ECLI:NL:RBAMS:2026:2206

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11262851 \ CV EXPL 24-10689
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij leaseovereenkomst met verstek

Eisende partij, een leasebedrijf, vordert betaling van onbetaalde leasetermijnen en eigen risico voor geconstateerde schades van gedaagde, op grond van een leaseovereenkomst tussen handelaar en consument. Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve of aan de informatieplichten uit het consumentenrecht is voldaan en beoordeelt de overeenkomst aan de hand van de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen. De informatieplichten zijn nageleefd omdat alle essentiële informatie in de overeenkomst stond en door gedaagde kon worden ingezien.

De leaseprijs en prijs per meer gereden kilometer zijn transparant en niet oneerlijk. Eisende partij moet echter toelichten waarom een hogere leaseprijs wordt gerekend dan in de overeenkomst staat en de onderliggende bedingen noemen en beoordelen op eerlijkheid. Daarnaast moet de schadevergoeding beter worden onderbouwd dan met slecht zichtbare foto’s.

De eigen risico-bepaling is getoetst en niet oneerlijk bevonden. De zaak wordt aangehouden voor een akte van eisende partij met nadere toelichting, die aan gedaagde moet worden gestuurd met mogelijkheid tot reactie of uitstel. De verdere beslissing wordt aangehouden.

Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere toelichting en onderbouwing door eisende partij over hogere leaseprijs en schade.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11262851 \ CV EXPL 24-10689
Vonnis van 3 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEKKERLEASEN.NL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: Bosveld,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 juli 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert uit hoofde van een met gedaagde partij gesloten leaseovereenkomst veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 2.996,87 aan hoofdsom, vermeerderd met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, verminderd met een betaling van gedaagde partij. Op de leaseovereenkomst zijn (aanvullende) algemene voorwaarden en een mantelovereenkomst van toepassing. De vordering is gedeeltelijk gebaseerd op de algemene voorwaarden.
2.2.
De vordering bestaat, ook blijkens de facturen, uit onbetaald gelaten leasetermijnen en eigen risico vanwege geconstateerde schades, verminderd met (een restant van) de betaalde waarborgsom.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Eisende partij heeft gesteld op welke wijze de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen. Onder de gestelde omstandigheden zijn, anders dan eisende partij stelt in punt 4 van de dagvaarding, de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Nu alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is opgenomen in de leaseovereenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doorlezen alvorens deze in de verkoopruimte van eisende partij te ondertekenen, wordt het ervoor gehouden dat eisende partij heeft voldaan aan haar informatieplichten.
2.5.
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als een beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.6.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van Pro de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Dat is het toetsingsmoment. Irrelevant voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg over de bedoeling.
2.7.
De leaseprijs en de prijs per meer gereden kilometer zien op het eigenlijke voorwerp van de overeengekomen prestaties. Ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn moeten dergelijke bedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.8.
Wel dient eisende partij toe te lichten waarom zij een hogere leaseprijs per maand bij gedaagde partij in rekening brengt dan in de leaseovereenkomst staat. De bedingen die die aan deze verhoging ten grondslag liggen dient eisende partij te noemen. Daarnaast dient eisende partij een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van die bedingen.
2.9.
Eisende partij heeft in totaal zes keer een bedrag van € 300,00 bij gedaagde partij in rekening gebracht, in verband met geconstateerde schades. De gestelde schades zijn echter niet onderbouwd door middel van een schaderapport. Weliswaar zijn zeer slecht zichtbare foto’s overgelegd, maar die volstaan op zichzelf niet. Eisende partij wordt opgedragen de schade te onderbouwen.
2.10.
De in rekening gebrachte bedragen aan eigen risico zijn gebaseerd op artikel 8.3 van de aanvullende algemene voorwaarden. Dat artikel is getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.11.
De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.8 en 2.9 verwezen naar de rol.
2.12.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
dinsdag 3 maart 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door eisende partij,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.12,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op
3 februari 2026.
991