ECLI:NL:RBAMS:2026:2210

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
11301251 \ CV EXPL 24-11615
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230p sub f lid 1 BWArt. 6:230v BWRichtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenleaseovereenkomst: gedeeltelijke toewijzing vordering wegens wanbetaling en toetsing oneerlijke bedingen

DirectLease B.V. vordert betaling van een hoofdsom, incassokosten en rente van gedaagde uit een leaseovereenkomst voor een auto, die op afstand is gesloten in 2020 met een looptijd van 36 maanden. De vordering wordt beperkt tot €500, maar volledig inhoudelijk beoordeeld. De kantonrechter toetst ambtshalve de overeenkomst aan het consumentenrecht en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.

De leaseovereenkomst bevat algemene voorwaarden (AV Keurmerk), aanvullende voorwaarden en een innameprotocol. Eisende partij stelt dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan, maar de rechter constateert dat het ontbindingsrecht niet correct is gecommuniceerd, wat leidt tot een sanctie van 20% korting op de hoofdsom. Diverse bedingen, zoals die over ontbinding, parkeerboetes en rente, worden als oneerlijk beoordeeld en blijven buiten toepassing.

De ontbinding van de overeenkomst door DirectLease is onrechtmatig omdat niet aan de formele vereisten is voldaan en de auto voortijdig is ingenomen, waardoor gedaagde geen beëindigingsvergoeding verschuldigd is. De schadeposten worden getoetst; alleen onbetaalde leasetermijnen worden toegewezen tot een bedrag van €768,89, wat de beperkte vordering van €500 overstijgt. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €500 en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €500 en proceskosten, met afwijzing van overige vorderingen wegens oneerlijke bedingen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11301251 \ CV EXPL 24-11615
Vonnis van 30 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIRECTLEASE B.V.,
gevestigd te Hengelo,
eisende partij,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 september 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij stelt een vordering op gedaagde partij te hebben, bestaande uit € 4.100,64 aan hoofdsom, € 535,06 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 282,78 aan rente. Om haar moverende redenen beperkt eisende partij de vordering tot een bedrag van € 500,00 onder uitdrukkelijke reservering van het meerdere.
2.2.
Naar vast beleid wordt de vordering wel volledig beoordeeld, ook bij een beperking van de vordering tot € 500,00.
2.3.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.
Eisende partij stelt dat tussen partijen een leaseovereenkomst heeft bestaan met betrekking tot een auto. De leaseovereenkomst is op afstand gesloten in 2020. De overeengekomen looptijd is 36 maanden. Op de leaseovereenkomst zijn van toepassing verklaard algemene voorwaarden keurmerk private lease (hierna: AV Keurmerk), aanvullende voorwaarden en een innameprotocol.
2.5.
Eisende partij stelt aan haar informatieplichten te hebben voldaan en verwijst onder meer naar schermafdrukken van het bestelproces op haar website. Online wordt eerst een aanvraag gedaan. Daarna heeft gedaagde partij twee e-mails ontvangen, een met een samenvatting van de aanvraag en een met een verzoek tot aanlevering van bepaalde gegevens. Vervolgens wordt een lease-check uitgevoerd en is telefonisch contact met gedaagde partij opgenomen om alles te bespreken. Gedaagde partij heeft daarna een e-mail ontvangen met de te ondertekenen overeenkomst en de algemene voorwaarden. Pas nadat eisende partij deze (digitaal) ondertekende overeenkomst retour heeft gekregen, is de overeenkomst tot stand gekomen.
2.6.
Eisende partij stelt de overeenkomst te hebben beëindigd vanwege wanbetaling. Dat is gedaan bij e-mail van 21 juli 2023. Deze beëindiging is gegrond op artikel 50 en Pro 22 van de algemene voorwaarden.
2.7.
De vordering bestaat volgens eisende partij uit facturen met betrekking tot eigen risico in verband met geconstateerde schade aan de auto, kosten voor vervangend vervoer, onbetaald gelaten leasetermijnen, een kilometerafrekening, een doorbelaste parkeerboete, kosten voor een recherchebureau omdat gedaagde partij de auto niet vrijwillig inleverde en een beëindigingsvergoeding.
2.8.
Eisende partij heeft voldoende gesteld over de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en hoe is voldaan aan de informatieplichten. Sprake is van een overeenkomst op afstand, zodat de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing zijn. De meeste essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is opgenomen in de overeenkomst, met uitzondering van informatie over het ontbindingsrecht. Weliswaar stelt eisende partij dat de auto op maat wordt gemaakt naar de keuze van gedaagde partij en daarom geen ontbindingsrecht bestaat, maar die uitzondering (als bedoeld in artikel 6:230p sub f, onder 1 BW) gaat in dit geval niet op.
In de richtlijn is bepaald dat de betreffende uitzondering restrictief moet worden uitgelegd en niet geldt als de consument de keuze heeft tussen verschillende geprefabriceerde opties. In dit verband wordt verwezen naar ECLI:EU:C:2020:382.
2.9.
Voor het niet informeren over het ontbindingsrecht zal overeenkomstig het landelijke sanctiemodel voor essentiële informatieplichten een sanctie worden opgelegd, bestaande uit een korting op de hoofdsom van 20%. Bij een hoofdsom van € 4.100,64 bedraagt deze korting € 820,13.
2.10.
De overeenkomst heeft gedaagde partij kunnen doorlezen alvorens deze digitaal te ondertekenen. Met het plaatsen van een digitale handtekening direct onder de overeenkomst heeft gedaagde partij het aanbod van eisende partij – waaruit onmiskenbaar een betalingsverplichting volgt – aanvaard. Een bestelknop als bedoeld in artikel 6:230v lid 3 BW is onder genoemde omstandigheden niet aan de orde.
2.11.
Van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering moet worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.12.
Voor wat betreft de onbetaald gelaten leasetermijnen en de kilometerafrekening zien deze onderdelen van de vordering op de kern van de overeengekomen prestaties, te weten de door gedaagde partij te betalen prijs. Ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn moeten dergelijke kernbedingen uitsluitend op oneerlijkheid worden getoetst als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu de prijs op transparante wijze in de overeenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.
2.13.
De betalingsvoorwaarden volgen uit artikel 20 van Pro de AV Keurmerk. Dat artikel is getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.14.
De leaseprijs is op enig moment kennelijk verhoogd, omdat € 269,59 per maand in rekening wordt gebracht, terwijl de leaseovereenkomst een maandbedrag van € 269,00 vermeldt. Het beding dat aan deze kleine wijziging van de leaseprijs ten grondslag ligt, is te vinden in artikel 14 van Pro de AV Keurmerk. Dit beding is getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wijzigingen in de belastingen buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. Het beding zorgt niet voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. Nu de gevorderde onbetaald gelaten leasetermijnen verder niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen, zijn deze toewijsbaar.
2.15.
Eisende partij heeft de leaseovereenkomst voortijdig willen ontbinden. Zij stelt dat te hebben gedaan op grond van artikel 22 en Pro 50 van de AV Keurmerk. De ontbindingsverklaring is echter per e-mail verstuurd, terwijl het beding in artikel 22 AV Pro Keurmerk een aangetekende brief voorschrijft. Los daarvan, geldt het volgende.
Artikel 22 luidt Pro:
Wat kan er verder gebeuren als het termijnbedrag of andere bedragen niet tijdig betaald worden?
De leasemaatschappij kan de overeenkomst dan ontbinden. Dan moet u naast de openstaande bedragen ook een ontbindingsvergoeding betalen. Die is gelijk aan de opzeggingsvergoeding in artikel 47 eventueel Pro vermeerderd met de vertragingsrente en incassokosten voor zover deze zijn aangezegd. In de Aanvullende Voorwaarden kan echter een afwijkende regeling zijn opgenomen, die voorziet in een lagere ontbindingsvergoeding. Om de leaseovereenkomst wegens niet-betaling te kunnen ontbinden, moet de leasemaatschappij u eerst een aangetekende brief sturen, met een kopie per gewone brief of per e-mail. In die brief moet de leasemaatschappij u in de gelegenheid stellen alsnog binnen 14 dagen te betalen, onder mededeling dat zij anders de leaseovereenkomst mag ontbinden en dat u dan de hiervoor genoemde vergoeding verschuldigd wordt. Indien op het moment waarop die termijn afloopt, de leaseovereenkomst kan worden opgezegd, moet de leasemaatschappij u wijzen op de regeling van opzegging van artikel 46.
2.16.
Dit beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, want daarin is bepaald dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij het onbetaald laten van een leasetermijn of andere bedragen direct tot ontbinding overgaan en een ontbindingsvergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Weliswaar staat in artikel 50 van Pro de AV Keurmerk dat eisende partij gebruik kan maken van de wettelijke ontbindingsmogelijkheden, maar in het beding is niet opgenomen dat ook gebruik moet worden gemaakt van de wettelijke vereisten in het kader van ontbinding. Dat maakt het beding oneerlijk, zodat het buiten toepassing moet worden gelaten.
2.17.
Gelet op de arresten genoemd in overweging 2.11, is voor ontbinding dan ook geen ruimte. Gevolg daarvan is dat eisende partij, door de auto binnen de overeengekomen minimale duur van de lease in te laten nemen, zich schuldig heeft gemaakt aan schuldeisersverzuim door het huurgenot niet langer te verstrekken. Geoordeeld wordt dat gedaagde partij daarom geen beëindigingsvergoeding verschuldigd is. Evenmin kan eisende partij de gemaakte kosten in verband met het terugnemen van de auto bij gedaagde partij in rekening brengen, nog daargelaten dat gedaagde partij blijkens de e-mail van 21 juli 2023, waarnaar eisende partij verwijst in het kader van de ontbinding, niet in de gelegenheid is gesteld om de auto zonder bijkomende kosten vrijwillig in te leveren. Evenmin zijn de gefactureerde kosten die daarmee verband houden aangezegd.
2.18.
Het gevorderde bedrag aan eigen risico is gebaseerd op artikel 25 en Pro 26 AV Keurmerk. Daarin is bepaald dat eisende partij per schadegeval maximaal het overeengekomen bedrag aan eigen risico bij gedaagde partij in rekening mag brengen, of zoveel minder als de schade lager is. Verder is van belang artikel 62 van Pro de AV Keurmerk, waarin wordt verwezen naar het Innameprotocol. In het Innameprotocol staat aan de hand van voorbeelden en foto’s uitgebreid beschreven welke (typen) schades wel en niet acceptabel zijn. De bedingen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.19.
De gestelde schade heeft eisende partij onderbouwd met een inspectierapport. Uit dit rapport volgt echter dat de aan gedaagde partij door te belasten herstelkosten € 160,00 bedragen. Eisende partij heeft echter € 300,00 bij gedaagde partij in rekening gebracht. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 25 en Pro 26 AV Keurmerk (zie vorige overweging). Zonder nadere toelichting hierover, die ontbreekt, komt het meerdere boven € 160,00 ongegrond voor.
2.20.
Onderdeel van de vordering is ook een doorbelaste parkeerboete. Dat kan op grond van artikel 44 AV Pro Keurmerk. Dit artikel luidt:
U bent aansprakelijk voor alle boetes, naheffingsaanslagen parkeerbelasting en de gevolgen van andere maatregelen in verband met het gebruik van het voertuig. Dat geldt ook als de boetes en dergelijke aan de leasemaatschappij worden opgelegd omdat het kenteken op haar naam staat. In de Aanvullende voorwaarden is vermeld hoe de boetes worden afgehandeld. De leasemaatschappij kan een bedrag aan administratiekosten in rekening brengen voor de behandeling van bekeuringen en dergelijke. Het bedrag daarvan wordt in de leaseovereenkomst vermeld.
2.21.
Door de formulering van het beding moet de consument eisende partij altijd schadeloos stellen en de bijkomende kosten vergoeden, soms vermeerderd met administratiekosten, óók als zo’n schadeloosstelling of kosten normaliter niet voor de consument behoren te komen en ook als de boete onterecht blijkt te zijn. Daardoor wordt het evenwicht ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Bovendien blijkt uit het beding niet dat de consument nog een mogelijkheid krijgt om bezwaar te maken. Dit geldt temeer nu veelal een mogelijkheid bestaat om boetes te verleggen naar de consument, dan wel als gemachtigde te laten optreden in een bezwaarprocedure. Nu het beding als oneerlijk is aangemerkt, moet het buiten toepassing blijven, zodat gedaagde partij daar niet aan is gebonden. Gevolg daarvan zal zijn dat gedaagde partij eisende partij niet schadeloos hoeft te stellen voor bekeuringen of parkeerboetes.
2.22.
Het gedeelte van de vordering ten aanzien van het vervangend vervoer komt niet onrechtmatig of ongegrond voor.
2.23.
Eisende partij maakt aanspraak op rente. In artikel 22 AV Pro Keurmerk (hiervoor reeds geciteerd) wordt gerefereerd aan de mogelijkheid tot het in rekening kunnen brengen van vertragingsrente. Nu deze vertragingsrente niet nader is gespecificeerd en een verwijzing naar de wettelijke rente ontbreekt, kan eisende partij met een beroep op dit beding iedere rente in rekening brengen die zij wenselijk acht. Dat kan leiden tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Het rentebeding wordt daarom als oneerlijk aangemerkt en dient buiten toepassing te blijven. Gevolg daarvan is dat ook de wettelijke rente niet toewijsbaar is.
2.24.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat in ieder geval toewijsbaar is een bedrag van € 768,89 aan onbetaald gelaten leasetermijnen. Dat bedrag bestaat uit vier onbetaald gelaten leasetermijnen van € 269,59 minus de credit van € 309,47 zoals blijkt uit de factuur van 14 september 2023. Dat is al meer dan de gevorderde € 500,00. Het in de onderhavige procedure gevorderde beperkte gedeelte van de totale vordering is daarom toewijsbaar.
Hoor en wederhoor over bedingen met betrekking tot het restant van de vordering, is onder die omstandigheid nu niet aan de orde.
2.25.
Gedaagde partij is bij deze uitkomst in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
130,00
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
345,54

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 500,00,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 345,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
991