ECLI:NL:RBAMS:2026:2250

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
13-326173-25 (EAB II)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor tenuitvoerlegging vrijheidsstraf in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteiten voor de overlevering van een Poolse verdachte die in Nederland verblijft. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf van negen maanden, waarvan nog circa negen maanden resteren.

Tijdens de procedure heeft de rechtbank uitgebreid onderzocht of de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) van toepassing is, omdat de verdachte niet persoonlijk aanwezig was bij het Poolse proces. De rechtbank concludeerde dat de verdachte op de hoogte was van de procedure, zijn adres had doorgegeven en dat de oproepingen naar dat adres waren verzonden. Hierdoor werd geoordeeld dat de verdachte stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid of onzorgvuldig was geweest, zodat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat.

De verdediging voerde verder aan dat de verdachte op grond van artikel 6a OLW gelijkstelling met Nederland kon claimen vanwege langdurig verblijf en werk, en dat artikel 11 OLW Pro (detentieomstandigheden) overlevering moest verhinderen. De rechtbank verwierp deze verweren, omdat de verdachte niet voldeed aan de vereisten voor gelijkstelling en er geen objectief bewijs was van onmenselijke detentieomstandigheden in Polen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen andere weigeringsgronden aanwezig zijn. De overlevering wordt daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Polen toe voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-326173-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 26 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 5 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 oktober 2025 door
the Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 29 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg, advocaat in Maastricht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenneming bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie de gelegenheid te geven aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen in het kader van artikel 12 OLW Pro.
Zitting van 11 februari 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak opnieuw aangehouden, omdat de eerder geformuleerde vragen nog niet waren beantwoord.
Zitting 17 februari 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. S.N.M. Lousberg.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Warsaw-Mokotów, Warsawvan
9 augustus 2017 (met referentie: III K 475/17).
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog acht maanden en 29 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot voornoemde beslissing heeft geleid. In onderdeel d) van het EAB staat het volgende vermeld:
In course of the proceedings, correspondence was sent to the convict to the address he had notified on 17 January 2017. The convict would not collect his correspondence, he showed no interest in the case. The convict had been duly advised of the need to notify the authorities of any change of his place of abode for more than 7 days. A notice of the hearing date resulting in the judgement was considered duly served.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 9 februari 2026– op door de rechtbank geformuleerde vragen – het volgende meegedeeld:
1. The offence was committed by [opgeëiste persoon] on 16 January 2016. Subsequently, preparatory proceedings were conducted in the case. On 17 January 2017, the convicted person was questioned and the decision to present charges was announced to him.
2. [opgeëiste persoon] committed an intentional offence and admitted to committing it. He was therefore aware that proceedings could be brought against him. On 17 January 2017, the decision to present charges was announced to the convicted person
3. During the preparatory proceedings, [opgeëiste persoon] provided his permanent address, which was the same as his mailing address. He was informed that all correspondence would be sent to this address and would be considered properly delivered if not collected. [opgeëiste persoon] was also obliged to inform the authorities each time he changed his place of residence for a period exceeding 7 days and was instructed that failure to inform the authorities of a change of residence could result in a ruling being issued in his absence.
4. The summons to the hearing was sent on 7 July 2017 to the address indicated by the convicted person during the hearing on 17 January 2017. The summons was delivered twice, but was not collected and was considered to have been duly delivered.
Standpunt van de raadsvrouwDe raadsvrouw heeft op de zitting van 29 januari 2026 gesteld dat uit het EAB enerzijds valt af te leiden dat de opgeëiste persoon na overlevering nog in verzet of hoger beroep kan gaan, maar dat anderzijds gesteld wordt dat het vonnis onherroepelijk is. Het is daarom onduidelijk of het vonnis onherroepelijk is en de raadsvrouw heeft zich afgevraagd of er geen sprake is van een verkapte vervolgingsoverlevering. Primair moet de overlevering daarom worden geweigerd, subsidiair moeten hierover aanvullende vragen worden gesteld. Op de zitting van 17 februari 2026 heeft de raadsvrouw opgemerkt dat zij blijft bij het standpunt zoals ingenomen op 29 januari 2026.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een verzetsgarantie maar van een onherroepelijk vonnis. De opgeëiste persoon was niet in persoon aanwezig bij het proces, maar uit het EAB en de aanvullende informatie van
9 februari 2026 volgt dat aan de opgeëiste persoon in het kader van het strafrechtelijk onderzoek een adresinstructie is gegeven. Bovendien is hij als verdachte verhoord op
17 januari 2017 en heeft hij toen ook te horen gekregen dat hij vervolgd zou worden. Hij was
dus op de hoogte van de strafrechtelijke procedure en wist dat hij bereikbaar moest zijn voor de Poolse justitie. De oproeping is naar het adres gestuurd dat de opgeëiste persoon op
17 januari 2017 had opgegeven. De rechtbank kan dus afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Anders dan de raadsvrouw betoogd heeft - en met de officier van justitie - is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van verzetgarantie: bij de grondslag in rubriek B is aangegeven dat het om een “
final and non-appealable” vonnis gaat. Het niet doorhalen van de betreffende alinea’s in rubriek D zal op een vergissing berusten. Bovendien is de termijn waarbinnen dan verzet of hoger beroep ingesteld zou kunnen worden, niet ingevuld.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op deze grond te weigeren. De opgeëiste persoon heeft op 17 januari 2017 te horen gekregen dat er een strafzaak tegen hem zou volgen. Hij wist dus dat er een procedure tegen hem liep. De opgeëiste persoon heeft bovendien tijdens de
preparatory proceedings(tijdens zijn verhoor als verdachte) zijn adres doorgegeven en is gewezen op zijn plicht om de Poolse autoriteiten op de hoogte te stellen van elke adreswijziging (en op de consequentie van het niet voldoen aan deze adresinstructie, namelijk dat de berechting in zijn afwezigheid plaats kon vinden). Vervolgens is tot twee keer toe geprobeerd om de opgeëiste persoon te dagvaarden op het door hem opgegeven adres.
De rechtbank is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de verdenking en dat hij er rekening mee moest houden dat er een proces zou volgen. Hij heeft ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel hij is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest door, ondanks de aan hem gegeven adresinstructie, niet bereikbaar te zijn voor de Poolse autoriteiten.
Artikel 12 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft namens de opgeëiste persoon, wetende dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6a OLW, een beroep gedaan op gelijkstelling, omdat hij al geruime tijd in Nederland verblijft en werkt. Hij heeft hier een leven opgebouwd met zijn vriendin.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de voorwaarden voor gelijkstelling en daarom geen beroep kan doen op artikel 6a OLW.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op artikel 6a OLW niet slaagt, nu de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.

6.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat artikel 11 OLW Pro aan overlevering in de weg staat, omdat het algemeen bekend is dat de detentieomstandigheden in Polen tekortschieten. Het is onduidelijk in welke gevangenis en in welk regime de opgeëiste persoon zal worden geplaatst, alsmede of het regime aldaar voldoet aan de
European Prison Rules.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat veroordeelde gedetineerden in de penitentiaire inrichting in Polen onmenselijk of vernederend worden behandeld. [4] De raadsvrouw heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit zou kunnen volgen dat er wel een algemeen reëel gevaar bestaat voor het tenuitvoerleggings-regime in Polen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer .

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Warsaw Regional Court [Sąd Okręgowy w Warszawie], VIII Penal Division, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Vergelijk Rb. Amsterdam 9 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:4798.