ECLI:NL:RBAMS:2026:2008

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
12012749
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
  • G.J. Boeve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 IVRKArt. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens huurachterstand met betaling vordering en proceskosten

De Woningmaatschappij Noord Holland B.V. vordert ontruiming van een woning en betaling van een huurachterstand van €22.500,00 plus rente en kosten, omdat [gedaagden] hun huur niet hebben betaald sinds juni 2024. [gedaagden] wonen met twee minderjarige kinderen in de woning en stellen betalingsonmacht en belangenafweging aan hun zijde.

De rechtbank stelt vast dat de huurachterstand inmiddels is opgelopen tot elf of twaalf maanden en dat [gedaagden] ernstig tekortschieten in hun betalingsverplichting. De belangen van de minderjarige kinderen worden meegewogen, maar het ontbreken van concrete onderbouwing van dakloosheid of gezinsontwrichting leidt niet tot een andere uitkomst.

De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand en de ontruiming toe, maar stelt een ontruimingstermijn van twee maanden na betekening van het vonnis vast, wat als een redelijke termijn wordt beschouwd. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens het ontbreken van een correcte 14-dagenbrief. [gedaagden] worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de huurachterstand, de huur over de gebruiksperiode na 31 december 2025, en de proceskosten van €2.231,02 plus kosten van betekening. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt tot ontruiming binnen twee maanden en betaling van de huurachterstand met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12012749 \ KK EXPL 25-861
Vonnis in kort geding van 18 februari 2026
in de zaak van
WONINGMAATSCHAPPIJ NOORD HOLLAND B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Woningmaatschappij,
gemachtigde: mr. P.P. Otte,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. F. Acar.
Zaak in het kort
[gedaagden] huren een woning van de Woningmaatschappij. Zij wonen met hun twee minderjarige kinderen in deze woning. Zij hebben een huurachterstand laten ontstaan. De Woningmaatschappij vordert daarom ontruiming van de woning en betaling van de achterstand, vermeerderd met kosten en rente. [gedaagden] voeren aan in betalingsonmacht te verkeren en stellen dat een belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen. De vorderingen worden toegewezen, zij het dat de ontruimingstermijn gesteld wordt op twee maanden na de betekening van dit vonnis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 december 2025;
- de dagbepaling mondelinge behandeling.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 4 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, zijn voor partijen hun gemachtigden verschenen. Zij hebben de stellingen van partijen toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Tenslotte is het vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De Woningmaatschappij verhuurt met ingang van 24 juni 2024 de woning aan het adres [adres] (het gehuurde) aan [gedaagden] In de tussen partijen daartoe gesloten huurovereenkomst is bepaald dat de (kale) huurprijs van € 2.250,00 per maand uiterlijk op de eerste dag van de maand waarop die betaling betrekking heeft, moet worden voldaan (hierna: de huurovereenkomst). Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte (volgens het model van de ROZ van 20 maart 2017) van toepassing.
2.2.
[gedaagden] hebben een betalingsachterstand laten ontstaan. De Woningmaatschappij heeft [gedaagden] op 2 oktober 2025 en meermaals nadien aangemaand om aan hun betalingsverplichtingen voldoen. Tevens heeft zij daarin aangekondigd anders een kort geding tot ontruiming van het gehuurde te zullen starten. De Woningmaatschappij heeft [gedaagden] ook schriftelijk gewezen op de mogelijkheid van schuldhulpverlening bij betalingsachterstanden. Daarop hebben [gedaagden] niet afwijzend gereageerd. De Woningmaatschappij heeft [gedaagden] daarna aangemeld bij de gemeente [woonplaats] in het kader van vroegsignalering.

3.Het geschil

3.1.
Samenvattend vordert de Woningmaatschappij betaling van de huurachterstand van € 22.500,00, vermeerderd met rente, en ontruiming van het gehuurde vanwege deze betalingsachterstand. Verder vordert zij een vergoeding voor het gebruik na 31 december 2025 van € 2.250,00 per maand, € 1.000,00 aan buitengerechtelijke kosten en veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten. De Woningmaatschappij wil bovendien de mogelijkheid krijgen dit vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
3.2.
[gedaagden] betwisten het spoedeisend belang van de Woningmaatschappij bij haar vorderingen. Zij erkennen de huurachterstand, maar voeren aan betalingsonmachtig te zijn. Tevens moet volgens hen de afweging tussen het belang van de Woningmaatschappij bij ontruiming en hun belang bij het behouden van hun woning in hun voordeel uitslaan. Voor zover de ontruimingsvordering zou worden toegewezen, hebben [gedaagden] verzocht om een ontruimingstermijn van drie maanden.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
De Woningmaatschappij heeft spoedeisend belang bij de door haar gevraagde voorzieningen, die strekken tot de beëindiging van het gebruik van het gehuurde en tot betaling van het door [gedaagden] genoten gebruik. Zij heeft voldoende aannemelijk gemaakt belang te hebben bij zowel het snel mogelijk kunnen verhuren aan anderen die de huurpenningen wel (kunnen) betalen als bij die betalingen. Hieraan doet niet af dat de Woningmaatschappij inkomsten heeft uit de verhuur van andere woningen en niet gebleken zou zijn dat zij in staat van faillissement dreigt te komen te verkeren, zoals [gedaagden] hebben betoogd. Dat de Woningmaatschappij haar vorderingen eerder had kunnen instellen dan zij heeft gedaan (bij drie maanden huurachterstand), zoals eveneens door [gedaagden] is betoogd, doet op zichzelf aan haar spoedeisend belang ook niet af.
Vorderingen in verband met de huurachterstand
Ambtshalve beoordeling eerlijkheid bedingen
4.2.
De huurovereenkomst is gesloten tussen een handelaar en consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst of de voor de vorderingen relevante bedingen in de huurovereenkomst en de algemene bepalingen in overeenstemming zijn met het Europese en Nederlandse consumentenrecht, in het bijzonder met de Richtlijn oneerlijke bedingen (93/13/EEG). De Woningmaatschappij heeft desgevraagd ter zitting verklaard de artikelen 12.54 en 12.56 van de huurovereenkomst en artikel 25.1 van de algemene bepalingen eerlijk te vinden.
4.3.
De artikelen 4.1 en 4.3 van de huurovereenkomst vormen het prijsbeding en zijn duidelijk en begrijpelijk geformuleerd, zodat deze bepalingen zijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid (artikel 4 lid 2 Richtlijn Pro). De huurprijs is niet verhoogd. De artikelen 12.54 en 12.56 van de huurovereenkomst en 25.1 van de algemene bepalingen zijn getoetst en eerlijk bevonden, omdat zij de wet volgen.
Betaling huurachterstand
4.4.
De vordering tot betaling van de huurachterstand wordt toegewezen. [gedaagden] hebben erkend dat de door hen aan de Woningmaatschappij verschuldigde huurachterstand tot en met december 2025 € 22.500,00 bedraagt. [gedaagden] zijn te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen. Het is daarom aannemelijk dat betaling van de huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Ontruimingsvordering
4.5.
[gedaagden] zijn verplicht om de huurprijs op tijd en volledig te betalen. Op het moment van dagvaarden bedroeg de betalingsachterstand tien maanden en ter zitting is door [gedaagden] naar voren gebracht dat deze achterstand verder is opgelopen tot elf of twaalf maanden. [gedaagden] zijn daarom ernstig tekortgeschoten in hun betalingsverplichting. De door [gedaagden] gestelde betalingsonmacht leidt in dit verband niet tot een andere conclusie, omdat deze onmacht voor hun risico blijft.
4.6.
Vooropgesteld wordt dat de belangen van minderjarige kinderen een eerste overweging moeten vormen op grond van artikel 3 van Pro het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind. Tot deze belangen behoort onder andere hun recht op huisvesting, waarop [gedaagden] ter zitting ook hebben gewezen. Toch betekent dat niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit zou mogen worden ontruimd. Hun belangen moeten worden afgewogen tegen de overige belangen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval.
4.7.
Het behoeft geen toelichting dat ontruiming van het gehuurde voor [gedaagden] en hun twee minderjarige kinderen nadelige gevolgen zal hebben. [gedaagden] hebben ook aangevoerd dat zij geen alternatieve woonruimte hebben als de ontruiming zou worden toewezen en dat zij hun woonomgeving en sociale context dan zullen verliezen. Een concrete onderbouwing dat (een kans op) daadwerkelijk(e) dakloosheid voor [gedaagden] en/of hun kinderen dreigt, hebben zij echter niet gegeven. Evenmin hebben zij aangevoerd dat (de kans bestaat dat) hun kinderen van hen gescheiden zullen raken na ontruiming. Bovendien blijkt uit de ter zitting door [gedaagden] gegeven toelichting dat geen (concreet) zicht bestaat op (voldoende) inkomsten om de lopende huur te voldoen en om de huurachterstand in te lopen. Aan een eerdere aankondiging van [gedaagden] dat zij in oktober 2025 de helft van de toenmalige huurachterstand zouden (kunnen) betalen, hebben zij ook geen vervolg gegeven. De Woningmaatschappij heeft dan ook geen enkel zicht op betaling door [gedaagden] , terwijl de huurachterstand inmiddels aanzienlijk is en verder oploopt.
4.8.
De Woningmaatschappij heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Pro het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
4.9.
Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Daarom zullen [gedaagden] daarop vooruitlopend worden veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. Anders dan gevorderd en anders dan door [gedaagden] verzocht, zal de ontruimingstermijn worden gesteld op twee maanden na betekening van het vonnis. Gelet op de omstandigheid dat [gedaagden] hadden kunnen anticiperen op de meermaals aangekondigde ontruimingsvordering en de andere hiervoor genoemde omstandigheden (in r.o. 4.7-4.10), wordt dit een redelijke termijn geacht om aan deze veroordeling te voldoen. [gedaagden] zijn gehouden om de huurtermijnen tot en met het einde van de maand waarin de ontruiming daadwerkelijk plaatsvindt te betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.10.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat de daarvoor in dit geval vereiste zogenoemde 14-dagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro ontbreekt. De Woningmaatschappij heeft verwezen naar haar brief van 2 oktober 2025, maar die brief bevat een onjuiste termijn van ‘14 dagen na heden’ in plaats van veertien dagen na ontvangst van de aanmaning (zie HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, r.o. 3.4). Ter zitting is voor de Woningmaatschappij verwezen naar de door haar als productie 7 overgelegde e-mail, maar die bevat een onjuiste termijn van ‘8 dagen na heden’.
Proceskosten
4.11.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Woningmaatschappij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
121,02
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.231,02
4.12.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de woonruimte aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van de Woningmaatschappij zijn, en de sleutels van het gehuurde af te geven aan de Woningmaatschappij,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om te betalen aan de Woningmaatschappij:
a. a) € 22.500,00 aan achterstallige huur tot en met 31 december 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
b) € 2.250,00 per maand vanaf 1 januari 2026 tot en met het einde van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming en afgifte van de sleutels van het gehuurde aan de Woningmaatschappij heeft plaatsgevonden,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van de Woningmaatschappij van € 2.231,02 te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Boeve en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.