Verzoekster, een besloten vennootschap, opende een winkel in een pand te Amsterdam, hetgeen volgens het college in strijd is met het geldende omgevingsplan. Het college legde daarom een last onder dwangsom op wegens overtreding van het bestemmingsplan en de Omgevingswet. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de winkel open te houden tijdens de bezwaarprocedure.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en oordeelde dat dit aanwezig is vanwege de dreiging van een dwangsom van €20.000,-. De rechter stelde vast dat het college eerst het bezwaar moet behandelen en dat een voorlopig rechtmatigheidsoordeel niet aan de orde is. De belangenafweging wees uit dat het financiële belang van verzoekster zwaarder weegt dan het belang van het college en de derde-partij, die een omzetdaling van 5% ervaart.
Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel door verzoekster werd meegenomen, waarbij werd vastgesteld dat dit niet op voorhand kansloos is. De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het besluit te schorsen tot vier weken na de beslissing op bezwaar. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.