ECLI:NL:RBAMS:2026:2093
Rechtbank Amsterdam
- Tussenbeschikking
- Rechtspraak.nl
Niet-toepassing Europese procedure voor geringe vorderingen wegens niet-EU woonplaats verzoeker
In deze zaak heeft verzoeker, woonachtig in Zuid-Korea, een vordering ingediend op grond van de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Verordening). De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is, maar dat de EPGV-Verordening niet van toepassing is omdat verzoeker niet in een lidstaat van de Europese Unie woont.
De EPGV-Verordening is alleen van toepassing op grensoverschrijdende zaken waarbij ten minste één partij in een andere EU-lidstaat woont dan het aangezochte gerecht. Zuid-Korea is geen lidstaat van de EU, waardoor de procedure buiten het toepassingsgebied valt. Verzoeker heeft bovendien niet het juiste standaardvorderingsformulier A ingediend.
De kantonrechter stelt verzoeker in de gelegenheid om te reageren op de constatering dat de EPGV-Verordening niet van toepassing is en om aan te geven of hij de vordering wenst in te trekken of de procedure wil omzetten in een Nederlandse dagvaardingsprocedure. Verzoeker wordt gewezen op de noodzaak contact op te nemen met een Nederlandse gerechtsdeurwaarder voor betekening van de dagvaarding.
De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan totdat verzoeker heeft gereageerd. De beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026 door mr. E.J. Otten.
Uitkomst: De EPGV-Verordening is niet van toepassing omdat verzoeker in Zuid-Korea woont; verzoeker krijgt gelegenheid te reageren en de procedure wordt aangehouden.