verklaard dat hij vermoedt dat zijn voormalige boekhouder zijn handtekening heeft vervalst, en in zijn naam de betalingsregeling is aangegaan en daarop heeft afgelost.
4.2.
De kantonrechter laat in het midden of de handtekening is vervalst en of, zoals de ING Bank heeft aangevoerd, de betwisting van de kredietovereenkomst tardief is. Ook indien vast zou staan dat de kredietovereenkomst door [opposant] is gesloten, moet het verstekvonnis worden vernietigd en moeten de vorderingen van de ING Bank alsnog worden afgewezen. Zoals hierna wordt toegelicht mocht de ING Bank in dit geval niet tot openbare betekening overgaan, waardoor de inleidende dagvaarding geen stuitende werking toekomt en de vordering van de ING Bank is verjaard.
De ING Bank mocht niet openbaar betekenen
4.3.
Artikel 54 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat, indien zowel de woonplaats als het werkelijk verblijf van de persoon aan wie de dagvaarding moet worden betekend onbekend zijn, aan het parket van het Openbaar Ministerie bij het gerecht waar de zaak moet dienen wordt betekend, en dat een uittreksel van het exploot wordt gepubliceerd in de Staatscourant (openbare betekening). De kans dat een op deze wijze betekende dagvaarding de geadresseerde daadwerkelijk bereikt, is echter gering. Openbare betekening is daarom slechts toegestaan indien andere wijzen van betekening niet mogelijk zijn. Dat brengt mee dat niet lichtvaardig mag worden aangenomen dat de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde ‘onbekend’ is. Van onbekendheid in de zin van artikel 54 lid 2 Rv Pro is pas sprake indien degene op wiens verzoek de openbare betekening plaatsvindt, ondanks redelijke onderzoeksinspanningen, de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde niet heeft kunnen achterhalen. [1]
4.4.
Het is niet gebleken dat de ING Bank, althans de deurwaarder, dergelijk onderzoek daadwerkelijk heeft uitgevoerd. De ING Bank heeft alleen een e-mail van de deurwaarder overgelegd waarin hij schrijft dat [opposant] in 2017 naar [plaats] is vertrokken en het adres niet bekend is. Op de zitting heeft de ING Bank desgevraagd toegelicht dat de deurwaarder de gebruikelijke werkzaamheden heeft verricht om de woon- of verblijfplaats van [opposant] te achterhalen. Ook indien zij bedoelt dat de deurwaarder na onderzoek in de Basisregistratie Personen tot de conclusie is gekomen dat geen adres van [opposant] bekend was, is dat in dit geval niet voldoende. De ING Bank althans haar incassogemachtigde Vesting Finance beschikte immers over het e-mailadres van [opposant] , via welk adres in het verleden ook herhaaldelijk contact met [opposant] is geweest over de onderhavige vordering van de ING Bank (zie r.o. 2.3, 2.5 en 2.6). Van de ING Bank mocht daarom ten minste worden verwacht dat zij via het bij haar, althans haar incassogemachtigde Vesting Finance, bekende e-mailadres aan [opposant] zou vragen waar hij verbleef. Daarbij kan in het midden blijven of de ING Bank ook daadwerkelijk langs deze weg de adresgegevens van [opposant] had kunnen achterhalen. Nu gesteld noch gebleken is dat de ING Bank zelf enige onderzoeksinspanningen heeft verricht, komt dit voor haar risico. [2]
4.5.
Nu de in dit geval vereiste redelijke onderzoeksinspanningen niet zijn verricht, mocht de dagvaarding niet openbaar betekend worden aan [opposant] . Het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt echter verworpen. [opposant] is immers in verzet gekomen van het verstekvonnis en naar het oordeel van de rechtbank is hij door het gebrek in de dagvaarding niet onevenredig in zijn belangen geschaad (vergl. artikel 122 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat de ING Bank bewust de dagvaarding openbaar heeft betekend om zo een verstekvonnis te verkrijgen, is door de ING Bank betwist en door [opposant] onvoldoende onderbouwd. Nu [opposant] ook bij nadere schriftelijk reactie op de door de ING Bank in het geding gebrachte producties heeft kunnen reageren, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet in te zien hoe [opposant] overigens in zijn verdediging zou zijn geschaad door de openbare betekening.
De vordering van de ING Bank is verjaard
4.6.
Voornoemd gebrek in de dagvaarding heeft echter wel gevolgen voor het beroep op verjaring, zoals hierna wordt toegelicht.
4.7.
Artikel 3:307 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een vordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst verjaart door verloop van vijf jaren. Ingevolge artikel 3:316 BW Pro wordt de verjaring gestuit door een daad van rechtsvervolging die in de juiste vorm geschiedt. Zoals in 4.4 is overwogen, heeft de ING Bank de oorspronkelijke dagvaarding, waarin zij (gedeeltelijke) nakoming van de kredietovereenkomst heeft gevorderd, ten onrechte openbaar laten betekenen. Deze daad van rechtsvervolging is dus niet in de juiste vorm geschied zoals bedoeld in artikel 3:316 BW Pro en heeft daarom geen stuitende werking. Dit geldt ook voor het eveneens aan [opposant] ten onrechte openbaar betekende verstekvonnis. Dat betekent dat in elk geval sinds december 2017 geen stuitingshandelingen zijn verricht en de vordering in december 2022 is verjaard.
4.8.
Het verstekvonnis kan daarom niet in stand blijven. De rechtbank zal het verstekvonnis vernietigen en de vorderingen van ING Bank afwijzen.
4.9.
Nu het beroep op verjaring slaagt, kan een bespreking van het beroep op schending van artikel 6 EVRM Pro – voor zover dat na de zitting nog deels zou zijn gehandhaafd – achterwege blijven.
Proceskosten
4.10.
De ING Bank is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [opposant] betalen. [opposant] heeft verzocht om de ING Bank in de werkelijke proceskosten te veroordelen, omdat zij het verstekvonnis niet rechtsgeldig heeft betekend en toch executoriaal beslag heeft gelegd op de woning van [opposant] . Daarnaast weigerde de ING Bank om de oorspronkelijke dagvaarding met producties naar hem toe te sturen toen hij voorafgaand aan deze verzetprocedure daarom verzocht.
4.11.
Een vergoeding van volledige proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM Pro. [3]
4.12.
Deze hoge lat wordt in dit geval niet gehaald. Weliswaar heeft de ING Bank nagelaten de onderzoeksinspanningen te verrichten die van haar verwacht mochten worden alvorens tot openbare betekening over te gaan, maar [opposant] heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de ING Bank daarmee ook onrechtmatig heeft gehandeld of misbruik van procesrecht heeft gemaakt. Dat de ING Bank niet op het eerste verzoek van [opposant] de oorspronkelijke dagvaarding met producties naar hem heeft toegezonden is weliswaar niet te prijzen maar niet voldoende om een beroep op misbruik van procesrecht te dragen.
Proceskosten
4.13.
De ING Bank is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in de verstek- en verzetprocedure betalen. Dit geldt ook voor de kosten voor het betekenen van het verstekvonnis en het uitbrengen van de verzetdagvaarding omdat verstek is verleend op een nietige dagvaarding (vergl. artikel 141 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering).
4.14.
De proceskosten van [opposant] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- salaris gemachtigde
1.544,00
(2 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.442,47
5. De beslissing
De kantonrechter
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 26 augustus 2022 met zaaknummer 9427456 / CV EXPL 21-12855, en opnieuw recht doende,
5.2.
wijst de vorderingen van de ING Bank in de zaak 9427456 / CV EXPL 21-12855 af,
5.3.
veroordeelt de ING Bank in de proceskosten van de verstek- en de verzetprocedure van in totaal € 1.442,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de ING Bank niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.M. Visser, bijgestaan door mr. R.D. Lok, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.

Voetnoten

1.PHR 9 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:484, rn. 3.25-3.37.
2.Vergl. Gerechtshof Den Haag, 6 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1919
3.HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828.