ECLI:NL:RBAMS:2026:2165

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/13/775803/ HA RK 25-320
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek ex artikel 35 AVG-uitvoeringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde een zaak waarin verzoeker een verzoek indiende op grond van artikel 35 van Pro de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Dit verzoek werd op 10 november 2025 ingediend. Na verweer van ING Bank N.V. besloot verzoeker het verzoek in te trekken, waardoor de geplande mondelinge behandeling op 12 februari 2026 kwam te vervallen.

De rechtbank oordeelde dat de proceskosten die ING Bank maakte door het aanhangig maken van het verzoek onnodig waren veroorzaakt, omdat verzoeker geen beslissing meer wenste over het verzoek. Daarom werd verzoeker veroordeeld tot betaling van de proceskosten van ING, begroot op €1.556,00, bestaande uit griffierecht, salaris advocaat en nakosten.

De beschikking werd op 5 maart 2026 uitgesproken door mr. M.E.M. James-Pater. Verzoeker moet de proceskosten binnen veertien dagen voldoen, met een vermeerderen van €98,00 plus kosten van betekening bij niet-tijdige betaling. De proceskostenveroordeling is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Verzoeker wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van ING na intrekking van het verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/775803 / HA RK 25-320
Beschikking van 5 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. M. de Boorder,
tegen
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. D.J. Posthuma.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift ex artikel 35 Uitvoeringswet Pro Algemene Verordening Gegevensbescherming, ingekomen ter griffie op 10 november 2025,
- het verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 februari 2026,
- de e-mail van mr. De Boorder van 11 februari 2026 met de mededeling dat het verzoekschrift wordt ingetrokken, dat de geplande mondelinge behandeling op 12 februari 2026 geen doorgang behoeft te vinden en dat aan ING het liquidatietarief wordt aangeboden,
- de reactie van mr. Posthuma van 11 februari 2026 dat ING ermee instemt dat de mondelinge behandeling geen doorgang vindt, met het verzoek om de zaak twee weken aan te houden teneinde betaling van de proceskosten te verkrijgen,
- het bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 dat de mondelinge behandeling geen doorgang vindt en dat de zaak op de rekestenrol van 26 februari 2026 wordt geplaatst voor bericht omtrent intrekking aan de zijde van ING,
- de e-mail van 25 februari 2026 van mr. Posthuma met de mededeling dat [verzoeker] de proceskosten niet heeft betaald en het verzoek om bij beschikking te beslissen over de proceskosten.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1.
De proceskosten van ING zijn veroorzaakt door het aanhangig maken van het verzoek door [verzoeker] , terwijl hij geen beslissing meer wenst over het verzoek. [verzoeker] heeft deze kosten dus onnodig veroorzaakt. De rechtbank zal [verzoeker] daarom veroordelen in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op:
  • griffierecht € 714,00
  • salaris advocaat € 653,00 (1 punt van tarief II, onbepaalde waarde)
  • nakosten
  • totaal € 1.556,00

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
verstaat dat het verzoek is ingetrokken,
3.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van ING tot op heden begroot op
€ 1.556,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met
€ 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.