ECLI:NL:RBAMS:2026:2419

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
13.089610.24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 lid 2 SrArt. 36f SvArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor poging tot zware mishandeling na vechtpartij tussen scholieren

Op 14 maart 2024 raakte verdachte betrokken bij een vechtpartij in Amsterdam waarbij hij het slachtoffer meerdere keren sloeg en schopte, wat leidde tot een breuk in het jukbeen van het slachtoffer. Verdachte handelde uit bescherming van zijn vriendin, die werd mishandeld. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor poging tot doodslag, maar wel voor poging tot zware mishandeling.

De rechtbank verwierp het beroep op noodweerexces omdat onvoldoende aannemelijk was dat verdachte in een hevige gemoedsbeweging handelde. Verdachte werd veroordeeld tot een jeugddetentie van twee dagen en een werkstraf van 40 uur, rekening houdend met zijn persoonlijke omstandigheden, het lage recidiverisico en de overschrijding van de redelijke termijn.

De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding toegekend van €2.614,- voor materiële en immateriële schade. De rechtbank matigde de door de officier van justitie gevorderde straf en hield rekening met het taakstrafverbod. De uitspraak benadrukt het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht en het belang van een toekomstgerichte aanpak voor verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 dagen jeugddetentie en 40 uur werkstraf voor poging tot zware mishandeling; vrijspraak poging tot doodslag; slachtoffer krijgt schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.089610.24
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
wonende op het adres [adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 19 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door mevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [persoon 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de benadeelde partij [slachtoffer] en haar raadsvrouw mr. S.T.M. Eijsbouts, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 14 maart 2024 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
onder feit 1:
een poging tot doodslag van [slachtoffer] ;
onder feit 2:
primair:een zware mishandeling van [slachtoffer] ;
subsidiair:een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder feit 1 en onder feit 2 subsidiair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft gerekwireerd om verdachte vrij te spreken van de zware mishandeling zoals onder feit 2 primair ten laste is gelegd. De geweldshandelingen die gepleegd zijn door verdachte staan vast. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) een trap in haar zij gegeven en daarna twee vuistslagen en een harde trap in het gezicht. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat twee vuistslagen en een harde trap in het gezicht moet worden gekwalificeerd als een poging tot doodslag, zoals onder feit 1 ten laste is gelegd. Het trappen in de zij levert volgens de officier van justitie een poging tot zware mishandeling op, nu zich in de zij verschillende belangrijke organen bevinden die ernstig beschadigd kunnen raken door een harde trap.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft bepleit verdachte vrij te spreken van feit 1, de poging tot doodslag, en feit 2 primair, het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2 subsidiair.
Gelet op jurisprudentie en de feiten en omstandigheden van het geval, komt de verdediging tot vrijspraak van de poging tot doodslag. Verdachte heeft geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van [slachtoffer] gehad. De schop van verdachte tegen het hoofd van [slachtoffer] , is vanuit een stilstaande positie en dus zonder aanloop genomen. Verdachte droeg sneakers – zachte schoenen – en was ten tijde van het handelen 15 jaar oud. Zijn kracht was daarbij dus aanzienlijk minder dan dat van een gemiddeld volwassen persoon. Ook heeft verdachte geen ervaring met het beoefenen van vechtsporten, zodat er geen extra risico bestond op het overlijden van [slachtoffer] door een geoefende trap.
De verdediging komt ook tot een vrijspraak voor het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, aangezien juridisch gezien geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel en niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte al het letsel van [slachtoffer] heeft veroorzaakt.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en
omstandigheden. Op 14 maart 2024 te Amsterdam vindt een vechtpartij plaats tussen twee scholieren, te weten het latere slachtoffer [slachtoffer] en de vriendin van verdachte [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ). Om de vechtpartij heen staan tientallen jongeren te filmen, te joelen en te juichen. Op het moment dat [slachtoffer] bovenop [persoon 3] zit en haar slaat, mengt verdachte zich in het gevecht. Hij ziet dat [persoon 3] wordt geslagen en geschopt en trapt [slachtoffer] in haar zij waardoor [slachtoffer] van [persoon 3] afgaat. Daarna geeft hij [slachtoffer] , die nog op de grond ligt, twee vuistslagen en met geschoeide voet een harde trap tegen haar gezicht. Door de trap slaat het hoofd van [slachtoffer] achterover. [slachtoffer] loopt hierdoor een breuk in haar linker jukbeen op, waarvoor zij later wordt geopereerd.
Verdachte heeft zijn handelen niet ontkend en ook wordt dit bevestigd door de aangifte en getuigenverklaringen in het dossier en de beelden die door verschillende scholieren met hun telefoons zijn gemaakt. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ingreep om het gevecht te stoppen omdat [persoon 3] volgens hem niet meer bewoog. Verdachte heeft verklaard dat hij te snel gehandeld heeft, geschrokken is van de beelden en niet de bedoeling had om [slachtoffer] pijn te doen of letsel toe te brengen.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.
4.3.2.
Poging tot doodslag (feit 1)
Voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat verdachte opzet, al dan niet voorwaardelijk, op het overlijden van het slachtoffer heeft gehad. De rechtbank stelt voorop dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet op de dood van [slachtoffer] had. Verdachte heeft niet verklaard dat het zijn bedoeling was om het slachtoffer van het leven te beroven. Hij wilde dat het gevecht stopte.
De rechtbank dient vervolgens na te gaan of bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet. Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat de aanmerkelijke kans bestond dat het slachtoffer als gevolg van het slaan en/of trappen tegen het hoofd komt te overlijden. Onder bepaalde omstandigheden kan een schop of een klap tegen het hoofd de aanmerkelijke kans opleveren dat iemand komt te overlijden. Deze omstandigheden kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in de kracht van het schoppen of slaan, de plek op het hoofd die is geraakt, het aantal rake schoppen of klappen op de kwetsbare delen van het hoofd, het soort schoenen dat de dader droeg tijdens het schoppen, alsmede de staat en de positie waarin het slachtoffer zich bevond.
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet is vast komen te staan dat het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt.
Ondanks de vaststelling dat verdachte [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen en geschopt, is de rechtbank van oordeel dat noch op grond van algemene ervaringsregels noch anderszins kan worden vastgesteld dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] . Het letsel van [slachtoffer] is relatief beperkt gebleven en er ontbreekt een nadere letselverklaring en/of een rapportage van een deskundige waaruit de rechtbank zou kunnen afleiden dat het slaan en/of schoppen in dit concrete geval tot de dood had kunnen leiden. Dit betekent dat het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] niet kan worden bewezen en dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag.
4.3.3. (
Poging tot) zware mishandeling (feit 2)
De rechtbank is – net als de officier van justitie en de raadsman van verdachte – van oordeel dat de geweldshandelingen van verdachte niet te kwalificeren zijn als het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte letsel, te weten een
zygoma fractuur links met geringe dislocatie ter plaatse van de sutura frontozygomaticus,als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Dit betekent dat niet kan worden bewezen verklaard dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer] en dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 primair tenlastegelegde.
De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd ten aanzien van de poging tot zware mishandeling, zoals onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat, door hard in de zij te trappen en met gebalde vuist te slaan en met geschoeide voet schoppen tegen het hoofd, naar algemene ervaringsregels wel een aanmerkelijke kans bestond op zwaar lichamelijk letsel en dat verdachte die kans door onder die omstandigheden zo te handelen, bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
onder feit 2 subsidiair:
op 14 maart 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- tegen de zij van voornoemde [slachtoffer] heeft getrapt en
- meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen en
- met kracht met geschoeide voet tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft getrapt,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.Strafbaarheid van verdachte

8.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een beroep gedaan op extensief noodweerexces. De verdachte heeft geweld gepleegd ter verdediging van [persoon 3] en heeft daarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden als gevolg van een door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij, op het moment dat hij zich mengde in het gevecht, gechoqueerd was, omdat niemand [persoon 3] hielp. Verdachte voelde veel onrecht en angst. Hij handelde aldus in een hevige gemoedsbeweging en heeft daardoor niet proportioneel gehandeld. De raadsman heeft er voorts op gewezen dat in het verhoor van verdachte vooral geconcentreerd is op het feitelijk handelen van verdachte en niet op zijn gevoel. Bovendien ervaart verdachte zelf het spreken over zijn emoties onder alle omstandigheden als bijzonder ingewikkeld.
8.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op noodweerexces dient te worden verworpen, nu niet is gebleken van een hevige gemoedsbeweging bij verdachte. Het handelen in shock is daarvoor onvoldoende.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank.
Van een geslaagd beroep op noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is sprake indien aannemelijk is geworden dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden als gevolg van een door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding veroorzaakte hevige gemoedsbeweging.
Van extensief noodweerexces is sprake indien er op het tijdstip van de verweten gedraging weliswaar geen noodzaak tot verdediging meer bestond, maar de gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg was van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgegane wederrechtelijke aanranding. Uit het wettelijk vereiste dat de gedraging het ‘onmiddellijk gevolg’ moet zijn van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door een wederrechtelijke aanranding, volgt op grond van vaste rechtspraak dat het aannemelijk moet zijn dat de veroorzaakte gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de verweten gedraging.
De rechtbank overweegt als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij zich mengde in het gevecht omdat hij bang was dat er iets ergs met [persoon 3] zou gebeuren. Hij was gechoqueerd. Verdachte heeft verder geen inzicht gegeven in zijn emoties op dat moment. De rechtbank kan op basis van de summiere verklaring van verdachte over zijn emoties en beweegredenen, niet vaststellen of verdachte mogelijk in een hevige gemoedsbeweging verkeerde. Ook hetgeen verder geverbaliseerd is biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd waarom de angst van verdachte concreet heeft geleid tot een zo hevige gemoedsbeweging dat de bewezenverklaarde gedragingen daarvan het onmiddellijke gevolg waren. Het beroep op extensief noodweerexces kan daarom niet slagen.
De rechtbank concludeert dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 2 dagen, met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van 150 uren, waarvan 75 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht rekening te houden met de grote gevolgen die de nasleep van het incident heeft gehad voor het leven van verdachte en zijn gezin. Voorts is verzocht in strafmatigende zin rekening te houden met meewerkende houding van de verdachte onder uitdagende omstandigheden en het erg lage recidiverisico. Het doel van het pedagogisch ingestoken jeugdstrafrecht is naar het oordeel van de verdediging al bereikt. De verdediging verzoekt daarom om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
9.3.1.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Hij heeft daarbij het slachtoffer meermalen geslagen en geschopt tegen het hoofd. Verdachte greep in toen hij zag dat zijn vriendin fors werd mishandeld door het latere slachtoffer. Zoals de rechter-commissaris al eerder treffend zei: het ingrijpen was goed, de wijze waarop niet. Het slachtoffer heeft als gevolg van het geweld van verdachte een breuk in haar jukbeen opgelopen en ook is een standafwijking van de kaak ontstaan. Daarnaast heeft zij boven haar oog een blijvend litteken. Naast de cosmetische gevolgen, ondervindt het slachtoffer ook psychische schade van het incident. Het slachtoffer durfde een paar weken niet naar school en heeft lange tijd veel angst ervaren. Door aldus te handelen heeft verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de psychische gesteldheid van het slachtoffer.
9.3.2.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als ‘first offender’.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapportage van JBRA van 11 februari 2026 die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is opgemaakt.
JBRA heeft in haar rapport en ter zitting naar voren gebracht dat zij adviseren om geen maatregel van Toezicht en Begeleiding op te leggen aan verdachte. JBRA schat de kans op recidive erg laag in. Verdachte heeft een lange periode in schorsing gelopen en heeft zich gedurende het gehele traject consequent aan de gestelde voorwaarden gehouden en positieve stappen gezet in zijn ontwikkeling. JBRA vindt dat extra knap van verdachte, gegeven het feit dat de periode na het delict voor verdachte en de rest van het gezin zeer ingrijpend is geweest. Hij is zelf meerdere keren slachtoffer geworden van incidenten die een reactie leken op het delict. Hij is bedreigd en mishandeld en er is een explosief voor de woning van het gezin en bij het werk van de moeder van verdachte neergelegd. Verdachte is na het incident van school gestuurd en heeft daarna lange tijd onvrijwillig niet naar school gekund. Inmiddels heeft hij behandeling gevolgd bij een psycholoog en functioneert hij goed op school. JBRA gunt het verdachte om zijn schoolgang voort te zetten, een diploma te behalen en zich te richten op een positieve toekomst. Zijn ouders kunnen hem hierin actief ondersteunen en waar nodig begrenzen.
De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen ruimte te hebben om een
adviesrapport uit te brengen en heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van JBRA.
9.3.3.
De strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat er aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in voor verdachte gunstige zin af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit met grote gevolgen voor het slachtoffer. Anderzijds houdt de rechtbank ook rekening met de ingrijpende gevolgen van het incident voor verdachte. Verdachte is meermaals slachtoffer geworden van incidenten die een reactie leken op het delict en zijn schoolperiode is daardoor voor een groot deel negatief gekleurd. De rechtbank is zich ervan bewust dat het taakstrafverbod uit artikel 77ma van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Dit houdt in dat in geval van een bewezenverklaring niet enkel een (kale) taakstraf kan worden opgelegd, tenzij ook een jeugddetentie of PIJ-maatregel wordt opgelegd. In beginsel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor een delict als het onderhavige ook passend. De rechtbank zal echter in grote mate rekening houden met de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank houdt rekening dat het feit een lange tijd geleden is gepleegd en de redelijke termijn voor afdoening van jeugdzaken is overschreden. Verdachte heeft zich in die lange schorsingsperiode meewerkend en begeleidbaar opgesteld en heeft zijn leven in positieve zin opgepakt door zich te focussen op school en zijn werk. De rechtbank zal daarom geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de duur van het voorarrest. Gelet op het zeer lage recidiverisico van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke straf niet passend is bij de persoon van verdachte. De rechtbank matigt bovendien de werkstraf zoals die door de officier van justitie is gevorderd, gezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De rechtbank gaat, gelet op de ernst van het feit, voorbij aan het verzoek van de verdediging tot schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Ook binnen het pedagogische karakter van het jeugdstrafrecht, bestaat het strafdoel van vergelding. De rechtbank legt een werkstraf op voor de duur van 40 uur, zodat verdachte kan afrekenen met de gevolgen van zijn handelen en zijn blik volledig op de toekomst kan richten.

10.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer]vordert € 114,- aan materiële schadevergoeding en
€ 5.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitieheeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.
De raadsman van verdachteheeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. Niet is vast te stellen welk letsel door verdachte is veroorzaakt. Voorts is de schade mede een gevolg van een omstandigheid die ook deels aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. De raadsman heeft subsidiair verzocht de vordering te matigen.
De rechtbankoverweegt als volgt.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks
materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft ten gevolge van het geweld van verdachte ernstige verwondingen aan het gezicht opgelopen, waaronder een jukbeenfractuur waarvoor een operatieve behandeling noodzakelijk was. De benadeelde partij is hiervoor drie dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Op basis van de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding wordt voor elke ziekenhuisopname een vergoeding van € 38,- toegekend. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 114,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
Voorts staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks
immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen en de benadeelde partij op een andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft als gevolg van het handelen van verdachte een blijvend litteken boven het ooglid overgehouden. Daarnaast is er een standafwijking van de kaak ontstaan. De benadeelde partij durfde de eerste maanden na het incident niet naar de supermarkt, kwam niet meer buiten, voelde zich niet lekker en zonderde zich sociaal volledig af. Gelet op de cosmetische en psychische gevolgen en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,-.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling
aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering aan
verdachte opgelegd.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12.Beslissing

Verklaart het onder feit 1 en onder feit 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het onder feit 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 2 (twee) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit
een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren.
Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen.
Wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot € 2.614,- (zegge: tweeduizend zeshonderd veertien euro),bestaande uit € 114,- (zegge: honderd veertien euro) aan materiële schade en € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 14 maart 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer]
voor het overige niet-ontvankelijkin haar
vordering is.
Legt verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] € 2.614,- (zegge: tweeduizend zeshonderd veertien euro) te betalen, bestaande uit
€ 114,- (zegge: honderd veertien euro) aan materiële schade en € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 14 maart 2024, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.F. de Lemos Benvindo en J.W.B. Snijders Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.
[...]