Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2409

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11985479
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671c BWArt. 7:686a lid 6 BWArt. 7:686a lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstig verwijtbaar handelen werkgever met toekenning billijke vergoeding

De werknemer, sinds 1994 in dienst bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA), verzocht de ontbinding van haar arbeidsovereenkomst wegens een ernstig verstoorde arbeidsrelatie en ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Eerder had HvA zelf een ontbindingsverzoek ingediend, maar dit ingetrokken. De kantonrechter bevestigt dat HvA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, onder meer door een langdurige en onterechte non-actiefstelling en het niet volgen van eigen procedures.

Na de intrekking van het ontbindingsverzoek heeft HvA onvoldoende concrete stappen ondernomen om de arbeidsrelatie te herstellen of de werknemer te rehabiliteren. De werknemer heeft meerdere malen om duidelijkheid en perspectief gevraagd, maar kreeg geen adequaat antwoord. De kantonrechter oordeelt dat HvA tekort is geschoten in haar zorgplicht als werkgever.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026. De werknemer krijgt een transitievergoeding van € 92.367,67 en een billijke vergoeding van € 350.000 bruto toegekend wegens het ernstig verwijtbaar handelen van HvA. De kantonrechter wijst het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten deels af en veroordeelt HvA in de proceskosten. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026 wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, met toekenning van een billijke vergoeding van €350.000 en een transitievergoeding van €92.367,67.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11985479 EA VERZ 25-1389
beschikking van: 9 februari 2026
func.: 25

beschikking van de kantonrechter

I n z a k e

[verzoeker]

wonende te [woonplaats]
verzoekende partij in het verzoek
verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek
nader te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. H. Senyuva
t e g e n

de stichting Hogeschool van Amsterdam

gevestigd te Amsterdam
verwerende partij in het verzoek
verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek
nader te noemen: HvA
gemachtigde: mr. P.T. Sick

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[verzoeker] heeft op 20 november 2025 een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c van het Burgerlijk Wetboek (BW), met nevenverzoeken.
HvA heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
Het verzoek is ter terechtzitting behandeld op 19 januari 2026. [verzoeker] is verschenen met haar echtgenoot en de gemachtigde. Namens HvA zijn verschenen mevrouw [naam 1] (decaan faculteit business en economie) en mevrouw [naam 2] (hoofd P&O) en de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten mede aan de hand van een pleitnota toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast.
1.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1968, is sinds 1 december 1994 in dienst van HvA, laatstelijk als Opleidingsmanager 2. Het salaris bedraagt € 7.495,89 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten. De cao HBO is van toepassing.
1.2.
Bij beschikking van 30 juni 2025 (11593273\EA VERZ 25-280) heeft de kantonrechter te Amsterdam op verzoek van HvA de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] ontbonden met ingang van 1 januari 2026. Daarbij is onder meer een transitievergoeding van € 91.596,78 bruto en een billijke vergoeding van € 350.000,00 bruto toegekend. In die beschikking is – kort samengevat – onder meer geoordeeld dat beide partijen het erover eens zijn dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie, zodat er een redelijke grond is voor ontbinding. Ook is geoordeeld dat gelet op de ernst van de verstoring en het ernstig verwijtbare handelen van HvA herplaatsing binnen een redelijke termijn niet meer mogelijk was. Geoordeeld is verder dat HvA ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, onder meer [1] door de plotselinge op non-actiefstelling van [verzoeker] in januari 2024, zonder dat [verzoeker] zich kon verweren tegen de anonieme meldingen van collega’s. Ook is geoordeeld dat HvA haar eigen procedures met betrekking tot klachten over sociale onveiligheid rondom de persoon van [verzoeker] niet heeft gevolgd en pas na lange tijd een extern, niet in dergelijk onderzoek gespecialiseerd, advocatenkantoor onderzoek heeft laten doen. Vastgesteld is dat HvA voorafgaand aan dat onderzoek een groot aantal collega’s had gevraagd hun ervaringen te delen, met als expliciete vermelding dat het ging om sociale veiligheid in relatie tot [verzoeker] . Geoordeeld is verder dat de periode van schorsing door dat onderzoek (onevenredig) lang is geweest en dat [verzoeker] ruimschoots meer dan een jaar was geschorst vóórdat HvA haar ontbindingsverzoek indiende.
1.3.
In de beschikking van 30 juni 2025 is een intrekkingstermijn opgenomen als bedoeld in artikel 7:686a lid 6 BW. HvA heeft hiervan binnen de termijn op 10 juli 2025 gebruik gemaakt.
1.4.
Bij e-mail van 15 juli 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] HvA verzocht toe te lichten welk perspectief [verzoeker] nog had bij HvA en erop gewezen dat de gang van zaken een beschadigend effect heeft op de reputatie en gemoedstoestand van [verzoeker] .
1.5.
Bij e-mail van 18 juli 2025 heeft de (toenmalige) gemachtigde van HvA onder meer geschreven:

HvA begrijpt dat er zaken fout gegaan zijn en wil graag met mevrouw [verzoeker] in gesprek hierover. Mevrouw [verzoeker] heeft jaren naar tevredenheid gefunctioneerd en daarbij was HvA ook een goed werkgever voor haar. U schrijft te betwijfelen of HvA zich ooit als goed werkgever zal gedragen. HvA begrijpt goed de boosheid en teleurstelling bij mevrouw [verzoeker] , maar in historische context bezien is HvA van mening dat dat geen terecht verwijt cq terechte vrees is. Het moet mogelijk zijn dat partijen dit gezamenlijk oplossen. HvA zal zich daarvoor inspannen.HvA wil graag met mevrouw [verzoeker] werken aan een plan gericht op haar werkhervatting bij de HvA. Het is HvA ook duidelijk dat wat er de afgelopen periode is gebeurd eerst besproken dient te worden om de lucht te klaren. HvA stelt voor dat partijen op korte termijn een mediator vragen deze gesprekken te begeleiden. Wat HvA betreft ligt het voor de hand dat in eerste instantie mevrouw [naam 3] (Decaan FBE) hierin de HvA vertegenwoordigt. Maar dat zou ook de heer [naam 4] kunnen zijn (Opleidingsmanager) of de heer [naam 5] (Directeur Bedrijfsvoering FBE) of mevrouw [naam 2] (interim hoofd HR) als mevrouw [verzoeker] wil. (…) Verder hoort HvA ook graag wat mevrouw [verzoeker] verder nodig heeft om dit proces te laten slagen. Lukt het om hier begin volgende week op terug te komen? (…)”.
1.6.
Deze reactie was voor [verzoeker] aanleiding om zich op 4 augustus 2025 met een persoonlijke mail te wenden tot mevrouw [naam 6] , de voorzitter van het College van Bestuur (hierna: [naam 6] ). In die mail schetst [verzoeker] de gang van zaken, beschrijft zij welke invloed een en ander op haar heeft gehad en stelt zij een vijftal concrete vragen, waaronder welk perspectief HvA haar voorhoudt.
1.7.
Bij e-mail van 8 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] gereageerd op de e-mail van 18 juli 2025 en onder meer laten weten dat geen antwoord is gegeven op de door [verzoeker] gestelde vragen en dat [verzoeker] meer tijd nodig heeft om te bedenken of zij in staat is om in te gaan op het voorstel van HvA.
1.8.
Bij e-mail van 11 augustus 2025 heeft de toenmalig gemachtigde van HvA onder meer laten weten:

(…) De tweede vraag die ik uit uw e-mail haal is welk perspectief mevrouw [verzoeker] nog heeft. Ik denk dat dat niet op voorhand te beantwoorden is, omdat dat afhangt van de uitkomsten van de gesprekken/mediation.Partijen zullen zich beide moeten inspannen om te kijken of er een oplossing gevonden kan worden. De eerste stap lijkt me daartoe het benaderen van een mediator om dat proces te begeleiden? Als u nog andere oplossingsrichtingen ziet hoor ik het oog graag.
1.9.
Bij e-mail van 28 augustus 2025 heeft de gemachtigde van [verzoeker] laten weten dat het door HvA gedane voorstel om mediation te laten plaatsvinden na alles wat er de afgelopen 1,5 jaar is gebeurd, een gepasseerd station is. Terugkeer of praten daarover is voor [verzoeker] ziekmakend en onmogelijk, aldus haar gemachtigde. Voorgesteld wordt om alsnog tot beëindiging te komen, bij gebreke waarvan wordt aangekondigd dat [verzoeker] zich genoodzaakt ziet om zelf een ontbindingsverzoek in te dienen.
1.10.
In september 2025 heeft [verzoeker] vanwege toenemende spanningsklachten een preventief gesprek gehad met de bedrijfsarts.
1.11.
Op 5 september 2025 is de beschikking van 30 juni 2025 gepubliceerd. Dit leidde tot nieuwsberichten in verschillende, ook landelijke, media.
1.12.
Op 10 september 2025 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld.
1.13.
Bij e-mail van 13 september 2025 heeft [naam 6] gereageerd op de mail van [verzoeker] van begin augustus. Daarin schrijft [naam 6] onder meer dat het van belang is met elkaar in gesprek te gaan over ‘hoe verder’ en dat een nieuw team namens HvA de behandeling van de zaak zal overnemen, onder wie ook een nieuwe gemachtigde.
1.14.
Bij bericht van 15 september 2025 heeft de bedrijfsarts geconcludeerd dat de beperkingen van [verzoeker] in directe samenhang staan met spanning voortkomend uit negatieve werkgerelateerde factoren, specifiek gelegen in een probleem binnen de arbeidsverhouding en mediation geadviseerd. Tevens merkt de bedrijfsarts op dat de beperkingen dusdanig zijn dat een korte interventieperiode van 2 weken zinvol is.
1.15.
Bij brief van 23 september 2025 heeft de (nieuwe) gemachtigde van HvA onder meer het volgende geschreven:
“(…) heb ik inmiddels overleg gevoerd met de HvA. In dat overleg is nadrukkelijk stilgestaan bij de vragen die u gesteld heeft in uw e-mailbericht van 15 juli jl. (…). Het is begrijpelijk dat mw. [verzoeker] deze vragen stelt, en ik zal die in dit bericht beantwoorden.Vooropgesteld: de ambitie van HvA is om een prettige en veilige werkomgeving te bieden voor alle medewerkers. Dat geldt natuurlijk voor mw. [verzoeker] , maar ook voor haar collega’s. Om die reden heeft de HvA signalen rondom het werkklimaat en de rol van mw. [verzoeker] daarin zeer serieus genomen. Bij de aanpak daarvan is een vertrouwensbreuk ontstaan. Dat heeft geleid tot een ontslagverzoek. Hoewel de HvA erkent dat er bij de door haar gekozen aanpak dingen anders hadden gekund en gemoeten, doet de uitspraak van de rechter naar de mening van de HvA toch onvoldoende recht aan de aanleiding voor het verzoek en de afwegingen die de HvA heeft moeten maken in het belang van een prettig en veilig werkklimaat bij de HvA voor iedereen. De HvA kon zich in de uitkomst van deze zaak dan ook niet vinden. Dat is voor haar reden geweest om het verzoek in te trekken.De keuze impliceert dat de inzet van de HvA is dat de arbeidsovereenkomst wordt voortgezet.De HvA realiseert zich dat er het nodige zal moeten gebeuren om dat haalbaar en werkbaar te maken, en dat van haar in dat kader de nodige inspanning mag worden verlangd. Anderzijds mag de HvA van mw. [verzoeker] vragen dat zij zich beschikbaar houdt voor overleg (…).De HvA stelt in dat kader het volgende voor:1. Naar de beoordeling van de HvA is werkhervatting in de eigen functie niet meer mogelijk. Daarvoor is er te veel gebeurd. Maar het moet wel mogelijk zijn om in gezamenlijk overleg ander passend werk voor mw. [verzoeker] te vinden. (…) Een en ander kan in een of meerdere gesprekken gezamenlijk worden onderzocht.2. (…) a. Als de voorkeur van mw. [verzoeker] er naar uitgaat om binnen de HvA te zoeken naar een andere passende baan, kan worden onderzocht of mw. [verzoeker] kan worden aangewezen als herplaatsingskandidaat (…).b. In dat geval ligt ook voor de hand dat aandacht wordt besteed aan herstel van de onderlinge relaties. (…).3. Het overleg als hiervoor bedoeld kan plaatsvinden in de context van mediation. Dat adviseert de bedrijfsarts ook. (…).4. Gelet op het advies van de bedrijfsarts, die heeft geadviseerd een kortere interventieperiode van twee weken in te lassen, stelt de HvA voor om in de week van 29 september a.s. , of uiterlijk in de week daarna, te starten met het overleg. (…)
1.16.
In reactie daarop heeft de gemachtigde van [verzoeker] op 25 september 2025 onder meer laten weten:
“(…) Opvallend is dat in uw brief uitsluitend wordt vooruitgeblikt, waarbij volledig voorbij wordt gegaan aan de gebeurtenissen voorafgaand aan de intrekking van het verzoek door de HvA. (…). In dat oordeel[van de kantonrechter van 30 juni 2025 – ktr.]
is vastgesteld dat de HvA ernstig onzorgvuldig en verwijtbaar heeft gehandeld. Dat moet als uitgangspunt gelden.Na de intrekking heeft de HvA deze lijn helaas voortgezet. Ruim twee maanden lang is geen enkele actie ondernomen. (…). In uw brief wordt weliswaar een gesprek over werkhervatting voorgesteld, maar onder gelijktijdige mededeling dat terugkeer in haar eigen functie ‘niet meer mogelijk zou zijn’ omdat ‘er te veel is gebeurd’. Zoals bekend en ook bevestigd in de beschikking van 30 juni 2025, zijn deze gebeurtenissen in volle omvang toe te rekenen aan de HvA. Het is dan ook onbegrijpelijk dat daarop in uw brief geen enkele reflectie plaatsvindt. (…) Omwille van haar gezondheid verzoekt mevrouw [verzoeker] om ten minste de komende acht weken met rust gelaten te worden door de HvA.
1.17.
Naar aanleiding van een voorgenomen vakantie van 6 oktober tot en met 14 november 2025, die [verzoeker] bij e-mail van 30 september 2025 bij haar leidinggevende had gemeld, heeft de gemachtigde van HvA op 3 oktober 2025 bericht dat [verzoeker] dat verzoek moet voorleggen aan de bedrijfsarts. Mocht de bedrijfsarts niet adviseren dat acht weken vakantie bevorderlijk is voor het herstel, dan wordt [verzoeker] opgeroepen voor een gesprek op 8 oktober 2025.
1.18.
Na tussenkomst van de gemachtigde van [verzoeker] , heeft HvA ingestemd met vervroeging van het gesprek naar 6 oktober 2025, onder de voorwaarde dat [verzoeker] instemde met een vervolggesprek op 17 november 2025.
1.19.
Op 6 oktober 2025 heeft [verzoeker] , begeleid door haar partner, gesproken met HvA. Daarbij ging het vooral over de mogelijkheden van herplaatsing. [verzoeker] is die avond op reis gegaan.
1.20.
Op 17 november 2025 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden. [verzoeker] wenste ondanks het voorstel van HvA daartoe niet in te gaan op invulling van de arbeidsovereenkomst of op een door HvA ondersteunde verkenning van passende werkzaamheden buiten HvA en kondigde aan dat een ontbindingsverzoek zou worden ingediend.

De verzoeken en het voorwaardelijk tegenverzoek

Het verzoek
2. [verzoeker] verzoekt de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden, met inachtneming van de voor HvA geldende opzegtermijn. Daarnaast verzoekt [verzoeker] HvA te veroordelen tot vergoeding van de eventueel niet in acht te nemen opzegtermijn, de transitievergoeding, een billijke vergoeding van € 1.300.903,79 bruto en € 77.517,45 incl. btw wegens daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt [verzoeker] om voor recht te verklaren dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van HvA en dat [verzoeker] bij het einde van de arbeidsovereenkomst recht heeft op afrekening van het tot dan opgebouwde en haar toekomende saldo ter zake van vakantiedagen/-uren, (DI)-spaaruren, de vakantietoeslag en dertiende maand naar rato, met veroordeling van HvA in de kosten van de procedure.
3. [verzoeker] stel hiertoe – kort gezegd – dat HvA sinds de intrekking van het ontbindingsverzoek geen enkel concreet of geloofwaardig alternatief heeft geboden om de evident zwaar beschadigde arbeidsrelatie te herstellen, wat volgens [verzoeker] ernstige verwijtbaarheid van HvA oplevert. [verzoeker] wijst erop dat door de opstelling van HvA na de intrekking van het door HvA ingediende verzoek de door haar geleden schade is toegenomen.
Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek
4. HvA voert gemotiveerd verweer, maar verzet zich niet tegen de door [verzoeker] verzochte ontbinding. Tevens is HvA bereid tot betaling van de transitievergoeding.
5. Voor het geval [verzoeker] haar verzoek zou intrekken, verzoekt HvA de arbeidsovereenkomst op zo kort mogelijke termijn, maar in ieder geval vóór 29 april 2026 te ontbinden, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
6. De stellingen van partijen komen hierna aan de orde, voorzover van belang voor de beslissing.

Beoordeling

Ontbindingsverzoek [verzoeker]

7. De kantonrechter stelt voorop dat voor wat betreft de gang van zaken tot juni 2025 de inhoud van de beschikking van 30 juni 2025 tot uitgangspunt wordt genomen, aangezien daartegen geen hoger beroep is ingesteld en de kantonrechter geen aanleiding ziet om van de inhoud daarvan af te wijken.

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

8. Nu beide partijen te kennen hebben gegeven te streven naar ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zal het ontbindingsverzoek van [verzoeker] worden toegewezen tegen 1 april 2026. Daarbij wordt geen rekening gehouden met het verzoek van [verzoeker] om de voor HvA geldende opzegtermijn in acht te nemen, omdat het hier gaat om een werknemersverzoek.

Ernstige verwijtbaarheid

9. Doordat HvA gebruik heeft gemaakt van haar recht om haar eerdere ontbindingsverzoek in trekken op basis van artikel 7:686a lid 6 BW, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortgezet. Volgens de eigen stellingen van HvA in de eerdere procedure was er sprake van een zodanige verstoring van de arbeidsrelatie, dat dit voor haar toen reden was om ontbinding te verzoeken. Gelet hierop en het oordeel in de beschikking van 30 juni 2025 dat HvA een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop zij [verzoeker] tot dan toe had bejegend, mochten van HvA na de intrekking van haar ontbindingsverzoek extra inspanningen worden verwacht bij de terugkeer van [verzoeker] op de werkvloer. In dat licht bezien heeft HvA vervolgens onvoldoende concrete actie ondernomen. Daarbij is het volgende van belang.
10. Het lag als goed werkgever op de weg van HvA om na de intrekking contact te zoeken met [verzoeker] , om de ontstane situatie te bespreken, om te reflecteren op de in de beschikking vastgestelde fouten die HvA tot dat moment had gemaakt en om concreet vooruit te blikken naar hoe zij de arbeidsverhouding met [verzoeker] verder wilde vormgeven. In plaats daarvan was het [verzoeker] die via haar gemachtigde bij e-mail van 15 juli 2025 verzocht om toe te lichten welk perspectief er nog voor haar was bij HvA. In reactie daarop volstond HvA met de opmerking “dat er zaken fout gegaan zijn” en dat zij met [verzoeker] in gesprek wilde (e-mail 18 juli 2025). HvA stelde daarbij mediation voor, met juist ook de heren [naam 4] en [naam 5] , onder leiding van wie HvA volgens de eerdere beschikking ernstig verwijtbaar had gehandeld jegens [verzoeker] . Vervolgens bleef de uitgebreide persoonlijke mail van [verzoeker] aan de voorzitter van de College van Bestuur, waarin zij opnieuw onder meer vroeg welk perspectief HvA haar voorhield, lange tijd onbeantwoord. Dat de zomervakantie daarbij een rol zou hebben gespeeld, zoals HvA heeft aangevoerd, komt voor risico van HvA.
11. Bovendien werd de non-actiefstelling van [verzoeker] ook na de intrekking niet opgeheven. Opmerkelijk genoeg liet HvA desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling weten dat deze nog steeds - en inmiddels dus al meer dan twee jaar - voortduurt. Daarmee heeft HvA de onzekere en beschadigende situatie van [verzoeker] dus (ook) na haar intrekking onnodig lang laten voortduren.
12. HvA heeft in deze procedure het standpunt ingenomen dat zij “
alles in het werk [wilde] stellen om dat vertrouwen[van [verzoeker] , ktr]
weer te herstellen, mevrouw [verzoeker] te rehabiliteren, en de arbeidsrelatie opnieuw vorm te geven [2] . Maar van dergelijke inspanningen is niet gebleken. Op herhaaldelijke vragen van [verzoeker] naar welk perspectief er nog voor haar was, werd lange tijd niet concreet geantwoord. HvA stelt thans dat zij in het door haar voorgestelde gesprek de gehele voorgeschiedenis had willen bespreken, maar dat blijkt onvoldoende duidelijk uit de overgelegde correspondentie. Daaruit blijkt wel, zoals [verzoeker] terecht stelt, dat HvA het met name over de toekomst wilde hebben, terwijl [verzoeker] begrijpelijkerwijs ook het verleden wilde bespreken en een vorm van zelfreflectie van en rehabilitatie door HvA verwachtte. Bovendien is in deze procedure gebleken dat HvA van meet af aan niet van plan was om [verzoeker] terug te laten keren in haar eigen functie. Verder is niet gebleken dat HvA zich op enigerlei wijze heeft ingespannen voor rehabilitatie van [verzoeker] . In het licht van de gehele voorgeschiedenis van deze zaak wordt het dan ook onbegrijpelijk geacht dat HvA in feite tot de indiening van het verweerschrift in deze procedure heeft gewacht, om zich (in enige mate) op haar eigen handelen te bezinnen en om de door haar gemaakte fouten richting [verzoeker] te erkennen.
13. De door HvA voorgestelde mediation maakt het voorgaande niet anders. Weliswaar mag in beginsel van een werknemer worden verwacht dat een aanbod tot mediation wordt aanvaard, maar de bijzondere omstandigheden van dit geval maken dat anders. Daarbij is onder meer van belang dat de verhoudingen volgens HvA kennelijk eerst nog zodanig verstoord waren dat zij zelf een ontbindingsverzoek indiende en dat in die procedure is geoordeeld dat mede gelet op de ernst van die verstoring en het ernstig verwijtbare handelen van HvA, herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk was. HvA heeft onvoldoende over het voetlicht gebracht waarom dat ná de intrekking plots anders zou zijn. Dat klemt te meer, nu de eerdere ontbindingsprocedure en de daaropvolgende intrekking door HvA de al gespannen verhoudingen begrijpelijkerwijze alleen maar verder op scherp hebben gezet. De afwijzende reactie van [verzoeker] is in dat licht bezien niet onbegrijpelijk.
13. Een en ander neemt niet weg dat vanaf september 2025 ook van [verzoeker] meer inspanningen hadden mogen worden verwacht om uit de ontstane patstelling te komen. Nadat haar herhaaldelijke vragen om perspectief in eerste instantie lange tijd onbeantwoord bleven, werd de situatie vanaf september 2025 anders. De bedrijfsarts adviseerde mediation, vanuit HvA werd een nieuw team gevormd voor de verdere behandeling van het geschil en HvA werd in haar e-mail van 23 september 2025 ook concreter over hoe zij het vervolg voor zich zag. Maar dit is in het licht van de voorgeschiedenis onvoldoende om de ernstige verwijtbaarheid van HvA weg te nemen.
13. Al met al heeft HvA de gelegenheid laten passeren om het ernstige verwijt dat haar werd gemaakt in de beschikking van 30 juni 2025 te repareren. Opnieuw moet worden vastgesteld dat HvA in haar opstelling jegens [verzoeker] zodanig is tekort geschoten, dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen.
Billijke vergoeding
16. [verzoeker] heeft daarmee recht op toekenning van een billijke vergoeding ten laste van HvA (artikel 7:671c lid 2 onder b BW). Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd (Zinzia, ECLI:NL:HR:2018:878). De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
16. De kantonrechter zal voor wat betreft de situatie tot 30 juni 2025 het in de beschikking van die datum vastgestelde bedrag van € 350.000,00 bruto tot uitgangspunt nemen, onder verwijzing naar de daar opgenomen motivering.
16. De ontwikkelingen van na die beschikking geven onvoldoende aanleiding de eerder vastgestelde billijke vergoeding naar boven of beneden bij te stellen. Weliswaar wordt de einddatum in deze procedure bepaald op 1 april 2026 en heeft [verzoeker] daardoor 3 maanden langer recht op salaris, maar daar staat tegenover dat dit het gevolg is van de eigen keuze van HvA om het eerdere ontbindingsverzoek in te trekken en daarmee ook de onzekere situatie voor [verzoeker] langer te laten voortduren. Verder is duidelijk geworden dat HvA na haar intrekking lange tijd onvoldoende concrete actie heeft ondernomen en pas tot in deze procedure heeft gewacht om – kort gezegd – door haar gemaakte fouten richting [verzoeker] te erkennen, maar daar staat tegenover dat vanaf september 2025 ook van [verzoeker] meer inspanningen verwacht mochten worden om uit de ontstane patstelling te komen. De door HvA te betalen billijke vergoeding wordt daarom wederom bepaald op een bedrag van € 350.000,00 bruto.
Transitievergoeding
19. [verzoeker] heeft tevens recht op de transitievergoeding, welke bij een einddatum van 1 april 2026 wordt berekend op € 92.367,67. De daarover gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 1 mei 2026.
Overige verzoeken [verzoeker]
20. Er is geen aanleiding tot toewijzing van de gevraagde verklaring voor recht terzake vakantiedagen, - uren, (DI)-spaaruren, vakantietoeslag en dertiende maand naar rato. Van HvA mag worden verwacht dat zij als goed werkgever zorgdraagt voor een gebruikelijke eindafrekening bij het einde van het dienstverband.
20. Het verzoek tot betaling van een schadeloosstelling voor de niet door HvA in acht te nemen opzegtermijn wordt afgewezen, nu die opzegtermijn niet geldt bij een werknemersverzoek.
20. Het verzoek tot toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten komt niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien geen sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen door HvA.
Intrekkingsmogelijkheid
23. Nu aan [verzoeker] een lagere billijke vergoeding wordt toegekend dan gevraagd, wordt zij in de gelegenheid gesteld haar verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn (artikel 7:686a lid 7 BW).
Proceskosten
24. HvA wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij belast met de proceskosten als na te melden.
Het voorwaardelijk tegenverzoek
25. Het tegenverzoek van HvA is gedaan onder de voorwaarde dat [verzoeker] haar verzoek intrekt. Omdat gelet op de hierna genoemde termijn voor intrekking op dit moment nog niet bekend is of aan die voorwaarde wordt voldaan, zal de beslissing op dat tegenverzoek worden aangehouden.
25. Mocht [verzoeker] haar verzoek binnen de hierna gestelde termijn intrekken, dan zal de kantonrechter alsnog beslissen op het zelfstandig tegenverzoek van HvA. Voor het geval [verzoeker] haar ontbindingsverzoek niet intrekt binnen de daarvoor gestelde termijn, hoeft niet meer op dit tegenverzoek beslist te worden. In die situatie geldt deze beschikking als een eindbeschikking.

BESLISSING

De kantonrechter:
op het verzoek van [verzoeker]
bepaalt dat de termijn waarbinnen [verzoeker] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan (de gemachtigde van) HvA) loopt tot en met
23 februari 2026;
voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;
verklaart voor recht dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van HvA;
veroordeelt HvA tot betaling aan [verzoeker] van:
  • € 92.367,67 aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2026 tot het moment van volledige betaling;
  • een billijke vergoeding van € 350.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2026 tot het moment van volledige betaling;
veroordeelt HvA in de kosten van het geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 1.154,00 salaris gemachtigde en € 732,00 aan griffierecht;
veroordeelt HvA in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 72,00 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af;
voor het geval [verzoeker] haar verzoek wel binnen die termijn intrekt:
veroordeelt HvA in de kosten van het geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 1.154,00 salaris gemachtigde en € 732,00 aan griffierecht;
veroordeelt HvA in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 72,00 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af;
op het voorwaardelijk tegenverzoek
houdt de beslissing aan in het geval [verzoeker] haar ontbindingsverzoek binnen de onder I. genoemde termijn intrekt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.B. Cramwinckel, kantonrechter, en op 9 februari 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie rov. 4.7 – 4.11 van die beschikking.
2.4.7 verweerschrift.