ECLI:NL:RBAMS:2026:2117

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
81/090118-22
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor valsheid in geschrift en belastingfraude met valse facturen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het gedurende bijna vier jaar valselijk opmaken van facturen gericht aan een bedrijf, met als doel belastingfraude te plegen. Verdachte maakte facturen op voor diensten en schoonmaakartikelen die niet geleverd zijn, waardoor het bedrijf onjuiste omzetbelastingaangiftes deed en minder belasting betaalde.

De rechtbank achtte de feiten bewezen op basis van het procesdossier en verwierp het bewijsverweer. Verdachte speelde een belangrijke rol in de constructie, waarbij ook stromanconstructies werden gebruikt. Een deel van het gefactureerde bedrag werd contant teruggesluisd naar het bedrijf, wat zwartbetaling van werknemers mogelijk maakte.

Hoewel de officier van justitie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden eiste, hield de rechtbank rekening met de beperkte overschrijding van de redelijke termijn, de oude feiten en de strafoplegging aan medeverdachten. Daarom werd een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar opgelegd.

De rechtbank benadrukte dat bij niet-naleving van de taakstraf deze kan worden omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte bevindt zich momenteel buiten de EU en kan Nederland binnenkomen zodra het Europees Aanbevelingsbevel is ingetrokken.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden wegens valsheid in geschrift en belastingfraude.

Uitspraak

verkort vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 81/090118-22
Datum uitspraak: 5 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat de raadsman van verdachte, mr. R.H. Bouwman, naar voren hebben gebracht.

2.Beschuldiging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich in de periode van 31 januari 2015 tot en met 31 oktober 2018 in Amsterdam, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan het opmaken dan wel afleveren of voorhanden hebben van valse facturen waarop in strijd met de waarheid staat vermeld dat er diensten zijn geleverd aan [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V. (hierna tezamen: [bedrijf 1] ).
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde kan worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de primair tenlastegelegde feiten bewezen op grond van de bewijsmiddelen in het procesdossier. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Primair:
op verschillende tijdstippen in de periode 31 januari 2015 tot en met 31 oktober 2018 in Nederland (digitale) geschriften, onder meer
- Factuur van [naam] aan [bedrijf 1] BV d.d. 30 november 2017 (DOC-160, p.1) en/of,
- Factuur van [bedrijf 2] BV aan [bedrijf 1] BV d.d. 18 september 2017 (DOC-161, p.1) en/of,
- Factuur van [bedrijf 3] BV aan [bedrijf 1] BV d.d. 31 oktober 2015 (DOC-157, p.6) en/of
- Factuur van [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] BV d.d. 31 januari 2017 (DOC-157, p.1) en/of
- Factuur van [bedrijf 4] BV aan [bedrijf 1] BV d.d. 29 mei 2015 (DOC-156, p.1) en/of
- Factuur van [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] d.d. 30 april 2016 (DOC-163, p.4) en/of
- Factuur van [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] d.d. 31 januari 2015 (DOC-159, p.9)
die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, valselijk en in strijd met de waarheid – zakelijk weergegeven – op facturen vermeld dat diensten zijn geleverd aan [bedrijf 1] B.V. en/of [bedrijf 1] B.V., zulks met het oogmerk om die (digitale) geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden. De officier van justitie heeft in zijn eis rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
7.2.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van een straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Ook moet rekening worden gehouden met de vonnissen in de zaken van de algemeen directeur van [bedrijf 1] en de bestuurder van [bedrijf 1] . De algemeen directeur van [bedrijf 1] is door deze rechtbank vrijgesproken ondanks zijn rol binnen de constructie. Aan de bestuurder van [bedrijf 1] is een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. Verder is verdachte voornemens om terug te komen naar Nederland zodra het Europees Aanbevelingsbevel (hierna: EAB) is ingetrokken. Gezien de vonnissen van de medeverdachten en de overschrijding van de redelijke termijn is een maximale taakstraf van 240 uren, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf, meer op zijn plaats.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier jaar schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van facturen gericht aan [bedrijf 1] ten behoeve van het plegen van belastingfraude. Hij heeft vanuit verschillende aan hem gelieerde ondernemingen facturen opgemaakt en bij [bedrijf 1] ingediend voor diensten en schoonmaakartikelen die niet daadwerkelijk zijn geleverd. Als gevolg hiervan heeft [bedrijf 1] onjuiste aangiftes omzetbelasting ingediend en minder belasting afgedragen dan had gemoeten. Verdachte heeft hierin een belangrijke rol gespeeld, waarbij hij ook gebruik heeft gemaakt van stromanconstructies. De aan verdachte gelieerde ondernemingen hebben van de aan [bedrijf 1] gefactureerde € 2.421.611,04 een bedrag van bijna € 775.000,- betaald gekregen. De rechtbank houdt het ervoor dat een deel van dat bedrag via contante betalingen aan werknemers van [bedrijf 1] in de schoonmaakbranche is teruggesluisd naar [bedrijf 1] . Het ‘zwart’ betalen van deze werknemers van [bedrijf 1] is door het handelen van verdachte mogelijk gemaakt.
Verdachte heeft daarnaast door het opmaken van de valse facturen bijgedragen aan de door [bedrijf 1] gepleegde belastingfraude. Verdachte heeft met zijn handelen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld en ook moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming, zoals de facturen in de onderhavige zaak.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 7 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte bij vonnis van 12 juli 2024 is veroordeeld tot 15 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor witwassen. Na het plegen van de valsheid in geschrift, waarvoor hij in dit vonnis wordt veroordeeld, is verdachte dus veroordeeld voor witwassen. De rechtbank moet daarom rekening houden met welke straf zou zijn opgelegd als deze zaken gelijktijdig zouden zijn behandeld (artikel 63 Sr Pro).
Verder zijn geen persoonlijke omstandigheden bekend waarmee de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat rekening moet houden.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf kijkt de rechtbank onder meer naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij fraude met dit soort bedragen worden in beginsel langdurige gevangenisstraffen opgelegd. Er zijn in dit geval echter redenen om dat niet te doen en voor een andere modaliteit te kiezen.
In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank beschouwt de mededeling aan de verdediging van het voornemen van dagvaarden bij brief van 7 september 2023 als eerste daad van vervolging. Op de datum van de uitspraak is de redelijke termijn daarom met 5 maanden overschreden. Dat is op zichzelf een redelijk beperkte overschrijding, maar het betreft zeer oude feiten (uit de periode 2015-2018) en het strafrechtelijk onderzoek daarnaar was begin 2021 al afgerond.
Daar komt bij dat de rol van verdachte bij het plegen van de fraude weliswaar instrumenteel is geweest, maar dat [bedrijf 1] de partij is geweest die het meest heeft geprofiteerd door te weinig omzetbelasting af te dragen en een deel van haar werknemers zwart te betalen. Het dossier bevat concrete aanwijzingen dat een groot deel van de uitbetaalde facturen contant naar [bedrijf 1] is teruggesluisd en dat dat geld dus niet bij verdachte is gebleven. De rechtbank heeft ook gekeken naar de straf die de bestuurder van [bedrijf 1] opgelegd heeft gekregen voor het plegen van belastingfraude, namelijk een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Gezien al het vorengaande – waarbij ook de toepassing van artikel 63 Sr Pro zwaar weegt – ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank legt een taakstraf op van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf geldt als stok achter de deur, zodat verdachte niet opnieuw de fout in zal gaan.
De raadsman van verdachte heeft kenbaar gemaakt dat verdachte zich momenteel buiten de Europese Unie bevindt. Zodra het eerder uitgevaardigde EAB wordt ingetrokken, kan verdachte Nederland binnenkomen zonder dat hij wordt aangehouden. De rechtbank benadrukt dat als verdachte zich niet tijdig bij de reclassering meldt voor de uitvoering van de opgelegde taakstraf, de taakstraf alsnog kan worden omgezet in een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 225 Sr.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Primair:
-
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvan
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat deze straf
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Smayel, voorzitter,
mrs. B. Vogel en C. Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 februari 2026.
[--]