ECLI:NL:RBAMS:2026:2420

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
13.390312.24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugdstrafzaak met woningoverval, diefstallen en wapenbezit; oplegging gedragsmaatregel en jeugddetentie

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte, geboren in 2008, veroordeeld voor een reeks strafbare feiten waaronder een woningoverval met geweld, meerdere diefstallen en het bezit van een imitatievuurwapen, een mes en hasj. De feiten vonden plaats tussen oktober 2024 en april 2025 in Amsterdam en Almere. Verdachte handelde samen met anderen en vertoonde recidivegedrag kort na een eerdere veroordeling.

De rechtbank oordeelde dat de vervoersfouillering rechtmatig was en verwierp het verweer van bewijsuitsluiting. De inzet van een arrestatieteam bij de aanhouding werd marginaal getoetst en als niet onbegrijpelijk beoordeeld. Verdachte heeft ADHD en een normoverschrijdende gedragsstoornis, met een hoog risico op recidive zonder behandeling.

De rechtbank legde een gedragsmaatregel voor de duur van 12 maanden op, gericht op intensieve ambulante behandeling, scholing en werk, met een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 46 dagen gelijk aan het voorarrest. Tevens werd een materiële schadevergoeding van €292,20 aan een benadeelde partij toegewezen. De rechtbank besloot de voorwaardelijke jeugddetentie uit eerdere zaken om te zetten in werkstraffen om de start van de maatregel niet te belemmeren.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot 46 dagen jeugddetentie en een gedragsmaatregel van 12 maanden met toewijzing van materiële schadevergoeding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummers: 13.390312.24 (A), 16.333888.24 (B) en 16.283680.25 (C)
Parketnummers vordering tul: 13.125320.23 en 13.289219.23
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
ingeschreven op het adres [adres 1] ,
wonende op het adres [adres 2] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 19 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B. Grünfeld en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.M. Buchel, advocaat te Zandvoort, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door
mevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), de heer [persoon 2] , namens William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
in zaak A:op 7 december 2024 te Amsterdam
-
onder feit 1:
een diefstal met geweld in vereniging van een telefoon, toebehorend aan [slachtoffer 1] ;
-
onder feit 2:
een poging tot afpersing in vereniging van een pasjeshouder en/of kluis, toebehorend aan [slachtoffer 1] ;
in zaak B:op 15 oktober 2024 te Almere
-
onder feit 1:
het voorhanden hebben van een imitatievuurwapen;
-
onder feit 2:
het dragen van een vleesmes;
-
onder feit 3:
het aanwezig hebben van 4,35 gram hasjiesj;
in zaak C:op 28 april 2025 te Almere
-
onder feit 1:
een diefstal in vereniging van drankjes, toebehorend aan [bedrijf] ;
-
onder feit 2:
een diefstal in vereniging van een portemonnee, toebehorend aan [slachtoffer 2] ;
-
onder feit 3:
een diefstal in vereniging van geld door middel van een valse sleutel, toebehorend aan [slachtoffer 2] .
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Zaak A
De officier van justitieheeft bewezenverklaring gevorderd van het onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde.
De raadsvrouw van verdachteheeft vrijspraak bepleit voor het bestanddeel ‘geweld’ ten aanzien van de onder feit 1 tenlastegelegde diefstal. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het medeplegen van verdachte niet was gericht op het geweld. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat vooraf afspraken zijn gemaakt over het toepassen van geweld. De medeverdachte heeft zelfstandig een duw gegeven toen hij werd verjaagd. Verdachte had aldus geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het gebruiken van geweld.
De rechtbankgaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 7 december 2024 om half 6 ’s ochtends komen twee jongens de woning van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) binnen. [slachtoffer 1] herkent één van de jongens direct als verdachte. [slachtoffer 1] wordt omgeduwd en valt op de grond. Vervolgens vraagt verdachte aan [slachtoffer 1] “waar is de pasjeshouder?” en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) vraagt “waar is de kluis?”. Verdachte en [medeverdachte] blijven nog enkele minuten in de woning en vertrekken daarna. De telefoon van [slachtoffer 1] wordt later die middag teruggevonden in een nabijgelegen straat. Verdachte heeft op 24 december 2024 tijdens zijn verhoor naar aanleiding van de vordering gevangenhouding verklaard dat de telefoon is meegenomen en dat hij deze later in een fietsenrek heeft gegooid. Op basis van de tweede verklaring van [slachtoffer 1] van 8 december 2024 staat voor de rechtbank vast dat [medeverdachte] degene is geweest die [slachtoffer 1] geduwd heeft. Dat wordt ook bevestigd door het tapgesprek tussen verdachte en zijn moeder, waarin verdachte zegt dat [slachtoffer 1] heeft geduwd.
Verdachte heeft bekend dat hij die ochtend [slachtoffer 1] heeft beroofd in zijn woning. Hij had geld nodig en ontkent dat hij van te voren wist dat [medeverdachte] geweld zou gaan gebruiken.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het handelen van [medeverdachte] ook aan verdachte kan worden toegerekend. De rechtbank stelt daarbij voorop dat voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de bijdrage van verdachte aan het delict van voldoende gewicht is.
De rechtbank oordeelt dat uit de uiterlijke verschijningsvorm volgt dat ook verdachte voorwaardelijke opzet had op het gebruik van geweld tijdens de woningoverval en de poging tot afpersing. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte met zijn medeverdachte op een zeer vroeg tijdstip, wanneer bewoners gewoonlijk slapen, naar de woning is gegaan om een kluis leeg te halen, waarbij verdachte gezichtsbedekking droeg. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dat plan heeft gemaakt. De rechtbank oordeelt dat hij onder die omstandigheden ook de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het tot een confrontatie zou komen en dat er daarbij geweld zou worden gebruikt. Het is immers reëel om te verwachten dat [slachtoffer 1] zich in enige vorm zou verzetten tegen de woningoverval en dat geweld zou moeten worden gebruikt tegen dat verzet. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering van het geweld, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (de eendaadse samenloop van) het medeplegen van diefstal vergezeld van geweld (feit 1) en een poging tot afpersing (feit 2).
4.2.
Zaak B
De officier van justitieheeft bewezenverklaring gevorderd van het onder feit 1, onder feit 2 en onder feit 3 tenlastegelegde.
De raadsvrouw van verdachteheeft vrijspraak bepleit voor de drie feiten zoals deze in zaak B ten laste zijn gelegd. Zij stelt zich op het standpunt dat de fouillering, waarbij een imitatievuurwapen, een vleesmes en 4,35 gram hasjiesj bij verdachte is aangetroffen, niet rechtmatig was. In het dossier staan tegenstrijdige verklaringen van verbalisanten over waarom het noodzakelijk werd bevonden om verdachte te fouilleren en op welke grondslag de fouillering is uitgevoerd. Er is sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het belang van het geschonden voorschrift betreft bescherming tegen willekeurige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Het verzuim is ernstig aangezien geen objectieve verdenking bestond en het een minderjarige betreft die op dat moment niets verkeerd had gedaan. Er is ook sprake van nadeel; het werkt stigmatiserend en levert angst op als een minderjarige zonder aanleiding in het openbaar wordt gefouilleerd. Daarnaast heeft deze registratie uiteindelijk geleid tot het inzetten van het arrestatieteam op verdachte in een andere strafzaak. Ook dat is een groot nadeel. De raadsvrouw stelt dat het rechtsgevolg wat hieraan moet worden verbonden bewijsuitsluiting is van de aangetroffen goederen en de verklaring van verdachte in het daarop volgende verhoor.
De rechtbankgaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 15 oktober 2024 is de politie ter plaatse bij een incident. Zij treffen verdachte met een vriend aan en controleren hun identiteit. Daarna mogen de twee jongens hun weg vervolgen. In het politiesysteem zien verbalisanten dan dat de twee jongens minderjarig zijn en hierop besluiten zij de jongens terug naar huis te brengen om hen over te dragen aan hun ouders. Ook ziet verbalisant [persoon 3] in het politiesysteem dat verdachte diverse straatroven op zijn naam heeft en staat aangemerkt als “Top X”. Verbalisant [persoon 3] vermoedt door deze antecedenten dat verdachte mogelijk een wapen bij zich draagt. Hierop besluit de politie om bij verdachte een vervoersfouillering toe te passen. Tijdens deze fouillering worden het imitatiewapen, het vleesmes en 4,35 gram hasjiesj bij verdachte aangetroffen.
De rechtbank oordeelt dat, gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, de fouillering rechtmatig was. De hierover opgemaakte processen-verbaal bevatten geen noemenswaardige tegenstrijdigheden. De rechtbank stelt vast dat de verbalisanten verdachte hebben onderworpen aan een – zoals in het proces-verbaal van bevindingen ook is beschreven – vervoersfouillering. Deze vervoersfouillering is neergelegd in artikel 7, vierde lid, van de Politiewet. Deze wet geeft de politie de bevoegdheid om een te vervoeren persoon aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of anderen kunnen vormen. Dat gevaar moet blijken uit objectiveerbare feiten en omstandigheden. Het hebben van een gewelddadige antecenten is naar het oordeel van de rechtbank daarvoor toereikend. Nu de verdachte in de politiebus zou worden vervoerd naar huis, mocht de verbalisant, naar het oordeel van het de rechtbank, tot een onderzoek aan diens kleding en tas overgaan.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verbalisanten in de rechtmatige uitoefening van hun bediening hebben gehandeld bij het fouilleren van de verdachte. Er is dus geen sprake van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer van de raadsvrouw strekkende tot bewijsuitsluiting wordt daarom verworpen.
De rechtbank acht aldus bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals ten laste gelegd in zaak B.
4.3.
Zaak C
De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, omdat verdachte de feiten heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
in zaak A
onder feit 1:
op 7 december 2024 te [plaats], uit een woning ( [adres 3] ), tezamen en in vereniging met een ander, een telefoon die aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- zich met de huissleutel de toegang tot de woning van voornoemde [slachtoffer 1] te verschaffen en
- voornoemde [slachtoffer 1] omver te duwen en
- voornoemde [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: “waar is je pasjeshouder?” en “waar is de kluis?” en
- de telefoon van voornoemde [slachtoffer 1] vervolgens weg te nemen;
onder feit 2:
op 7 december 2024 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van zijn pasjeshouder en kluis, althans de inhoud van die kluis, die aan die [slachtoffer 1] toebehoorden
- voornoemde [slachtoffer 1] heeft geduwd en
- voornoemde [slachtoffer 1] heeft gevraagd naar zijn pasjeshouder en kluis,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
in zaak B
onder feit 1:
op 15 oktober 2024 te Almere, een wapen van categorie I onder 7°, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, te weten een imitatievuurwapen, heeft gedragen en voorhanden heeft gehad;
onder feit 2:
op 15 oktober 2024 te Almere, een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een vleesmes, zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen, heeft gedragen;
onder feit 3:
op 15 oktober 2024 te Almere, aanwezig heeft gehad ongeveer 4,35 gram hasjiesj, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
in zaak C
onder feit 1:
op 28 april 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, drankjes die aan [bedrijf] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
onder feit 2:
op 28 april 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, een portemonnee die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
onder feit 3:
op 28 april 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen, meerdere geldbedragen die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door met een gestolen creditcard te pinnen;

6.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straf en maatregel

9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A, B en C bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 134 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast vordert de officier van justitie de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (hierna: GBM) voor de duur van 12 maanden met ook daaraan verbonden de voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de bijzondere voorwaarden en het programma van de GBM dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht verdachte niet terug te sturen naar de jeugdgevangenis en in strafmatigende zin rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, de moeilijkheden en tegenslagen die hij al in zijn leven heeft gehad en de schending van de redelijke termijn in jeugdzaken.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat in zaak A sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte op 15-jarige leeftijd door een Aanhoudings- en Ondersteuningsteam (hierna: AOT) buiten heterdaad is aangehouden in een winkelomgeving, zonder concrete aanwijzingen voor direct levensgevaar. Verdachte is tegen de grond gewerkt en werd geblinddoekt afgevoerd. De blinddoek werd pas in de cel verwijderd. Dat is een vergaande inbreuk op de persoonlijke integriteit en menselijke waardigheid. Het handelen door het AOT is niet proportioneel en behoorde op een minder ingrijpende wijze plaats te vinden. Het nadeel is evident: verdachte en zijn gezin hebben de aanhouding als traumatisch ervaren. De verdediging heeft aangevoerd dat die vormfout dient te worden gecompenseerd met strafvermindering.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
9.3.1.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een reeks diefstallen. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] samen met een ander vroeg in de ochtend in zijn woning overvallen en daarbij geweld gebruikt. Daarmee heeft verdachte een ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 1] gemaakt, temeer nu een woning bij uitstek de plek is waar iemand zich veilig moet kunnen voelen. [slachtoffer 1] was bovendien een bekende van verdachte. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal van een portemonnee uit een personeelsruimte van een ziekenhuis en heeft verdachte naderhand met geld afkomstig van de creditcard uit de gestolen portemonnee spelletjes gespeeld in een gamehal. Verdachte heeft bij het plegen van deze feiten alleen oog gehad voor zijn eigen gewin en op geen enkele manier rekening gehouden met de nare gevolgen voor de slachtoffers. In de gestolen portemonnee bevonden zich onder andere ook een rijbewijs, ID-kaart, OV-kaart, twee ING-pinpassen en drie collegekaarten van [slachtoffer 2] . Het brengt voor de eigenaar veel overlast en de nodige kosten met zich mee om gestolen kaarten en passen te blokkeren en te vernieuwen.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een imitatievuurwapen en een mes. Tegen het bezit van wapens moet fors worden opgetreden. Ook imitatievuurwapens vormen een gevaar, omdat zij nauwelijks te onderscheiden zijn van echte vuurwapens. Zij worden dan ook niet zelden gebruikt om gewapende overvallen mee te plegen of personen mee te bedreigen. Het ongecontroleerd bezit van dergelijke (nep)wapens leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
9.3.2.
De inzet van het AOT
Ten aanzien van het gestelde vormverzuim bij de aanhouding in zaak A overweegt de rechtbank als volgt. Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de dienstdoende rechercheofficier van justitie te Amsterdam, daartoe gemachtigd door de hoofdofficier van justitie, de inzet van het AOT van de Dienst Speciale Interventies heeft goedgekeurd. De rechercheofficier oordeelde – zoals geverbaliseerd in het proces-verbaal van aanhouding – dat de inzet van het AOT noodzakelijk was omdat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat er zich bij de aanhouding van verdachte levensbedreigende omstandigheden tegen de met aanhouding belaste politieambtenaren of anderen konden voordoen.
De wijze waarop een aanhouding plaatsvindt, is in beginsel niet onderhevig aan toetsing door de rechter. Dit is slechts anders bij zeer uitzonderlijke omstandigheden. Uit het dossier volgt dat het daartoe bevoegde gezag toestemming heeft verleend voor de inzet van het AOT op een wijze zoals voorgeschreven door de procedure van het Openbaar Ministerie. De rechtbank kan het besluit tot toestemming, gelet op het bovenstaande, slechts marginaal toetsen. De rechtbank acht de beslissing van de rechercheofficier niet onbegrijpelijk, gelet op de aard van de verdenking tegen de verdachte. Niet zelden blijken verdachten van dergelijke feiten gewelddadig te zijn dan wel te beschikken over wapens. In de kern komt het neer op een risico-taxatie die is opgedragen aan de hoofdofficier van justitie of een door hem of haar aangewezen officier van justitie. De rechtbank concludeert dat van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geen sprake is. Dat neemt niet weg dat zonder meer kan worden aangenomen dat een aanhouding met inzet van een arrestatieteam een bijzonder grote impact heeft op de personen die daaraan zijn onderworpen. De rechtbank laat deze omstandigheid in beperkte mate meewegen in strafmatigende zin.
9.3.3.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 december 2025, waaruit blijkt dat verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit het strafblad blijkt dat verdachte ten tijde van onderhavige feiten nog in een proeftijd van een eerdere veroordeling liep. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden om wederom een strafbaar feit te plegen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
  • het Multidisciplinair Pro Justitia rapport van 3 juni 2025, opgemaakt door mw. [persoon 4] , GZ-psycholoog en mw. [persoon 5] , kinder- en jeugdpsychiater;
  • het rapport van de Raad van 13 februari 2026.
Uit het rapport van
de psychiater en de psycholoogkan het volgende worden geconcludeerd. Bij verdachte is sprake van ADHD van het gecombineerde type, een normoverschrijdend-gedragsstoornis en een ouder-kindprobleem. Tevens is er sprake van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale en narcistische kenmerken. Er kan verondersteld worden dat de ADHD en de normoverschrijdend-gedragsstoornis van invloed zijn geweest op de gedragingen en keuzes van verdachte tijdens de tenlastegelegde feiten. Desalniettemin wordt gedacht dat verdachte voldoende weet heeft gehad van de ontoelaatbaarheid van zijn handelen en had hij keuzevrijheid om tot andere keuzes te komen. Derhalve zijn er geen gedragskundige gronden om te adviseren tot een verminderde mate van toerekenen van de tenlastegelegde feiten. Er is sprake van een hoog risico voor toekomstig (agressief) grensoverschrijdend gedrag, indien onbehandeld. Verdachte heeft weinig tot geen inzicht in zijn eigen problematiek en is derhalve onvoldoende gemotiveerd voor behandeling. Gelet op de duur van de behandeling, samenhangend met het niveau van functioneren van verdachte, is de verwachting dat een dergelijke behandeling met vallen en opstaan zal verlopen. Een GBM voor de duur van 12 maanden zou een passend juridisch kader zijn om de intensieve, langdurende, ambulante behandeling te waarborgen.
De rechtbank neemt de voorgaande conclusies van de psycholoog en psychiater over en maakt deze tot de hare.
In haar rapport en ter zitting heeft
de Raadtoegelicht dat er sinds de afronding van voornoemd multidisciplinair onderzoek veel ontwikkelingen in het leven van verdachte zijn geweest. Verdachte heeft recent vijf maanden in Duitsland in detentie gezeten. Tot op heden heeft hij daarom nog niet kunnen profiteren van behandeling, zoals bij De Waag, waar hij in het kader van zijn schorsing aan moest meewerken. In december 2025 is verdachte teruggekeerd naar Nederland en is hij weer bij zijn moeder gaan wonen. Daar ging het vrij snel mis. Verdachte woont inmiddels bij [wooninstelling] in [plaats]. Tot voor kort had verdachte nog geen dagbesteding in de vorm van school of werk maar sinds 10 februari 2026 is hij gestart met een loodgietersopleiding, waar hij een groot deel van zijn tijd mee zal kunnen vullen. Ook heeft hij een zeer goede band met zijn Credible Messenger coach, die goed tot hem door kan dringen en hem steun kan bieden die hij vanuit zijn netwerk mist. De Raad heeft overwogen om een voorwaardelijke PIJ-maatregel te adviseren, maar vindt dat nu nog te zwaar gezien de verdenkingen en het psychiatrisch beeld dat daaraan ten grondslag ligt. De Raad acht daarom een GBM voor de duur van 12 maanden passend. Binnen de GBM is het belangrijk dat verdachte naar school en/of stage gaat en een bijbaan heeft voor voldoende inkomsten. Behandeling bij De Waag of een soortgelijke instantie is essentieel voor verdachte om meer grip te krijgen op zijn gedrag.
WSSheeft ter zitting naar voren gebracht dat verdachte zelf ook graag strakke kaders wil. WSS hoopt dat verdachte beseft dat het strakke kader, zoals dat nu wordt gevraagd binnen een GBM, inhoudt dat verdachte zich houdt en blijft houden aan de regels die gelden bij [wooninstelling] .
9.3.4.
De strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst en de veelvuldigheid van de strafbare feiten en de voorafgegane veroordelingen, oplegging van een GBM passend en geboden is. Ook acht de rechtbank de maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de eerdergenoemde rapportages en adviezen leidt de rechtbank af dat er zorgen zijn over de ontwikkeling van verdachte. Verdachte komt al drie jaar regelmatig met politie en justitie in aanraking. Gedurende die periode zijn er veel hulpverleners bij verdachte betrokken geweest en is er op verschillende manieren geprobeerd verdachte te helpen en te begeleiden. Desondanks heeft verdachte zich meermaals onttrokken aan die hulp en begeleiding. Indien er geen intensieve behandeling volgt, is het gevaar voor herhaling hoog. Omdat verdachte al langere tijd grens- en normoverschrijdend gedrag en zelfbepalend gedrag vertoont en verdachte kort na zijn vorige veroordeling en tijdens de schorsing is gerecidiveerd, verkiest de rechtbank het geadviseerde strakkere kader van de GBM boven dat van een voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Daarbij biedt de GBM de mogelijkheid van een time-out, zodat verdachte fouten mag maken en niet gelijk definitief teruggemeld zal worden. Ook kan de GBM worden verlengd. De rechtbank ziet daarom – anders dan de officier van justitie – geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie naast de GBM.
Om recidive te voorkomen dient hij in het kader van de maatregel mee te werken met de behandeling en begeleiding die hem worden opgelegd. De rechtbank neemt het programma van de GBM zoals ingevuld door de Raad over, met uitzondering van de coaching door Credible Messengers. Verdachte moet meewerken aan behandeling bij De Waag of een soortgelijke instantie, aan het vinden en volgen van scholing en aan het vinden en behouden van een (bij)baan, aan het in kaart brengen van cannabisgebruik om de invloed hiervan te beoordelen, aan het opstellen van een weekschema voor structuur in zijn leven en verblijven bij [wooninstelling] of een soortgelijke passende wooninstelling en zich houden aan de aldaar geldende huisregels. Als verdachte niet meewerkt aan (één van) deze voorwaarden loopt hij het risico om met een time-out dan wel met vervangende jeugddetentie in een Justitiële Jeugdinrichting te worden geplaatst.
De ernst van het door verdachte gepleegde feit, in combinatie met de intensiteit van de benodigde behandeling van verdachte voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling, maken dat de rechtbank een GBM oplegt voor de duur van 12 maanden. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie op die gelijk is aan zijn voorarrest. De rechtbank acht het niet opportuun om aan verdachte een langere jeugddetentie op te leggen. Verdachte moet nu aan de slag met de behandeling. Ook houdt de rechtbank rekening met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank merkt daarbij wel op dat verdachte zich moet realiseren dat naarmate hij vaker met het strafrecht in aanraking komt, de hoogte dan wel zwaarte van de straf en/of maatregel zal toenemen.
Gezien zijn problematiek en het hoge recidiverisico houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dan wel zich belastend zal gedragen. De dadelijke uitvoerbaarheid van het programma is daarnaast in het belang van verdachte. Daarom zal de rechtbank bevelen dat het programma waaruit de maatregel bestaat dadelijk uitvoerbaar is.

10.De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 2]vordert € 292,20 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitieheeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.
De raadsvrouw van verdachteheeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De benadeelde partij heeft haar vordering onvoldoende onderbouwd. Er zitten geen facturen van de daadwerkelijk gemaakte kosten bij de vordering.
De rechtbankoverweegt als volgt.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks
materiële schade is toegebracht. De portemonnee, met daarin verschillende passen, is gestolen door verdachte. Daarmee is een causaal verband vast te stellen tussen de schade en het bewezenverklaarde. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 28 april 2025.
In het belang van [slachtoffer 2] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.
De rechtbank vindt dat verdachte met de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk is.

11.De vorderingen tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevinden zich twee vorderingen tot tenuitvoerlegging na een voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam.
In de zaak met parketnummer 13.125320.23 is verdachte veroordeeld bij het onherroepelijk geworden vonnis van 18 augustus 2023 van rechtbank Amsterdam tot een werkstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen jeugddetentie, met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van de gestelde voorwaarden voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd.
In de zaak met parketnummer 13.289219.23 is verdachte veroordeeld bij het onherroepelijk geworden vonnis van 24 juni 2024 van rechtbank Noord-Holland tot een jeugddetentie voor de duur van 74 dagen, met bevel dat een deel van deze straf, 30 dagen, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van de gestelde voorwaarden voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd.
De aktes van kennisgeving van deze voorwaardelijke veroordelingen, zoals bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, zijn aan verdachte uitgereikt.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijden niet aan de voor hem geldende voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank ziet hierin aanleiding om tenuitvoerlegging te gelasten van de hiervoor genoemde voorwaardelijk opgelegde straffen.
De rechtbank oordeelt dat het niet wenselijk is om verdachte op dit moment terug te sturen naar een JJI. De rechtbank zal daarom de ten uitvoer te leggen voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van parketnummer 13.289219.23 omzetten naar een werkstraf voor de duur van 30 uren. De rechtbank hanteert daarbij de maatstaf van 1 (één) uur per dag. Het hanteren van een maatstaf van 2 (twee) uur per dag, zou inhouden dat verdachte een substantiële werkstraf moet voldoen van in totaal 210 uur (150 plus 60 uur). Gegeven het belang dat verdachte zo spoedig mogelijk met het programma van de maatregel start en zich daar zoveel mogelijk voor kan inzetten, acht de rechtbank een werkstraf van 210 uur niet opportuun.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wa, 77wc, 77aa, 77gg, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 13, 27, 54 en 55 van de Wet wapens en munitie en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13.13. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
in zaak A
De eendaadse samenloop van:
ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
in zaak B
ten aanzien van het onder feit 1 bewezen verklaarde:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van het onder feit 2 bewezen verklaarde:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
in zaak C
ten aanzien van het onder feit 1 en onder feit 2 bewezen verklaarde:
telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen;
ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 46 (zesenveertig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt aan de verdachte op de
maatregel betreffende het gedrag van de jeugdigevoor de duur van
12 (twaalf) maanden, die bestaat uit:
  • behandeling bij de Waag of een soortgelijke instantie, gericht op psycho-educatie en behandeling van de gestelde diagnoses, delictanalyse, aanpak voor agressieregulatie en bespreken van ADHD-medicatie;
  • het vinden en volgen van scholing en het vinden en behouden van een (bij)baan met behulp van een jobcoach;
  • het in kaart brengen van verdachtes cannabisgebruik om de invloed hiervan te beoordelen en interventie hier op indien nodig geacht;
  • verblijft bij [wooninstelling] of een soortgelijke passende wooninstelling en zich houdt aan de aldaar geldende huisregels;
  • het opstellen van een weekschema voor structuur in het leven van verdachte.
De William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, heeft tot taak de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de maatregel.
Beveelt, voor het geval de verdachte niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel heeft meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 maanden.
Beveelt dat het programma waaruit de maatregel bestaat,
dadelijk uitvoerbaaris.
Wijst de vordering van [slachtoffer 2] geheel toe tot € 292,20(zegge: tweehonderd tweeënnegentig euro en twintig cent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 28 april 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander/anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] € 292,20 (zegge: tweehonderd tweeënnegentig euro en twintig cent) te betalen aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 28 april 2025, tot aan de dag van de algehele voldoening. Behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander/anderen is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voornoemd vonnis van 18 augustus 2023, gewezen onder parketnummer 13.125320.23, zijnde
een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) urensubsidiair 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij voornoemd vonnis van 24 juni 2024, gewezen onder parketnummer 13.289219.23, waarbij die jeugddetentie wordt omgezet in
een werkstraf voor de duur van 30 (dertig) urensubsidiair 15 (vijftien) dagen jeugddetentie. De rechtbank hanteert daarbij een maatstaf van 1 (één) uur per dag.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.F. de Lemos Benvindo en J.W.B. Snijders Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.
[...]