AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens illegale drugshandel
De rechtbank Amsterdam behandelde op 25 februari 2026 de vordering van de officier van justitie tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Frýdek-Místek, Tsjechië. De verdachte, geboren in 1983, zonder vaste verblijfplaats in Nederland en thans gedetineerd, was aanwezig en bijgestaan door een raadsman en tolk.
Het EAB betrof een strafbaar feit van illegale handel in verdovende middelen, een lijstfeit volgens de Overleveringswet (OLW), waarvoor in Tsjechië een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar geldt. Hierdoor was een onderzoek naar dubbele strafbaarheid niet vereist. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldeed aan de formele eisen van artikel 2 OLWPro en dat er geen weigeringsgronden waren.
De rechtbank besloot de overlevering toe te staan en verlengde de termijn voor uitspraak met 30 dagen. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, in aanwezigheid van de griffier, en is onherroepelijk volgens artikel 29 OLWPro. Er is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk tegen deze beslissing.
Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan Tsjechië toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel wegens illegale handel in verdovende middelen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-346680-25
Datum uitspraak: 25 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 maart 2025 door the District Court in Frýdek-Místek, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (voormalig Tsjecho-Slowakije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1.Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 februari 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Tsjechische taal.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel met kenmerk 0 NT 9004/2024. In het A-formulier staat vermeld dat dit aanhoudingsbevel op 5 november 2024 is uitgevaardigd door the District Court in Frýdek-Mistek.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Tsjechisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
4.Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5.Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLWPro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
6.Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
7.Beslissing
STAAT TOEde overlevering van [de opgeëiste persoon]aan de District Court in Frýdek-Místekvoor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.