ECLI:NL:RBAMS:2026:2101
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontruiming woning wegens ontbreken huurovereenkomst tussen huurder en woningstichting
De zaak betreft de vraag of tussen [eiser] en woningstichting Eigen Haard een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan met betrekking tot een woning. [eiser] betoogde dat uit afspraken en gedragingen een huurovereenkomst was ontstaan, mede omdat zij huur betaalde aan Eigen Haard en een gesprek had waarin zij meende dat zij mocht blijven wonen. Eigen Haard betwistte dit en stelde dat er geen huurovereenkomst tot stand was gekomen en dat [eiser] zonder recht of titel in de woning verbleef.
De rechtbank overwoog dat de inhoud en strekking van de afspraken en gedragingen onvoldoende waren om te concluderen dat een huurovereenkomst was gesloten. De taalbarrière en het ontbreken van duidelijke afspraken maakten dat de vermeende huurovereenkomst niet aannemelijk was. Ook het feit dat Eigen Haard een vaststellingsovereenkomst aanbood om de termijn van ontruiming te verlengen, werd niet als huurovereenkomst aangemerkt.
Omdat geen huurovereenkomst bestond, verbleef [eiser] zonder recht in de woning. De vordering van Eigen Haard tot ontruiming werd daarom toegewezen, met een termijn tot uiterlijk 1 juli 2026, waarbij rekening werd gehouden met de belangen van de minderjarige dochter van [eiser]. [eiser] werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. R.H. Mulderije en op 24 februari 2026 uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot het erkennen van een huurovereenkomst wordt afgewezen en ontruiming van de woning wordt bevolen.