ECLI:NL:RBAMS:2026:2309

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13/345211-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel met detentiegarantie Brugge

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Belgische onderzoeksrechter te Ieper, gericht op de overlevering van een persoon verdacht van deelname aan een criminele organisatie en georganiseerde diefstal.

De identiteit van de opgeëiste persoon werd bevestigd middels biometrische gegevens. De rechtbank beoordeelde de detentiegarantie die België verstrekte, waarin werd verzekerd dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis van Brugge zal worden geplaatst onder humane omstandigheden, conform internationale standaarden zoals de CPT-standaarden.

Hoewel de raadsman betoogde dat het algemene gevaar van onmenselijke behandeling in Belgische gevangenissen niet wordt weggenomen door de garantie, oordeelde de rechtbank dat de individuele detentiegarantie voldoende zekerheid biedt. De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman en concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn.

De rechtbank besloot de overlevering toe te staan, waarbij geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet en relevante jurisprudentie.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe op basis van een voldoende detentiegarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/345211-25
Datum uitspraak: 5 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 22 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 oktober 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen afdeling Ieper, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag 1] 1986 te [geboorteplaats 1] (voormalig Sovjet-Unie),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] ,
ALIAS:
[alias opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag 2] 1988 te [geboorteplaats 2] (Tsjechië)
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Russische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Moldavische nationaliteit heeft. Tevens heeft hij bevestigd dat hij ook bekend staat als [alias opgeëiste persoon] , de persoon die in het EAB is genoemd als de door de Belgische autoriteiten gezochte persoon. De rechtbank constateert dat de identificatie van de opgeëiste persoon door de politie bij zijn aanhouding middels biometrie is vastgesteld, waarmee er geen twijfel is dat hij degene is die door de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt gezocht.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, vermeldt een bevel tot aanhouding bij verstek uitgevaardigd op 22 oktober 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen afdeling Ieper (met kenmerk: 2025/090).
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan criminele organisatie;
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
Bij brief van 14 januari 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie voor de opgeëiste persoon gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[alias opgeëiste persoon]zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.

In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar[alias opgeëiste persoon]aan zal worden onderworpen na overlevering:

De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.

De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o
De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o
Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.

De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.

Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de
gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het algemene gevaar van schending van grondrechten in detentie in België voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar nieuwsartikelen, waarin wordt geschreven over bevindingen van de Commissie van Toezicht die naar aanleiding van wekelijkse bezoeken heeft vastgesteld dat de detentieomstandigheden in de gevangenis van Brugge leiden tot een flagrante miskenning van de waardigheid van gedetineerden. Gelet hierop is het aannemelijk dat de in de individuele detentiegarantie opgenomen toezeggingen niet zullen worden nageleefd. De rechtbank moet daarom de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de detentiegarantie voldoende is en het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wegneemt. Er is geen reden om te twijfelen aan deze individuele garantie en de naleving daarvan door de Belgische autoriteiten. De verwijzing naar de nieuwsartikelen maakt dat niet anders.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [5] De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door deze individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
Wat de raadsman heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De overgelegde nieuwsberichten bevestigen slechts het eerder door deze rechtbank vastgestelde algemene gevaar dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Vanwege dat algemene gevaar heeft de rechtbank, alvorens de overlevering kan worden toegestaan, een individuele detentiegarantie nodig waarmee het algemene gevaar wordt weggenomen. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven. De door de raadsman overgelegde nieuwsberichten geven geen aanleiding om te twijfelen aan de naleving van de garanties en dateren bovendien van een eerdere datum dan de datum waarop de individuele detentiegarantie is verstrekt. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon] , alias [alias opgeëiste persoon] ,aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen afdeling Ieper, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 5 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, zaak ML (C-220/18, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.