Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Geldt een door een persoon in de BRP opgegeven briefadres als gekozen woonplaats als bedoeld in artikel 1:15 BW Pro?
Zo ja, maakt deze gekozen woonplaats ook (uitsluitend) de rechter van deze woonplaats bevoegd om kennis van het geschil te nemen zoals bedoeld in artikel 99 Rv Pro?
Zo niet, is een openbare betekening van het exploot als bedoeld in artikel 54 lid 2 Rv Pro voldoende of moeten en/of kunnen er bij een bekend briefadres en/of andere bekende gegevens (zoals bijvoorbeeld een e-mailadres) nadere eisen worden gesteld?
2.Vraagstelling en achtergronden
- inhoud en betekening van exploten (paragraaf 3);
- het civielrechtelijke woonplaatsbegrip (paragraaf 4);
- het briefadres in de Wet Basisregistratie personen (paragraaf 5);
- het geheim adres en de woonplaatsvermelding in exploten (paragraaf 6);
- betekening aan het briefadres (paragraaf 7);
- beschouwing (paragraaf 8);
- voorstel voor de beantwoording van de prejudiciële vragen (paragraaf 9).
3.Inhoud en betekening van exploten
juridische kwalificatiesdie de deurwaarder daaraan heeft verbonden, zoals de kwalificatie van een bepaalde plaats als ‘woonplaats’ of van een bepaald persoon als ‘huisgenoot’ van de geëxploteerde (in de zin van art. 46 Rv Pro). [8] Het exploot bewijst, met andere woorden, de ambtshandeling als zodanig, maar niet zonder meer de naleving van alle wettelijke voorschriften.
niet heeft bereikt, spreekt de rechter de nietigheid van de dagvaarding uit (art. 121 lid 3 Rv Pro). Een beroep op nietigheid van de dagvaarding door een in het geding
verschenengedaagde, of een gedaagde die na veroordeling bij verstek
verzetinstelt, wordt verworpen indien het gebrek de gedaagde “niet onredelijk in zijn belangen heeft geschaad” (art. 122 lid 1 Rv Pro). Aangenomen wordt dat met deze laatste formulering geen wijziging is beoogd ten opzichte van de onder het oude recht geldende regel, dat het beroep op nietigheid wordt verworpen, indien het gebrek de gedaagde “niet onredelijk in zijn verdediging heeft benadeeld”. [17] Doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of een dagvaarding wegens een daaraan klevend gebrek nietig moet worden verklaard, is dus het
verdedigingsbelang van de gedaagde. Duidelijk is hiermee dat de rechter niet snel de nietigheid van een gebrekkige dagvaarding zal uitspreken. [18]
beschermingsstrekking van de geschonden norm. Bij de bespreking van het woonplaatsvereiste (zie hierna onder 3.10 e.v.) en de betekeningsvoorschriften (zie onder 3.18 e.v.) zal daarom steeds ook worden ingegaan op de beschermingsstrekking van die normen.
identificatievan de in het exploot genoemde personen. [20] Dat betekent dat de geëxploteerde (gedaagde) de verzoeker (eiser) moet kunnen identificeren met behulp van de in het exploot vermelde gegevens, en ook dat hij
zichzelfdaarin moet kunnen herkennen. [21] Tegen deze achtergrond wordt aangenomen dat van onredelijke benadeling in de zin van art. 66 lid 1 en Pro 122 lid 1 Rv (en dus van nietigheid van het exploot) geen sprake is, indien ondanks het niet vermelden van de woonplaats van eiser of gedaagde, geen misverstand kan bestaan over de identiteit van deze personen. [22] Onjuistheidvan een in het exploot vermelde woonplaats leidt niet tot nietigheid van het exploot. [23] Dat is in overeenstemming met de algemene regel dat materiële gebreken (onjuistheden) in een exploot geen nietigheid tot gevolg hebben (zie onder 3.7). Een
onbekendewoonplaats (in de zin van art. 54 Rv Pro) kan en behoeft dus ook niet in het exploot te worden vermeld. [24]
dagvaardingenis, behalve met het oog op identificatie van de procespartijen, ook van belang voor de beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter (art. 99 Rv Pro). [25] Er zijn geen aanwijzingen dat dit een belang is dat gewicht in de schaal legt bij de beoordeling of het verdedigingsbelang van gedaagde is geschaad (zie onder 3.8). Een gedaagde – of een bij verstek veroordeelde gedaagde die verzet instelt – kan altijd het verweer voeren dat een onjuiste woonplaats is opgenomen en hij daarom bij een verkeerde rechter is gedagvaard. [26] Zijn de woon- en verblijfplaats van de gedaagde onbekend, dan is ingevolge art. 109 Rv Pro de rechter van de woonplaats van de eiser of, bij gebreke daarvan, de rechter te Den Haag relatief bevoegd.
civielrechtelijke woonplaatsbegripvan art. 1:10 e.v. BW. [29] Het civielrechtelijke woonplaatsbegrip ziet op iemands ‘woonstede’. Daarmee wordt in het algemeen een specifieke woning bedoeld, oftewel een feitelijk adres en niet alleen de gemeente waar iemand woont. [30] Op het civielrechtelijke woonplaatsbegrip zal nader worden ingegaan onder 4.1 e.v.
adresgegevensvan de woonplaats van degene op wiens verzoek de betekening plaatsvindt (eiser) moeten worden vermeld. Verschillende auteurs gaan ervan uit dat ingevolge art. 45 lid 3 sub b Rv Pro alleen de
gemeentehoeft te worden vermeld waarin eiser woonachtig is. [31] In oudere literatuur wordt daarentegen betoogd dat ter identificatie van de eiser (zie onder 3.10) vermelding van diens volledige adresgegevens gewoonlijk niet, maar onder omstandigheden wél vereist is. [32] In de praktijk wordt in de dagvaarding vaak volstaan met de vermelding van de gemeente waarin de eiser woonachtig is. Daarnaast wordt de door eiser bij zijn advocaat of gemachtigde gekozen woonplaats in de dagvaarding opgenomen (zie hierna onder 3.17).
voor de duur van het geding [34] een vaste plaats moet zijn waar de eiser, ook in geval van verhuizing of tijdelijke afwezigheid, bereikbaar is voor de gedaagde en de rechter. [35] In zaken met verplichte procesvertegenwoordiging voorziet art. 79 lid Pro 2, tweede volzin, Rv hierin, door te bepalen dat partijen ‘geacht’ worden tot aan het eindvonnis woonplaats te hebben gekozen bij de gestelde advocaat, tenzij zij hebben verklaard een andere woonplaats te hebben gekozen. In kantonzaken geldt een dergelijke bepaling voor domiciliekeuze bij de gemachtigde van de niet in persoon procederende partij (art. 80 lid 4 Rv Pro). Omdat de gekozen woonplaats een heel ander doel heeft dan de woonplaatsvermelding op grond van art. 45 lid 3 Rv Pro, kan zij niet gebruikt worden als alternatief voor die woonplaatsvermelding. [36]
Bosschart/De Jong c.s.uit 1979
. [37] Uit de woorden ‘onder meer’ blijkt al dat het bevorderen dat de geëxploteerde een afschrift van het exploot in handen krijgt, niet het enige doel is van de betekeningsvoorschriften. Een ander doel is dat bereikt wordt dat ook de eiser wiens wederpartij onvindbaar is of weigert het exploot in ontvangst te nemen, toegang tot de rechter houdt. [38] Hiermee behelzen de betekeningsvoorschriften in feite een compromis tussen beide doelen. De betekeningsvoorschriften bieden dus ook geen zekerheid dat het exploot de geëxploteerde daadwerkelijk bereikt. [39]
dagvaardingenhebben de betekeningsvoorschriften niet alleen tot doel te bevorderen dat een afschrift van het exploot de gedaagde bereikt, maar ook dat dit zo
tijdiggebeurt dat de gedaagde de mogelijkheid heeft zich goed voor te bereiden om verweer te voeren. [40] Dit tijdigheidsvereiste blijkt bijvoorbeeld uit het slot van art. 46 lid Pro 1, eerste volzin, Rv (“
dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt”) en het slot van art. 63 lid Pro 1, tweede volzin, Rv (“
dat het exploot degene voor wie het is bestemd, tijdig bereikt”).
ofaan de woonplaats aan een huisgenoot
ofaan een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt. Betekening vindt dus plaats in persoon, aan een huisgenoot of aan een andere persoon. Hoewel het woord ‘of’ in de wettekst erop duidt dat deze manieren van betekening op één lijn staan, wordt in de literatuur aangenomen dat betekening in persoon waar mogelijk de voorkeur verdient. [43] Uitgangspunt is dus betekening in persoon.
civielrechtelijke woonplaatsbegripvan art. 1:10 e.v. BW. [44] Dat begrip wordt hierna onder 4.1 e.v. behandeld.
kunnennemen van de inhoud ervan. De kans op
daadwerkelijkekennisneming is – in vergelijking met de andere betekeningswijzen van art. 46 e.v. Rv – minimaal.
ultimum remediumbeschouwd. Openbare betekening moet alleen dan plaatsvinden, als andere manieren van betekening niet mogelijk zijn. [66] Dat openbare betekening
ultimum remediumis volgt ook uit het wettelijk stelsel: betekening in persoon of aan de woonplaats hebben voorrang boven betekening aan het werkelijk verblijf, en betekening aan het werkelijk verblijf heeft voorrang boven openbare betekening. [67]
ultimum remediumis, betekent ook dat niet te gemakkelijk mag worden aangenomen dat is voldaan aan het vereiste van art. 54 lid 2 Rv Pro, dat de woon- en verblijfplaats van de geëxploteerde ‘onbekend’ zijn. Daarvan is slechts sprake, indien degene op wiens verzoek de openbare betekening plaatsvindt, ondanks
redelijke onderzoeksinspanningende woon- of verblijfplaats van de geëxploteerde
niet heeft kunnen achterhalen. [68] De deurwaarder zal dus eerst moeten proberen – als in de basisregistratie personen geen woonplaats van betrokkene is opgenomen – de
feitelijke verblijfplaatsvan betrokkene te achterhalen.
opdrachtgeverkan zo’n verplichting er wel zijn, zo blijkt uit het navolgende.
alsnogte bewerkstelligen dat de dagvaarding de gedaagde daadwerkelijk bereikt. Dit blijkt uit twee uitspraken van de Hoge Raad uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarin het ging om echtscheidingen die bij verstek van de betrokken vrouwen waren uitgesproken, zonder toekenning van alimentatie. De vrouwen in kwestie waren hun mannen ontvlucht en daarmee zonder bekende woon- of verblijfplaats. Om die reden waren zij openbaar gedagvaard. De bij verstek gewezen echtscheidingsvonnissen waren vervolgens ook weer openbaar betekend. Het resultaat was dat de vrouwen pas achteraf, toen het te laat was, geconfronteerd werden met deze voor hen nadelige rechterlijke uitspraken.
verzuim een dergelijke mogelijkheid tot contact met de wederpartij te gebruiken of haar ter kennis van den Officier van Justitie te brengen”, bedrog in de zin van art. 382 Rv Pro oplevert. [72] Cleveringa had dit eerder al betoogd, en eraan toegevoegd dat een dergelijke handelwijze tevens een onrechtmatige daad jegens de gedaagde oplevert. [73] De overweging van de rechtbank in het vonnis dat voorafging aan de tweede uitspraak van de Hoge Raad, dat in de wet niet is neergelegd dat er een inspanningsverplichting bestaat om het adres van de vrouw te achterhalen en dat openbare betekening door de wetgever kennelijk voldoende werd geacht, verdient volgens Cleveringa “
de roe”. Deze redenering van de rechtbank, zo schrijft Cleveringa, “
leidt tot een verheffing van den ijdelen vorm boven het wezen, die bij uitstek geschikt is rechtspraak en overig juristenwerk van het volk, waarvoor een en ander dient, te vervreemden.” [74] Een pleidooi voor deformalisering
avant la lettre.
kantoorbetekening, dat wil zeggen betekening aan het kantoor van de advocaat of deurwaarder bij wie degene voor wie het exploot is bestemd, laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen.
zaakwaarnemer of lasthebbervan de geëxploteerde, namelijk de advocaat of deurwaarder bij wie de geëxploteerde laatstelijk ter zake woonplaats heeft gekozen. Art. 63 lid Pro 1, tweede volzin, Rv expliciteert dat deze advocaat of deurwaarder een
zorgplichtheeft om te bevorderen dat het exploot de geëxploteerde tijdig bereikt.
[…] / […]. [78] Op grond van deze overeenkomstige toepassing van art. 47 Rv Pro kan de deurwaarder ofwel het exploot achterlaten op het kantooradres in een gesloten envelop, ofwel een afschrift per post aan het kantooradres bezorgen, indien de deurwaarder op het kantooradres niemand aantreft aan wie het exploot kan worden gelaten. In de literatuur wordt aangenomen dat deze analoge toepassing van art. 47 Rv Pro ook mogelijk is ten aanzien van andere gekozen woonplaatsen dan het kantooradres. [79]
woonplaatsen de in Nederland
gekozen woonplaats van de eiserin de procesinleiding. Art. 30a lid 3 sub b KEI-Rv vereist – overeenkomstig art. 45 lid 3 sub d Rv Pro – vermelding van de
woonplaats van de verweerderin de procesinleiding. Evenals onder het regime van art. 45 lid 3 Rv Pro wordt aangenomen dat deze woonplaatsvermeldingen dienen ter identificatie van de betrokken partijen en dat het begrip ‘woonplaats’ in dit verband moet worden ingevuld met behulp van art. 1:10 e.v. BW. [83]
elektronische indieningvan de procesinleiding, en voorziet in de mogelijkheid van
niet-ontvankelijkverklaring van de eiserals herstel uitblijft. Tegen deze achtergrond toont Van Mierlo zich kritisch over de toepassing van art. 30c lid 6 KEI-Rv in dit geval. [86]
vier wekenvoorschrijft. Gelet op art. 112 lid 1 KEI Pro-Rv, dat de eiser een termijn van
twee wekengeeft voor betekening of informele bezorging van het oproepingsbericht, resulteert hieruit een impliciete voorbereidingstermijn voor de verweerder van
twee weken. Dat is dus twee keer zo lang als de huidige minimale dagvaardingstermijn van één week (zie onder 3.20). [87]
4.Het civielrechtelijke woonplaatsbegrip
bestendigheidis vereist. [91] De Toelichting Meijers vermeldt in dit verband:
feitelijkopgevat. Dat betekent dat de feitelijke woonsituatie en niet de inschrijving in het bevolkingsregister (voorheen de GBA, nu de BRP) beslissend wordt geacht. Ook in de feitenrechtspraak wordt uitgegaan van het feitelijke woonplaatsbegrip. [95]
bewijsvermoedenvan verplaatsing van de woonstede ontleent aan de registratie daarvan in het bevolkingsregister:
rechtsbegripis, dat trekken van een juridische fictie vertoont, namelijk een fictie van voortdurende aanwezigheid althans bereikbaarheid op de woonplaats. [97] Illustratief is de volgende, veel geciteerde definitie van de woonplaats in de Asser-serie:
naarmate uit de omstandigheden van het al of niet bestaan van een meer duurzame betrekking tussen een persoon en een plaats blijkt, […] dat verblijf als woonstede of als werkelijk verblijf [zal] gelden: beide begrippen veronderstellen een zekere mate van bestendigheid.” [99] Een verblijf van geheel voorbijgaande aard mag níet als werkelijk verblijf in de zin van art. 1:10 lid 1 BW Pro worden beschouwd. [100]
gekozen woonplaats:
bepaalderechten of verplichtingen, of
bepaalderechtshandelingen.
verplichtewoonplaatskeuze (“wanneer de wet hem daartoe verplicht”) en een
vrijwilligewoonplaatskeuze (“bij schriftelijke of langs elektronisch aangegane overeenkomst”). [103] Standaardvoorbeeld van de eerste categorie is de eerder besproken verplichte woonplaatskeuze door de eiser bij dagvaarding (art. 111 lid 2 sub a Rv Pro, zie onder 3.17). Andere voorbeelden zijn de verplichte woonplaatskeuze door de executant in een beslagexploot (art. 439 lid 3 Rv Pro) en de verplichte woonplaatskeuze door de hypotheekhouder in een hypotheekakte (art. 3:260 lid 1 BW Pro). Gemeenschappelijk kenmerk van deze verplichte woonplaatskeuzes is dat zij beperkt zijn tot een
bepaaldeaangelegenheid (een dagvaardingsprocedure, een beslaglegging, een hypotheek) tussen
bepaaldepartijen (eiser/gedaagde, executant/geëxecuteerde, hypotheekhouder/hypotheekgever). Dat kenmerk delen zij met de vrijwillige woonplaatskeuze, die immers ingevolge art. 1:15 BW Pro beperkt is tot “een of meer
bepaalderechtshandelingen of rechtsbetrekkingen”. Daarmee heeft de gekozen woonplaats een beperkte strekking, in die zin dat deze er niet toe leidt dat betrokkene
in zijn algemeenheidgeacht kan worden aldaar woonplaats te hebben gekozen. [104]
vrijwilligewoonplaatskeuze slechts toe onder drie cumulatieve voorwaarden, namelijk (i) dat de keuze bij schriftelijke of langs elektronische weg aangegane overeenkomst geschiedt, (ii) dat de keuze voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen geschiedt en (iii) dat voor de gekozen woonplaats een redelijk belang aanwezig is. Deze beperkingen van de vrijwillige woonplaatskeuze heeft de wetgever noodzakelijk geacht in het belang van de gedomicilieerde, ter voorkoming van misbruik. De Toelichting Meijers vermeldt in dit verband: [105]
met grote regelmaat geven justitiabelen te kennen – en lang niet altijd schriftelijk – dat zij tot hen gerichte verklaringen anders dan aan hun ‘echte’ woonplaats wensen te ontvangen (of: bereid zijn te ontvangen)”. Ook kan die wens blijken uit gedragingen van een partij. Dit leidt tot wat Huydecoper noemt ‘een genuanceerde toepassing’ van art. 1:15 BW Pro. Zo’n toepassing biedt ruimte om ook rechtsgevolg toe te kennen aan een woonplaatskeuze die niet voldoet aan alle vereisten van art. 1:15 BW Pro, tenzij sprake is van dreigend misbruik van een woonplaatskeuze: [107]
explotenkunnen worden betekend. [108] Reeds in oude rechtspraak van de Hoge Raad was die mogelijkheid aanvaard. [109]
plaatsen niet aan een daar woonachtige
persoon: [112]
bevoegdheiden geen
verplichtingcreëert, om bepaalde handelingen aan het gekozen adres te verrichten. [113] In de Toelichting Meijers is hierover het volgende te lezen: [114]
met welk doelde woonplaatskeuze is gedaan,
welk rechtsgevolgdaaraan is verbonden en
in wiens belangzij geschiedde. Gaat het om een woonplaatskeuze in het belang van de betrokkene zelf, bijvoorbeeld ter voorkoming van onzekerheid over de vraag waar nakoming moet plaatsvinden, dan is de woonplaatskeuze exclusief. Gaat het daarentegen om een woonplaatskeuze in het belang van de wederpartij, bijvoorbeeld ter vergemakkelijking van het doen van kennisgevingen, dan kunnen die kennisgevingen ook aan de werkelijke woonplaats van de betrokkene worden gedaan. [115]
briefadreskan dan wel moet plaatsvinden. Zoals hierna nog zal blijken, is een briefadres namelijk per definitie exclusief in die zin, dat alleen personen van wie geen woonadres is opgenomen in de basisregistratie personen, zich kunnen laten registreren op een briefadres (zie onder 5.4 en 5.12 e.v.). De keuze tussen betekening aan een woonadres en een briefadres zal zich dus in de praktijk niet voordoen: het woonadres van briefadreshouders is (voor zover betrokkene dat al heeft) niet bekend bij de deurwaarder.
relatieve bevoegdheidvan de rechter. Heeft de gedaagde overeenkomstig art. 1:15 BW Pro woonplaats gekozen, dan is ingevolge art. 99 lid 1 Rv Pro de rechter van de gekozen woonplaats relatief bevoegd om van de zaak kennis te nemen. [116]
5.Het briefadres in de Wet BRP
niet-ingezetenenmoeten worden opgenomen. [120] De ontwikkeling van een centraal bevolkingsregister (‘operatie BRP’) is wegens automatiseringsproblemen op 5 juli 2017 gestaakt (nadat 100 miljoen in het project was geïnvesteerd). [121] De registratie van ingezetenen gebeurt daardoor tot op de dag van vandaag nog altijd door de gemeenten, met gebruikmaking van hun bestaande GBA-systemen. [122] Dit verklaart waarom ook na invoering van de Wet BRP nog wel wordt gesproken over de gemeentelijke basisadministratie. De registratie van
niet-ingezetenenis wel gecentraliseerd: deze geschiedt door de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens (RvIG) in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI). [123]
dat een overheid die haar burgers niet kent of niet weet te vinden, niet in staat [is] de taken uit te voeren die door diezelfde burgers aan haar zijn toevertrouwd’. [125] Tegen deze achtergrond zijn bestuursorganen bij de vervulling van hun taken niet alleen gerechtigd, maar in beginsel ook
verplichtom van de daarvoor benodigde gegevens uit de basisregistratie gebruik te maken (art. 1.7 Wet BRP). [126] In het verlengde van deze informatiefunctie ten behoeve van de overheid, heeft de basisregistratie mede tot doel
derdenin bepaalde gevallen te voorzien van de daarin opgenomen gegevens (art. 1.3 lid 2 Wet BRP). [127] Tegelijkertijd beoogt de Wet BRP de
bescherming van de persoonlijke levenssfeervan de geregistreerde burgers te waarborgen. [128]
feitelijkmoet worden opgevat.
feitelijke woonadresvan de burger, waarbij hij tevens signaleerde dat onder meer de deurwaarder bij de uitoefening van zijn taak daarvan op de hoogte moet zijn (mijn onderstreping): [132]
het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken.” In de memorie van toelichting bij de Wet GBA was vermeld dat, waar het woonadres een drietal functies vervult (namelijk informatie geven over de bereikbaarheid van de burger, zijn binding met een gemeente en het wonen c.q. het delen van een woning met een ander), aan het briefadres alleen de functie van ‘bereikbaarheidsadres’ kan worden toegekend. [134] In de memorie van toelichting bij de Wet GBA stond verder dat een postbus niet als briefadres kan dienen, vanwege de eis dat op het briefadres zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken. [135]
aangiftedoet van een briefadres, omdat hij
geen woonadres(meer) heeft (art. 2.23 lid 1, 2.38 lid 1 en 2.39 lid 3 Wet BRP);
ambtshalveeen briefadres van de betrokkene registreert, omdat een
woonadres ontbreekten geen aangifte is gedaan van een briefadres (art. 2.23 lid 2 Wet BRP);
in plaats van zijn woonadreseen briefadres kiest en daarvan aangifte doet, omdat hij woont in een aangewezen instelling waarvan de aard meebrengt dat door opneming van het adres daarvan in de basisregistratie de
persoonlijke levenssfeervan de betrokkene onevenredig zou kunnen worden geschaad (art. 2.40 lid 1 Wet BRP en artt. 17-19 Regeling BRP);
in plaats van zijn woonadreseen briefadres kiest en daarvan aangifte doet, omdat het opnemen van een woonadres naar het oordeel van de burgemeester om
veiligheidsredenenniet wenselijk is (art. 2.41 lid 1 Wet BRP);
beroepshalve varendis aan boord van een schip dat in Nederland zijn thuishaven heeft, en hij gedurende zijn verblijf buiten Nederland van maximaal twee jaren een briefadres kiest in Nederland (art. 2.43 Wet BRP jo. art. 29 lid 2 Besluit Pro BRP).
Een mens leeft, een systeem niet”) geconstateerd dat mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats hierdoor in een vicieuze cirkel kunnen belanden, doordat zij zonder BRP-adres geen aanspraak kunnen maken op sociale voorzieningen, daardoor geen inkomen kunnen genereren en ook geen woning kunnen bemachtigen. [149] Mede naar aanleiding van dit rapport [150] is in de al genoemde circulaire ‘BRP en briefadres’ neergelegd dat gemeenten zo nodig zelf als briefadresgever voor de hier bedoelde personen moeten optreden. [151] Uit recente Kamervragen – na een televisie-uitzending van onderzoeksprogramma
De Monitor [152] – blijkt echter dat de problemen rond het briefadres nog voortduren. Meerdere gemeentes blijken aanvullende (buitenwettelijke) eisen te stellen aan de registratie van een briefadres, zoals regiobinding of de verplichting voor betrokkene om zich aan te melden bij een zorginstelling. [153] Dak- en thuislozen verworden zo tot ‘spookburgers’, wat ook door de minister als zeer onwenselijk wordt beschouwd.
bevoegdheidom een briefadres te kiezen
in plaats vanhet woonadres. [156] De in art. 2.40 lid 3 Wet BRP bedoelde aanwijzing van categorieën van instellingen heeft plaatsgevonden in art. 17 tot Pro en met 19 van de Regeling BRP. [157]
veiligheidsredenenonwenselijk is, de mogelijkheid om zich te laten registreren op een briefadres. Deze mogelijkheid is nieuw ten opzichte van de Wet GBA [158] en is met name bedoeld voor personen die verblijven in een instelling voor vrouwenopvang (bijvoorbeeld een blijf-van-mijn-lijf-huis) en andere bedreigde personen. [159] De memorie van toelichting vermeldt het volgende: [160]
ontbreekten waarin de ingezetene dus
verplichtis om een briefadres te kiezen, maar om gevallen waarin de ingezetene daartoe
bevoegdis. [161]
andere (wereld)reizigersmet Nederland als thuisbasis een briefadres kunnen laten registreren, mits hun verblijf in het buitenland korter dan acht maanden duurt. Verblijven zij acht maanden of langer in het buitenland, dan moeten zij zich – anders dan de hier bedoelde zeevarenden – op grond van art. 2.43 lid 1 Wet BRP laten uitschrijven uit de basisregistratie. [166] De Nationale Ombudsman is kritisch over dit beleid; volgens hem is een briefadres voor alle wereldreizigers met een thuisbasis in Nederland de beste oplossing. [167]
briefadresgeverin art. 2.42 Wet BRP (die nieuw is ten opzichte van de Wet GBA), de eis dat alleen een
aangewezenrechtspersoon, in Nederland gevestigd, als briefadresgever kan optreden, het
instemmingsvereistevan art. 2.45 lid 2 Wet BRP (voorheen opgenomen in art. 70 lid 2 Wet Pro GBA) en de
zorgplichtvan art. 2.45 lid 3 Wet BRP (voorheen opgenomen in de definitie van het briefadres in art. 1 Wet Pro GBA) strekken ertoe de nodige zekerheid te scheppen dat de voor de betrokkene bestemde stukken deze ook bereiken en dat een natuurlijk persoon (de briefadresgever of diens vertegenwoordiger) daarop kan worden aangesproken. Hiermee wordt bevorderd dat de briefadreshouder ook daadwerkelijk bereikt wordt via het briefadres.
dat de ingeschrevene ook werkelijk via dit adres bereikt kan worden”. [172]
redenenvoor de aangifte dient te vermelden, de in art. 2.45 lid 4 Wet BRP neergelegde
informatieplichtvan de briefadresgever en de in art. 4.17 Wet BRP voorziene mogelijkheid om bij overtreding van art. 2.45 Wet BRP een
boeteop te leggen: [173]
verplichtzijn om het briefadres te gebruiken (zie anders de schriftelijke opmerkingen namens de KBvG onder 8.2 en 8.3).
6.Het geheim adres en de woonplaatsvermelding in exploten
derden, en dus niet voor gegevensverstrekking aan overheidsorganen. Art. 3.21 Wet BRP (vgl. voorheen art. 97 e.v. Wet GBA) bepaalt dat van personen met een geheimhoudingsindicatie in beginsel geen gegevens aan derden worden verstrekt (lid 1). Bij wijze van uitzondering kan het college van burgemeester en wethouders bepaalde vormen van gegevensverstrekking toestaan, indien de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad (lid 2). Het gaat onder meer om gegevensverstrekking ten behoeve van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen “werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang” (art. 3.21 lid 2 jo. 3.6 lid 1 sub c en lid 2 Wet BRP). In Bijlage 5 bij het Besluit BRP zijn onder meer “gerechtelijke werkzaamheden” die door derden ter uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift worden verricht, als zodanig aangewezen. Blijkens de toelichting wordt hierbij met name gedacht aan gerechtelijke werkzaamheden door advocaten en kunnen gerechtsdeurwaarders, voor zover zij ambtshandelingen verrichten, gegevens verstrekt krijgen op grond van de bepalingen over verstrekkingen aan overheidsorganen. [187]
het niet-opnemen van het woonadres in de basisregistratie– biedt de zekerheid dat de adresgegevens van de betrokkene inderdaad geheim blijven. Zie in deze zin ook de volgende passages uit de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet BRP (mijn onderstreping): [189]
derden, niet zijnde overheidsorganen (zie onder 6.2). Wat betreft de door de kantonrechter in rov. 5.3 genoemde uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State: daarin is geoordeeld dat op de voet van art. 98 Wet Pro GBA ook GBA-gegevens konden worden verstrekt aan derden (in casu de Postbank), ten behoeve van het opstellen van een ‘formulierdagvaarding’, onder het regime van het toenmalige art. 104 Rv Pro (oud). [211] De verwijzing naar deze bestuursrechtelijke uitspraak geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting: kennelijk veronderstelt de kantonrechter dat de gerechtsdeurwaarder bij het raadplegen van de basisregistratie ten behoeve van de betekening van exploten zou hebben te gelden als
derde. Meer in algemene zin merk ik op dat de gedaagde in deze (verzet)procedure was verschenen. Het beroep op nietigheid kon daarom slechts worden gehonoreerd, indien de gedaagde door het gebrek onredelijk in haar belangen was geschaad (art. 122 lid 1 Rv Pro), zoals de kantonrechter in rov. 5.1 ook overwoog. Naar mijn mening valt niet goed in te zien in welk verdedigingsbelang gedaagde in casu was geschaad, door het enkele feit dat in de dagvaarding haar eigen adresgegevens ontbraken.
eisersniet waren vermeld. De rechtbank verwierp het beroep van gedaagde op nietigheid van de dagvaarding, maar veroordeelde eisers wel tot het uitbrengen van een herstelexploot op de voet van art. 122 lid 2 Rv Pro: [212]
inhoudrechtsgeldig is. Die vraag komt hierna aan de orde.
ofindien een verschenen gedaagde door het gebrek onredelijk is benadeeld (zie onder 3.8). De nietigheidsregeling voor exploten in het algemeen berust op hetzelfde beginsel: het komt erop aan of degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd (zie onder 3.9). Hieruit volgt dat de enkele omstandigheid dat in een (dagvaardings)exploot – in strijd met art. 45 lid 3 sub b respectievelijk Pro sub d Rv – de adresgegevens van de verzoeker (eiser) of de geëxploteerde (gedaagde) niet zijn opgenomen, niet zonder meer tot nietigheid leidt, maar alleen indien de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het belang dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd.
identificatievan de in het exploot genoemde personen (zie onder 3.10). In het algemeen zie ik geen grond om aan te nemen dat het achterwege laten van adresgegevens in een exploot leidt tot identificatieproblemen aan de zijde van de geëxploteerde (gedaagde). Normaliter zal op basis van de inhoud van het exploot (de namen van de betrokkenen en bijvoorbeeld de omschrijving van het geschil in een dagvaarding) voldoende duidelijk zijn welke personen daarin zijn bedoeld, ook zonder dat hun volledige adresgegevens zijn opgenomen. Ik merk hierbij op dat van de verzoeker (eiser) niet alleen diens achternaam, maar ook diens voornamen in het exploot moeten worden opgenomen (art. 45 lid 3 sub b Rv Pro). In beginsel is er dus geen grond om uit het enkele ontbreken van adresgegevens in exploten af te leiden dat de geëxploteerde daardoor onredelijk is benadeeld in het ‘identificatiebelang’ dat door het woonplaatsvereiste wordt beschermd. In de besproken feitenrechtspraak heb ik daarvan ook geen voorbeelden aangetroffen.
niet bereikt. Als de deurwaarder in het exploot heeft gerelateerd dat betekend is aan het in de basisregistratie opgenomen adres van de gedaagde, waarvan de gedaagde op de voet van art. 2.59 Wet BRP heeft verzocht dit niet te verstrekken aan derden, moet de rechter in beginsel uitgaan van de juistheid daarvan. De dagvaarding is immers een authentieke akte, die dwingend bewijs oplevert van hetgeen de deurwaarder daarin binnen de kring van zijn bevoegdheid heeft verklaard. [217] Behoudens concrete aanwijzingen voor het tegendeel, lijkt het mij dan ook niet aannemelijk dat de dagvaarding betrokkene niet heeft bereikt als gevolg van het niet opnemen van de adresgegevens in de dagvaarding.
gemeentezal moeten worden vermeld waarin de gedaagde woonachtig is, zulks met het oog op de beoordeling van de relatieve bevoegdheid van de rechter. [218] Onder omstandigheden kan ook de enkele vermelding van de woongemeente (zonder de specifieke adresgegevens) al inbreuk maken op de privacy of veiligheid van een betrokken verzoeker of geëxploteerde. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer betrokkene in een kleine gemeente in een blijf-van-mijn-lijfhuis woont. In dat geval zal de deurwaarder moeten relateren dat ook de woongemeente geheim moet blijven vanwege de privacy of veiligheid van betrokkene. Dat kan zo nodig in het exploot nader worden toegelicht. Uiteraard zal wel voldaan moeten zijn aan de voorwaarde dat er geen onduidelijkheid mag bestaan over de identiteit van betrokkene (vgl. onder 6.27 e.v.).
briefadres(vgl. art. 2.40 en 2.41 Wet BRP, besproken onder 5.17 e.v.). In dat geval wordt de feitelijke woonplaats – en dus ook de gemeente waarin die woonplaats gelegen is – niet geregistreerd, en kan die dus ook niet in het exploot worden gerelateerd. Op die situatie hebben de prejudiciële vragen betrekking, waarop ik nu nader inga.
7.Betekening aan het briefadres
8.Beschouwing
bedoeldom ervoor te zorgen dat personen die geen woonadres hebben (of om privacy- of veiligheidsredenen geen woonadres laten registreren in de basisadministratie), toch bereikbaar zijn voor de overheid. Zoals gezegd, heeft de gerechtsdeurwaarder bij het doen van exploten te gelden als overheidsorgaan in de zin van de Wet BRP (zie onder 5.31). Vanuit die hoedanigheid heeft de deurwaarder toegang tot adresgegevens uit de basisregistratie. Als wordt geabstraheerd van de betekeningsvoorschriften van art. 46 e.v. Rv, ligt het daarmee voor de hand om aan te nemen dat de deurwaarder bevoegd is om bij het betekenen van exploten gebruik te maken van een in de basisregistratie opgenomen briefadres. Zoals gezegd is bij de totstandkoming van de Wet BRP uitdrukkelijk op die mogelijkheid gewezen, en gaat ook de overheid zelf ervan uit dat aan het briefadres exploten kunnen worden betekend (zie onder 5.38 e.v.).
daadwerkelijk bereiktkan worden via het briefadres (zie onder 5.21 e.v.). Van belang is met name dat alleen in wettelijk omschreven situaties een briefadres mag worden geregistreerd, dat de briefadresgever toestemming moet geven om als zodanig te fungeren, en dat op de briefadresgever de plicht rust om ervoor te zorgen dat de op het briefadres ontvangen geschriften ook daadwerkelijk terechtkomen bij de briefadreshouder.
bereikbaarheidvan de betrokkene – het gemeenschappelijke doel van zowel de Wet BRP als de betekeningsvoorschriften (vgl. onder 3.18) –, betekening aan het briefadres verreweg de voorkeur heeft. Niet alleen zijn er verschillende waarborgen die eraan bijdragen dat de briefadreshouder op de hoogte raakt van stukken die aan zijn briefadres zijn betekend. Bovendien heeft de briefadreshouder – afgezien van gevallen van
ambtshalveregistratie op een briefadres (vgl. onder 5.15) – door opgave van een briefadres ook expliciet te kennen gegeven dat hij op dat adres bereikbaar is. Hij rekent dus bepaald niet op een openbare betekening (zo hij al van het bestaan van die mogelijkheid op de hoogte zou zijn).
inhoudrechtsgeldig is (in de zin van art. 45 lid 3 Rv Pro).
verplichte woonplaatskeuzein de zin van art. 1:15 BW Pro, met dien verstande dat in categorie (ii) de woonplaatskeuze ambtshalve voor de betrokkene wordt gemaakt.
moeteen briefadres worden geregistreerd (zie onder 5.4). Zo beschouwd geldt ook voor deze categorieën van briefadressen dat zij (indirect) voortvloeien uit een wettelijke verplichting tot woonplaatskeuze, namelijk de verplichting om
bij gebreke van een geregistreerde woonplaatseen briefadres te kiezen. [237]
vrijwillige woonplaatskeuzein de zin van art. 1:15 BW Pro kan worden aangemerkt.
ratiovan die wettelijke eisen niet in de weg aan het aanmerken van het briefadres als berustend op een vrijwillige woonplaatskeuze in de zin van art. 1:15 BW Pro.
geen enkel misverstandkan bestaan over het adres waarop betrokkene bereikbaar is. Van een onduidelijke woonplaatskeuze – wat art. 1:15 BW Pro wil voorkomen – is dan ook zeker geen sprake; betrokkene heeft ‘voldoende duidelijk kenbaar gemaakt’ dat hij dáár zijn officiële post wil ontvangen (vergelijk het onder 4.9 besproken betoog van Huydecoper). Evenmin doet zich voor dat sprake is van een ‘al te willekeurige’ of ‘al te bezwarende’ woonplaatskeuze van betrokkene (vgl. de passages uit de wetsgeschiedenis bij art. 1:15 BW Pro, geciteerd onder 4.8). Uiteraard mag er geen aanwijzing zijn dat het briefadres misbruikt wordt.
wederpartij(schuldeiser) van betrokkene. Aanvaarding van de mogelijkheid van betekening aan een briefadres betekent dat de briefadreshouder niet alleen voor de overheid in overheidsaangelegenheden, maar voor alle schuldeisers bereikbaar is op het briefadres. Zo beschouwd heeft deze mogelijkheid een veel ruimere strekking dan het type woonplaatskeuzes waaraan de wetgever bij de totstandkoming van art. 1:15 BW Pro kennelijk heeft gedacht (vgl. onder 4.7).
bereikbaarheidhet redelijke belang is bij de keuze voor een briefadres, al dan niet in samenhang met andere redelijke belangen, zoals privacy of veiligheid.
kantoorbetekeningvan art. 63 lid 1 Rv Pro, die de mogelijkheid biedt exploot te doen aan een lasthebber van de geëxploteerde (een advocaat of deurwaarder). De op de advocaat of deurwaarder rustende verplichting om te bevorderen dat het exploot de geëxploteerde tijdig bereikt (zie onder 3.46), is vergelijkbaar met de zorgplicht die op grond van art. 2.45 lid 3 Wet BRP op de briefadresgever rust (zie onder 5.22 e.v.). Ook is een parallel te trekken met de mogelijkheid van art. 46 lid 1 Rv Pro, om een afschrift van het exploot te laten aan de woonplaats van de geëxploteerde, aan een huisgenoot of een ander daar aanwezig persoon van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift de geëxploteerde tijdig bereikt. Daarbij gaat het erom of de deurwaarder erop mag vertrouwen dat de ontvanger het exploot (tijdig) ter hand zal stellen aan de geëxploteerde (zie onder 3.28). Bij betekening aan het briefadres zal voldaan zijn aan dit vereiste van vertrouwen, nu de briefadreshouder heeft aangegeven – althans verondersteld mag worden (in geval van ambtshalve registratie op een briefadres) – op dit adres bereikbaar te zijn, de briefadresgever daarmee heeft ingestemd en de briefadresgever een zorgplicht heeft om te bevorderen dat het ontvangen afschrift van het exploot betrokkene tijdig bereikt. Net als bij kantoorbetekening kan met analoge toepassing van art. 47 Rv Pro aan het briefadres worden betekend door achterlating van een gesloten envelop of bezorging per post (zie onder 3.47). Hiermee past betekening aan een briefadres in het systeem van de wettelijke betekeningsvoorschriften.
9.Voorstel voor beantwoording van de prejudiciële vragen
eerste vraagis of een door een persoon in de BRP opgegeven briefadres als gekozen woonplaats als bedoeld in artikel 1:15 BW Pro geldt
.
moetplaatsvinden (zie onder 8.10). Voor zover geen verplichting tot het registreren van een briefadres bestaat, kan mijns inziens van een vrijwillige woonplaatskeuze worden gesproken. Voor deze categorieën wordt weliswaar strikt genomen niet voldaan aan de wettelijke vereisten voor een vrijwillige woonplaatskeuze als bedoeld in art. 1:15 BW Pro (schriftelijke of elektronische overeenkomst, voor een of meer bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen). Nu echter wel wordt voldaan aan de ratio van die vereisten – geen dreigend misbruik, geen onduidelijkheid, geen opgedrongen keuze – is het briefadres op één lijn te stellen met de vrijwillige woonplaatskeuze van art. 1:15 BW Pro (zie onder 8.12 e.v.).
tweede vraagis of, bij een bevestigende beantwoording van de eerste vraag, exploten op grond van artikel 46 Rv Pro dienen te worden betekend op dit adres.
derde vraagis of, bij een bevestigende beantwoording van de tweede vraag, deze gekozen woonplaats ook (uitsluitend) de rechter van deze woonplaats bevoegd maakt om kennis van het geschil te nemen zoals bedoeld in artikel 99 Rv Pro?
vierde vraagluidt, voor het geval de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, of een openbare betekening van het exploot als bedoeld in artikel 54 lid 2 Rv Pro voldoende is, of dat er bij een bekend briefadres en/of andere bekende gegevens (zoals bijvoorbeeld een e-mailadres) nadere eisen moeten en/of kunnen worden gesteld.