ECLI:NL:RBAMS:2026:2022

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
C/13/760277 / HA ZA 24-1315
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 2:242 lid 1 BWArt. 2:244 lid 4 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens ernstig verwijtbaar handelen bij ontbinding bouwvennootschap

Eisers sloten een aannemingsovereenkomst met een vennootschap voor de bouw van een woning en betaalden een aanbetaling van €72.500. De vennootschap werd later ontbonden via turboliquidatie terwijl de bouw niet was gestart en het betaalde bedrag niet was terugbetaald.

De rechtbank oordeelde dat de formele en feitelijke bestuurders ernstig verwijtbaar hadden gehandeld door de ontbinding te laten plaatsvinden terwijl zij wisten dat de vennootschap haar verplichtingen niet kon nakomen. De bestuurders hadden onvoldoende inzicht gegeven in de financiële situatie en hadden betalingen van eisers naar eigen vennootschappen overgemaakt.

De vordering van eisers tot terugbetaling van de aanbetaling, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten werd toegewezen. De bestuurders werden hoofdelijk aansprakelijk gesteld. De vordering tegen een derde gedaagde werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid.

De rechtbank benadrukte dat het ontbreken van een bestuurder gedurende bijna twee jaar en het feitelijk leidinggeven door de bestuurders leidde tot hun persoonlijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW Pro wegens onrechtmatige daad.

Uitkomst: Bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk en veroordeeld tot terugbetaling van aanbetaling, incassokosten, rente en proceskosten wegens ernstig verwijtbaar handelen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/760277 / HA ZA 24-1315
Vonnis van 11 februari 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,2. [eiser 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] (in enkelvoud) en afzonderlijk [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. B. Altena ,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. H.R. Yucesan,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. J. Brakke,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] of [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 november 2024, met producties,
- de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 2] , met producties,
- de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 3] , met productie,
- de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1] , met producties,
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van 26 februari 2025 van [gedaagde 1] ,
- het antwoord in incident,
- het vonnis in incident van 26 maart 2025, waarin aan [gedaagde 1] is toegestaan om [naam 1] in vrijwaring op te roepen,
- het tussenvonnis van 4 juni 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte vermindering van eis, waarbij de vordering tegen [gedaagde 3] is komen te vervallen c.q. is ingetrokken, en tevens overlegging producties 24 tot en met 26 van [eisers] ,
- de akte overlegging producties 6 en 7 aan de zijde van [gedaagde 1] ,
- de antwoordakte inzake de vermindering van eis,
- de akte overlegging producties 4 van [gedaagde 2] ,
- de akte overlegging producties 5 tot en met 7 van [gedaagde 2] ,
- de akte overlegging producties 8 en 9 van [gedaagde 2] ,
- de akte overlegging producties 27 tot en met 29 van 6 augustus 2025 van [eisers] ,
- de mondelinge behandeling van 7 augustus 2025, waarbij door de griffier een verkort proces-verbaal en zittingsaantekeningen zijn gemaakt die in het dossier zijn gevoegd,
- de rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling aan gedaagden een bevel ex 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gegeven tot overleggen van communicatie- en bankgegevens,
- de akte na mondelinge behandeling [gedaagde 2] van 10 september 2025,
- de akte overleggen producties tevens inhoudende akte uitlaten antwoord van gedaagde [gedaagde 2] van [gedaagde 1] van 10 september 2025,
- de akte uitlaten producties na mondelinge behandeling van [eisers] .
1.2.
Na het ontvangen van de door de rechtbank opgevraagde stukken is gebleken dat deze niet compleet zijn. Zo mist er onder andere het overzicht van de spaarrekening van [bedrijf 1] B.V. Na verificatie door de rechtbank is gebleken dat deze niet zijn ontvangen door [gedaagde 1] en dus niet opgestuurd zijn naar de rechtbank. In de mail van 18 november 2025 heeft mr. Brakke aangegeven dat hij deze akte niet heeft ontvangen. Op dezelfde dag heeft mr. Yucesan een mail gestuurd met daarin een screenshot dat de betreffende akte destijds o.a. naar mr. Brakke is gestuurd. De rechtbank acht het dan ook voldoende aannemelijk dat mr. Brakke kennis heeft kunnen nemen van deze akte.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 20 december 2019 is [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht door [bedrijf 3] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 3] ’, waarvan [gedaagde 2] bestuurder is), [bedrijf 2] B.V.(hierna: ‘ [bedrijf 2] ’, waarvan [naam 1] bestuurder is) en [bedrijf 4] B.V. (hierna: ‘ [bedrijf 4] ’, waarvan [gedaagde 1] bestuurder is). Bij de oprichting van [bedrijf 1] zijn 105 aandelen geplaatst waarvan iedere oprichter 35 aandelen houdt.
2.2.
[gedaagde 1] was vanaf de oprichtingsdatum tot 1 oktober 2020 bij de Kamer van Koophandel (KvK) ingeschreven als bestuurder van [bedrijf 1] . Vanaf 2 augustus 2022 is zij wederom ingeschreven als bestuurder van [bedrijf 1] .
2.3.
[eiser 1] heeft op 22 februari 2021 een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten met [bedrijf 1] . De overeenkomst zag op de bouw van een nieuwbouwwoning op de door [eisers] gekochte bouwkavel in [woonplaats 2] . Afgesproken was dat [bedrijf 1] de woning zou bouwen voor een totale aanneemsom van € 145.000,- inclusief btw.
2.4.
In de aannemingsovereenkomst staat verder dat deze is behandeld door [gedaagde 2] . Ten aanzien van de betaling is afgesproken dat 50% (€ 72.500,-) wordt betaald bij de start van productie, 40% na controle door cliënt, voor transport en 10% na plaatsing en controle door cliënt. De overeenkomst is ondertekend door [eisers] , [eiser 2] en [gedaagde 2] .
2.5.
Op 22 mei 2022 heeft [eisers] een factuur voor de eerste termijn ontvangen. Op 7 juli 2022 heeft [eisers] het bedrag van € 72.500,- betaald.
2.6.
Uit een brief van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] / [naam 1] van 22 augustus 2022 blijkt dat [bedrijf 1] op dat moment meende dat [bedrijf 1] een bedrag van € 234.471,62 van [bedrijf 2] / [naam 1] ‘geretourneerd’ willen krijgen. Sinds oktober/november 2021 waren er vragen gerezen over de wijze waarop de boekhouding door [naam 1] was gevoerd. Medio april 2021 had voor het laatst een gesprek plaatsgevonden over de financiën.
2.7.
Op 9 december 2022 is [bedrijf 1] met een turboliquidatie ontbonden. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel staat, voor zover relevant:
“Uitgeschreven uit het handelsregister per 09-12-2022.Op 09-12-2022 is geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon is opgehouden te bestaan omdat geen bekende baten meer aanwezig zijn met ingang van 05-12-2022.(…)
Reden ontbinding Ontbindingsbesluit(…)Enig aandeelhouder[bedrijf 1] B.V.Bestuurder[gedaagde 1] , [gedaagde 1] ”
2.8.
Tussen 5 december 2022 en 28 augustus 2023 heeft [eiser 1] WhatsApp-contact gehad met ‘ [gedaagde 2] aannemer’ (lees: [gedaagde 2] ). Hieronder wordt een verkort overzicht van de correspondentie gegeven:
“05-12-2022 – [eiser 1] : Goeieavond, ik heb je gebeld maar heb geen belletje terug gehad zal je morge weer bellen(…)
12-01-2023 – [eiser 1] : [gedaagde 2] probeer al hele week met je contact te zoeke maar hoor maar nix van je, we zoude 2de /3de week beginne(…)Op 23 januari 2023 komt de eerste reactie op de WhatsAppberichten van [eisers] :
“Je hoort me deze week uitgebreid. Zit nu in gesprek(…)
21-02-2023 – [gedaagde 2] aannemer: (…) Wordt hard aan jou project gewerkt voor de palen en casco.
29-03-2023 – [eiser 1] : [gedaagde 2] we wachte hele tijd maar op wat hebbe we al die weke gewacht, want we zijn niet voorruit gekome, we hebben geen datum wanneer we gaan beginne
09-05-2023 – [gedaagde 2] aannemer: Née ben je zeker niet vergeten, druk voor je bezig.(…)Weet ik maar er is vertraging door vakantie (2/3 weken) en ben aan t zoeken naar palen voorraad
24-08-2023 – [gedaagde 2] aannemer heeft een nieuw telefoonnummer(…)
28-08-2023 – [eiser 1] : Goeiemiddag ik had je gebeld maar krijg geen belletje terug”
2.9.
De woning is in geen enkele vorm gerealiseerd.
2.10.
[eisers] heeft op 16 maart 2024 bij aangetekende brief gesommeerd tot terugbetaling van het betaalde bedrag binnen 14 dagen. Daarop is geen antwoord en ook geen betaling gevolgd.
2.11.
DAS rechtsbijstand heeft [bedrijf 1] en daarnaast [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op grond van onrechtmatige daad, bij aangetekende brief van 24 juli 2024 opnieuw gesommeerd om het betaalde terug te betalen met aanzegging van buitengerechtelijke incassokosten. De overeenkomst is in die brief buitengerechtelijk ontbonden.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert na wijziging van eis - samengevat – zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om te betalen aan [eisers] :
een bedrag van € 72.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente,
een bedrag van € 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente,
de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] als bestuurder heeft besloten om [bedrijf 1] te ontbinden wetende dat er nog een schuld was die niet was afgewikkeld. Van een redelijk handelend bestuurder mag worden verwacht dat er met schuldeisers tot een regeling wordt gekomen, alvorens over te gaan tot ontbinding. Dit is een ernstig en persoonlijk verwijt waarvoor [gedaagde 1] aansprakelijk is op grond van artikel 6:162 BW Pro. Bij het aangaan van de overeenkomst wist zij, of moest zij redelijkerwijs weten dat deze nooit kon/zou worden nagekomen. Voor [gedaagde 2] geldt dat hij een overeenkomst heeft getekend waarbij hij wist of redelijkerwijs moest weten dat deze niet kon worden nagekomen. Hij heeft [eisers] daarbij maandenlang aan het lijntje gehouden, terwijl hij wist dat [bedrijf 1] ontbonden was. Op grond hiervan heeft ook [gedaagde 2] onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] .
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eisers] en [eiser 2] beiden contractspartij
4.1.
De overeenkomst is getekend door zowel [eisers] als [eiser 2] . [gedaagde 2] betwist dat [eiser 2] partij is bij de overeenkomst. [gedaagde 2] was naar eigen zeggen tot aan de dagvaarding volstrekt onbekend met [eiser 2] . De handtekening met haar naam die op de overeenkomst staat moet later zijn toegevoegd.
4.2.
De rechtbank volgt dit standpunt van [gedaagde 2] niet. Op 20 april 2022 heeft [eiser 2] een mail gestuurd naar [gedaagde 2] waarin staat:
“Ik heb jou vorig week gesproken. Toen gaf je aan dat [naam 2] een 3dtekening moest opsturen naar de gemeente(…)”.Uit de mail in reactie daarop van [gedaagde 2] blijkt dat hij wel degelijk weet wie [eiser 2] is. De aanhef van de mail luidt:
“Goedemorgen [eiser 2] ”. Op 22 juni 2022 is er ook mailcontact geweest tussen [eiser 2] en [gedaagde 2] . [gedaagde 2] stuurt op deze datum:
“Goedemorgen [eiser 2] , Zoals besproken zend ik je hierbij de factuur voor de 1e termijn van de bouw(…)”. Uit het voorgaande volgt dan ook voldoende duidelijk dat [gedaagde 2] wist van [eiser 2] . Dit brengt mee dat vast staat dat zowel [eisers] als [eiser 2] contractspartij is bij de overeenkomst.
Juridisch kader
4.3.
Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap gelden dus hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat wordt voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt - als zojuist bedoeld - kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
4.4.
Indien de bestuurder namens de vennootschap een verbintenis is aangegaan en de vordering van de schuldeiser onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen indien deze bij het aangaan van die verbintenis wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Dit kan anders zijn als de bestuurder omstandigheden aanvoert op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem persoonlijk ter zake van de benadeling geen ernstig verwijt kan worden gemaakt. In de kern houdt dit zogenoemde “Beklamelcriterium” de eis in dat de bestuurder bij het aangaan van de verbintenis wist of behoorde te begrijpen dat de schuldeiser van de vennootschap als gevolg van zijn handelen schade zou lijden (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627).
4.5.
Ook indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt, kan hij persoonlijk aansprakelijk zijn voor schade van de schuldeiser indien zijn handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758).
4.6.
Deze jurisprudentie geldt niet alleen voor formele bestuurders van een vennootschap, maar ook voor degenen die formeel geen bestuurder zijn van de vennootschap maar feitelijk wel namens de vennootschap handelen als waren zij bestuurders (vgl. HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:394 en de daarbij behorende conclusie AG met de daarin genoemde jurisprudentie). Ook in die zaak was de vennootschap ontbonden en geliquideerd.
4.7.
Er is een periode geweest, van 1 oktober 2020 tot 2 augustus 2022 dat [bedrijf 1] volgens de inschrijving bij de KvK geen bestuurder had (dit heet ‘ontstentenis’). De statuten moeten bepalen hoe in de taken en bevoegdheden in geval van ontstentenis wordt voorzien (artikel 2:244 lid 4 BW Pro). Verder is het de taak van de algemene vergadering van aandeelhouders de bestuurders te benoemen (artikel 2:242 lid 1 BW Pro). De aandeelhouders hebben dit in die periode nagelaten.
De vordering
4.8.
[eisers] stelt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] als bestuurder / feitelijk leidinggevende van [bedrijf 1] moeten worden aangemerkt en dat zij in die hoedanigheid aansprakelijk zijn voor de schade die [eisers] heeft geleden ten gevolge van de niet-nakoming van de overeenkomst en de niet-terugbetaling van het door hem betaalde bedrag. Zij wisten dat [bedrijf 1] de overeenkomst niet kon nakomen. Ook had [gedaagde 1] niet over mogen gaan tot een turboliquidatie, omdat er nog baten waren.
4.9.
[gedaagde 1] voert aan dat de aanbetaling van [eisers] is gedaan voordat zij bestuurder was. Zij kan niet aansprakelijk worden gesteld voor hetgeen andere (feitelijk) bestuurders hebben gedaan. Ten tijde van de aanvraag van de turboliquidatie had [bedrijf 1] geen baten, zodat turboliquidatie gerechtvaardigd was. [naam 1] was al aansprakelijk gesteld voordat [gedaagde 1] bestuurder werd. De turboliquidatie was gerechtvaardigd omdat uit het boekhoudonderzoek volgt dat de vennootschap niet meer levensvatbaar was en geen concreet uitzicht op herstel binnen een redelijke termijn bestond. [naam 1] had geen baten. De opdracht van [eisers] kon niet meer uitgevoerd worden en het betaalde deel van de aanneemsom kon niet worden gerestitueerd. Er is geen sprake van een aan [gedaagde 1] te wijten schadeveroorzakende omstandigheid. Zij heeft geen schuldeisers of zichzelf voorgetrokken. Aan [gedaagde 1] kan geen ernstig verwijt gemaakt worden van het onbetaald blijven van een schuldeiser. Zij kan dus niet aansprakelijk worden gehouden.
4.10.
Ook [gedaagde 2] betwist dat hij aansprakelijk kan worden gehouden. [gedaagde 2] is geen formeel en/of indirect bestuurder van [bedrijf 1] geweest. Voor de vraag naar feitelijk bestuurdersschap voert [gedaagde 2] aan dat deze grondslag enkel ziet op faillissementssituaties. Daarnaast was [gedaagde 2] verkoper en aandeelhouder. [gedaagde 2] hield zich niet bezig met bestuurstaken of het bepalen van beleid. Hij deed geen financiën en verrichtte geen betalingen. Hij mocht enkel op basis van opgestelde offertes namens [bedrijf 1] de overeenkomsten ondertekenen. Daarnaast begeleidde hij projecten. [gedaagde 2] voert aan dat eerst eind augustus 2022 bleek dat er mogelijk sprake was van malversaties en dat hij niet wist dat [bedrijf 1] niet aan haar verplichtingen kon voldoen.
Het is niet zo dat ten tijde van de opdrachtverlening of ten tijde van de facturatie al duidelijk was dat de bouw geen doorgang zou vinden. Er zijn werktekeningen en een constructierapport voor de woning van [eisers] gemaakt, waarin op aanwijzing van [eisers] nog tot 25 juni 2021 wijzigingen zijn aangebracht, aldus [gedaagde 2] .
4.11.
Als eerste overweegt de rechtbank dat [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [naam 1] hun plicht om een bestuurder te benoemen hebben verzaakt. Dit brengt op zich al mee dat de handelingen die de kernactiviteit van [bedrijf 1] betreffen, werden verricht als feitelijk bestuurders. Tot die handelingen behoren het aangaan van overeenkomsten in verband met de bedrijfsvoering en het verrichten van financiële handelingen. Dat [naam 1] volgens [gedaagde 2] vooral de financiële zaken voor zijn rekening nam en hij de verkoop, toont mogelijk een taakverdeling, maar beperkt de verantwoordelijkheid van [gedaagde 2] niet tot alleen het verrichten van verkoopactiviteiten namens de vennootschap. Uit de brief van 30 augustus 2022 van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] / [naam 1] blijkt dat met [naam 1] vanaf april 2021 al geen financiële gesprekken zijn geweest en [naam 1] al vijf maanden, dus vanaf april 2022, niet bij [bedrijf 1] is geweest. Ook blijkt eruit dat in oktober/november 2021 al vragen waren gerezen over de wijze van boekhouden door [naam 1] . Volgens [gedaagde 2] haalde het bedrijf opdrachten binnen en voerde die uit. In die tijd was er geen bij de KvK ingeschreven bestuurder. Dit betekent dat er wel handelingen namens [bedrijf 1] hebben plaatsgevonden. Uit de overgelegde bankgegevens van [bedrijf 1] over 2021 en 2022 volgt ook dat [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en [naam 1] meermalen gelijke bedragen ontvangen met omschrijving ‘Vergoeding’. Aan de vennootschap(pen) van [naam 1] worden verder zeer regelmatig bedragen overgemaakt. Uit de bankafschriften van [bedrijf 1] blijkt dat [eisers] de factuur van [bedrijf 1] ter hoogte van € 72.500,- heeft betaald op 7 juli 2022. Vervolgens vinden er op diezelfde dag twee overboekingen plaats naar [bedrijf 3] , de vennootschap van [gedaagde 2] . Eerst een bedrag van € 50.000,- en daarna een bedrag van € 22.342,-. Deze bedragen zijn vrijwel gelijk aan de betaling die [eisers] die dag heeft gedaan. Dit is ook het patroon dat bij alle grotere betalingen aan [bedrijf 1] te zien is, met dat verschil dat die bedragen niet naar [bedrijf 3] worden overgeboekt, maar naar de spaarrekeningen van [bedrijf 1] . Uit de bankgegevens blijkt verder dat op de ING rekening eindigend op -261 grotere bedragen tezamen van grofweg € 770.000 en op de ING rekening eindigend op -970 bedragen tezamen van grofweg € 190.000 zijn binnengekomen, kennelijk in verband met verkregen opdrachten. Als uitgaande bedragen zijn kleinere betalingen voor autogebruik, lopende kosten en voor salaris of vergoeding geboekt en verder enkele betalingen aan bedrijven die met de bouw in verband kunnen worden gebracht. Veel grotere uitgaande bedragen zijn overgeboekt naar spaarrekeningen van [bedrijf 1] , waarin [gedaagde 1] geen inzicht heeft gegeven ondanks dat dit haar was bevolen. [gedaagde 1] heeft geen rechtvaardiging voor dit gebrek aangevoerd. Uit dit gebrek aan gegevens dat niet gerechtvaardigd is, kan de rechtbank de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen (artikel 22 Rv Pro).
4.12.
Verder heeft de rechtbank naast [gedaagde 1] ook [gedaagde 2] opgedragen om op grond van artikel 22 Rv Pro stukken over te leggen, waaronder de WhatsApp/chatgesprekken tussen [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [naam 1] . [gedaagde 1] heeft maar een paar delen van chatgesprekken overgelegd, waaruit met name beschuldigingen aan [naam 1] blijken en waarin [gedaagde 1] aan [naam 1] in juli 2022 vraagt om mappen met administratie mee te nemen. [gedaagde 2] heeft aan het bevel niet voldaan omdat zijn telefoon op of omstreeks 24 augustus 2024 ‘gecrashed’ zou zijn. Als bewijs toont hij een factuur voor een tweedehands iPhone van die datum. Uit chatgesprekken (zie 2.8) blijkt dat exact een jaar eerder, op 24 augustus 2023, zijn telefoonnummer is gewijzigd. Zijn nieuwe telefoon heeft volgens zijn verklaring bij akte na de zitting, de oude back-ups met daarin de WhatsApp geschiedenis overschreven zodat hij geen gegevens kan terughalen. Het is algemeen bekend dat het overzetten van gegevens naar een nieuwe telefoon heel gemakkelijk is. Men moet zijn best doen om de oude gegevens die doorgaans ook in de ‘cloud’ zijn opgeslagen niet over te zetten op een nieuwe telefoon. De overgelegde pagina van Apple Support geeft geen enkele toelichting over de telefoon van [gedaagde 2] . De rechtbank acht deze verklaring van [gedaagde 2] dan ook niet geloofwaardig.
Aansprakelijkheid [gedaagde 1]
4.13.
[gedaagde 1] was de bestuurder ten tijde van de ontbinding. Zij is bestuurder geworden nadat de heer [naam 3] was geraadpleegd en hij het nodig vond dat er weer een bestuurder bij de KvK geregistreerd zou staan. In elk geval vanaf augustus 2022, maar gelet op de brief van 30 augustus 2022 heeft zij hoogstwaarschijnlijk veel eerder kennis gehad van de penibele financiële situatie van [bedrijf 1] . [bedrijf 1] had een grote vordering te innen van [naam 1] en [gedaagde 2] had het geld van [eisers] naar een rekening van zijn eigen vennootschap overgeboekt of laten boeken. [gedaagde 1] heeft geen inzage gegeven in het verloop van de spaarrekening van [bedrijf 1] waarop vrijwel alle grotere bedragen zijn geboekt. Op de overgelegde rekeningen staan amper betalingen die te maken hebben met het bouwen van woningen, zeker niet ter grootte van bijna 1 miljoen euro. Dit was al twee jaar gaande. Onder die omstandigheden heeft ook [gedaagde 1] als aandeelhouder de situatie laten voortduren dat de vennootschap geen bestuur had. De conclusie hieruit moet zijn dat in februari 2021 ten tijde van het tekenen van de overeenkomst en al helemaal ten tijde van de facturering in mei 2022 aan [gedaagde 1] als feitelijk leidinggevende bekend moest zijn dat haar een ernstig verwijt gemaakt moet worden van haar handelen om als [bedrijf 1] gelden te innen, terwijl van een bedrijvigheid tot het realiseren van woningen amper sprake was. Terwijl zij daar inzicht in had, heeft zij voorts met [gedaagde 2] en [naam 1] besloten tot een turboliquidatie. Dat maakt dat eventuele schuldeisers geen enkele mogelijkheid hadden - bijvoorbeeld als gevolg van een faillissementsaanvraag - om nog enige betaling van [bedrijf 1] te verkrijgen. Dit en het gebrek aan inzicht in de financiële positie van [bedrijf 1] maakt dat haar als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat zij daardoor aansprakelijkheid draagt voor de schade die daaruit voor vloeit. Zij kan zich niet verschuilen achter de opmerking dat zij niet wist dat [eisers] een vordering zou hebben als [bedrijf 1] ontbonden zou worden. Een blik op het rekeningverloop, zover de rechtbank daarvan kennis heeft kunnen nemen leidt al tot die conclusie.
Aansprakelijkheid [gedaagde 2]
4.14.
[gedaagde 2] wordt niet gevolgd in zijn stellingen die erop neerkomen dat hij geen substantiële rol heeft gehad bij [bedrijf 1] en dat hij enkel verkoper is geweest onder andere voor de woning van [eisers] . Dat [gedaagde 2] niets met financiën deed of betalingen verrichtte is overigens ook niet houdbaar nu het [gedaagde 2] is geweest die in mei 2022 de factuur voor de eerste termijn heeft gestuurd aan [eisers] . Aan [gedaagde 2] wordt geen salaris overgemaakt, zoals dat wel aan andere medewerkers van [bedrijf 1] gebeurt. [gedaagde 2] was niet alleen verkoper bij [bedrijf 1] , maar ook één van de drie oprichters, voor 33,3% aandeelhouder en een handelende persoon namens [bedrijf 1] . Dit gebeurde in een periode waarin met [naam 1] geen overleg over de financiën plaatsvond en hij zich ook niet meer vertoonde bij [bedrijf 1] . Ook voor [gedaagde 2] geldt dat hij de situatie van het ontbreken van een bestuurder gedurende bijna 2 jaar heeft laten voortbestaan. Het verhaal van [gedaagde 2] dat hij geen toegang had tot de bankrekening van [bedrijf 1] klopt dus niet, op zijn minst kon hij opdracht geven tot de betalingen aan [bedrijf 3] . In het verlengde daarvan heeft [gedaagde 2] geen enkele verklaring gegeven voor de overboeking van dusdanig grote bedragen naar zijn eigen vennootschap. Dit geld was immers bestemd voor de bouw van de woning van [eisers] . Het had dan ook op de weg van [gedaagde 2] gelegen om hierover duidelijkheid te verschaffen. Uit het WhatsApp-groepsgesprek waarin onder andere de aandeelhouders deelnamen bleek dat zij al vóór augustus 2022 op de hoogte waren van de problemen met [naam 1] en was het bekend dat [naam 1] kennelijk onbetrouwbaar was. Ook is het [gedaagde 2] zelf geweest die de opdracht heeft gegeven om [bedrijf 1] op te heffen. Dit blijkt uit de mail die [gedaagde 2] op 2 december 2022 heeft gestuurd naar [e-mailadres] . Dit duidt allemaal op feitelijk leidinggeven aan [bedrijf 1] . Daarnaast heeft [gedaagde 2] geen duidelijke verklaring gegeven anders dan ‘dat hij druk bezig was’ als reactie op de berichten van [eisers] . Omdat tegenover de grote door [bedrijf 1] ontvangen bedragen over de jaren 2021 en 2022 geen noemenswaardige uitgaven ten behoeve van bouw van woningen staan, moet het aan [gedaagde 2] bekend zijn geweest dat de met [eisers] gesloten overeenkomst niet zou kunnen worden nagekomen. Het moet ervoor worden gehouden dat op het moment van het zenden van de brief van 22 augustus 2022 aan [naam 1] , bij [gedaagde 2] en [gedaagde 1] bekend was dat de uitvoering van het project voor [eisers] niet haalbaar was. Met het ontbinden van [bedrijf 1] werd hiervoor de genadeklap gegeven. [gedaagde 2] heeft gesteld nog naar wegen te zoeken om het project toch doorgang te laten vinden. Het had op zijn weg gelegen om de betaling van [eisers] vanaf de rekening van zijn vennootschap terug te storten voordat hij de ontbinding van [bedrijf 1] liet registreren. Dat hij dit geld onder zich heeft gehouden of anders heeft besteed, is hem aan te rekenen en dit kwalificeert als een onrechtmatige daad richting [eisers] .
4.15.
De conclusie is dan ook dat de vordering van [eisers] zal worden toegewezen waarbij zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] hoofdelijk zullen worden veroordeeld tot terugbetaling van de betaling van [eisers] met rente zoals gevorderd.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
[eisers] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisers] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisers] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.500,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Proceskosten
4.17.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] wordt begroot op:
- kosten van de dagvaarding
140,23
- griffierecht
1.325,00
- salaris advocaat
3.225,00
(2,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.879,23
4.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.19.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
In de zaak tegen [gedaagde 3]
4.20.
De vordering tegen [gedaagde 3] wordt afgewezen. Uit de conclusie van antwoord van [gedaagde 3] bleek dat hij niet de persoon was die [eisers] wilde dagvaarden en [eisers] heeft dit door middel van een eisvermindering van 24 juli 2025 met intrekking van de vorderingen tegen [gedaagde 3] ter kennis gebracht. Deze akte is voor de zitting al genomen. Desondanks is [gedaagde 3] op de zitting verschenen en heeft hij - zoals ook al in de conclusie van antwoord is opgenomen - om een daadwerkelijke proceskostenveroordeling verzocht. Hij wijst daarbij op een bericht van 24 juli 2024, waarin hij eerst duidelijk maakt dat [bedrijf 5] geen enkele verbinding heeft met het bedrijf [bedrijf 1] (ondertekend met ‘ [bedrijf 5] ’) en na vervolgvragen van de heer Altena zendt hij een bericht waarin hij toelicht dat zijn voorletters [gedaagde 3] staan voor [gedaagde 3] [gedaagde 2] , met roepnaam [gedaagde 3] . Voorafgaand aan de dagvaarding was volgens [gedaagde 3] dus al duidelijk dat hij niet de ‘ [gedaagde 2] ’ was waarmee [eisers] had gecorrespondeerd.
4.21.
Met [eisers] stelt de rechtbank vast dat het lastig is geweest om te achterhalen met welke ‘ [gedaagde 2] ’ hij van doen had. [gedaagde 3] blijkt uit een uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) van 12 juli 2024 de bestuurder en enig aandeelhouder te zijn van de op 11 november 2022 opgerichte [bedrijf 5] B.V. Dit is een timmerbedrijf dat modulaire elementen ten behoeve van woningbouw vervaardigt, een branche waarin [bedrijf 1] werkt. De oprichting is kort voor de ontbinding van [bedrijf 1] geweest. Het woonadres van [gedaagde 3] is gelijk aan dat van [gedaagde 2] . [gedaagde 3] heeft overige vragen die de heer Altena stelde niet afdoende beantwoord. Het bevreemdt dat [gedaagde 3] namens [bedrijf 5] verklaart dat hij geen enkele verbinding heeft met [bedrijf 1] , omdat dat bedrijf mede van zijn vader is en hij er een enkele keer een betaling van heeft ontvangen. Ook werd door de heer Altena gevraagd naar de bekendheid van [gedaagde 3] met [gedaagde 1] , waarop geen antwoord kwam. Verder werden aangetekende brieven gericht aan [bedrijf 1] retour gezonden. Dit alles heeft voldoende onduidelijkheid veroorzaakt waardoor niet is vast komen te staan dat [gedaagde 3] nodeloos is gedagvaard. Daarom zal [eisers] niet in de daadwerkelijke, maar in de geliquideerde kosten worden veroordeeld. De geliquideerde kosten worden berekend naar een vordering van onbepaalde waarde, omdat geen verweer tegen de inhoudelijke vordering gevoerd hoefde te worden. Aangezien [gedaagde 3] en [gedaagde 2] éénmaal griffiegeld van de gebruikelijke hoogte hebben betaald, heeft [gedaagde 3] geen extra kosten hoeven te betalen om in deze zaak mee te procederen. Ook de conclusie van antwoord, de akte na eisvermindering en spreekaantekeningen zijn van zeer beperkte omvang geweest, waardoor die laatste twee voor een half punt meetellen. De proceskosten aan de zijde van [gedaagde 3] worden daarom vastgesteld op:
- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00)
- nakosten € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de
___________ beslissing)
Totaal € 1.495,00.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 72.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van vijftien dagen na het vonnis tot aan de dag van algehele voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.879,23, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
wijst de vorderingen tegen [gedaagde 3] af,
5.6.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 3] van € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.