ECLI:NL:RBAMS:2026:2421

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
13.286532.24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling jeugdige voor ernstige gevaarzetting in verkeer en pogingen tot zware mishandeling politieagenten

Op 6 september 2024 reed de verdachte zonder rijbewijs met hoge snelheid door Amsterdam, negeerde stoptekens en rode verkeerslichten, en veroorzaakte gevaarlijke situaties voor andere weggebruikers en politieagenten. Tijdens een achtervolging ramde hij twee politievoertuigen en vernielde meerdere auto's, waaronder zijn eigen gestolen voertuig.

De rechtbank sprak verdachte vrij van poging tot doodslag wegens gebrek aan opzet, maar achtte bewezen dat hij twee pogingen tot zware mishandeling pleegde door met opzet met hoge snelheid politievoertuigen te rammen. Daarnaast werd bewezenverklaard dat hij ernstige verkeersovertredingen beging en voertuigen vernielde.

De officier van justitie eiste een jeugddetentie van 4 dagen en een werkstraf van 120 uur, met een voorwaardelijke rijontzegging van 6 maanden. De verdediging vroeg om een lichtere straf en een voorwaardelijke rijontzegging om werk en stage te kunnen voortzetten. De rechtbank legde een straf op die aansluit bij de ernst van de feiten en de positieve gedragsontwikkeling van verdachte, met een gedeeltelijk voorwaardelijke werkstraf en een voorwaardelijke rijontzegging.

De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing en ontbrekende volmacht. De rechtbank wees de vorderingen toe aan de burgerlijke rechter.

De uitspraak werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam op 5 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot jeugddetentie, werkstraf en voorwaardelijke rijontzegging voor ernstige gevaarzetting, pogingen tot zware mishandeling en vernieling; vrijspraak van poging tot doodslag.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Team Familie & Jeugd
Parketnummer: 13.286532.24
Parketnummer vordering tul: 13.091716.22
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
wonende op het adres [adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek achter gesloten deuren op de terechtzitting van 19 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.D. Braber en van wat verdachte en zijn raadvrouw mr. B.M.A. Kersten, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door
mevrouw [persoon 1] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), mevrouw [persoon 2] , namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op of omstreeks 6 september 2024 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
onder feit 1:
primair:het opzettelijk zich zodanig in het verkeer gedragen dat verkeersregels in ernstige mate zijn geschonden, waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was in de zin van artikel 5a Wegenverkeerswet 1994;
subsidiair: het zich zodanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd in de zin van artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994;
onder feit 2:
impliciet primair:een poging tot doodslag van politieagenten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
impliciet subsidiair:een poging tot zware mishandeling van politieagenten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
onder feit 3:
impliciet primair:een poging tot doodslag van politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ;
impliciet subsidiair:een poging tot zware mishandeling van politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] ;
onder feit 4:
vernieling van dienstvoertuigen, toebehorend aan de Nationale Politie;
onder feit 5:
vernieling van een personenauto, toebehorend aan de [slachtoffer 5] .
De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Inleiding
Verdachte wordt onder feit 1 verweten met zijn rijgedrag de verkeersregels in ernstige mate te hebben overtreden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Daar is het volgende aan ten grondslag gelegd. Op 6 september 2024 ontvangen de politieagenten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een melding dat een gestolen voertuig is gesignaleerd. Ter plaatse zien zij verdachte in een zwarte Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] rijden. De agenten geven hem een stopteken, verdachte negeert dit en rijdt met hoge snelheid weg. De agenten zetten hierop de achtervolging in. Daarna volgt een aaneenschakeling van verkeersgevaarlijke gedragingen. Verdachte rijdt meermaals door rood en over verkeerde rijstroken, trambanen, een trottoir en een fietspad. Hij overschrijdt daarbij gedurende bijna de hele rit de maximum snelheid in forse mate. De politie zet meerdere politievoertuigen in om verdachte te doen stoppen. Tijdens de achtervolging komt verdachte tweemaal in aanrijding met twee politievoertuigen, te weten de [nummer 1] met daarin politieagenten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de [nummer 2] met daarin politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Verdachte wordt onder feit 2 verweten dat hij op enig moment met harde snelheid bewust naar links stuurde toen de [nummer 1] langs hem wilde rijden. Verdachte wordt onder feit 3 verweten dat hij wederom met harde snelheid de [nummer 2] ramde toen de [nummer 2] voor hem remde en hem blokkeerde om hem tot stoppen te manen. Onder feit 4 wordt verdachte verweten twee politievoertuigen te hebben vernield. Onder feit 5 tenslotte, wordt verdachte verweten de personenauto, waarin hij reed, te hebben vernield.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in een stressreactie en door het hoge adrenaline gehalte in zijn lichaam is weggereden, omdat hij niet weer aangehouden wilde worden door de politie. Verdachte was namelijk drie weken eerder aangehouden toen hij zonder rijbewijs in de auto van zijn stiefvader reed. Verdachte had maar één doel, het uit handen blijven van de politie. Verdachte ontkent dat hij de politievoertuigen heeft aangereden of met het voertuig een beweging naar de politievoertuigen heeft gemaakt.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder feit 1 primair tenlastegelegde. Verdachte heeft opzettelijk verschillende verkeersregels in ernstige mate geschonden. De officier van justitie heeft gerekwireerd om verdachte vrij te spreken van de twee pogingen tot doodslag zoals dat primair onder de feiten 2 en 3 ten laste is gelegd. De officier van justitie stelt dat het handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden als twee pogingen tot zware mishandeling, zoals dat onder de feiten 2 en 3 impliciet subsidiair ten laste is gelegd. Tot slot acht de officier van justitie bewezen dat verdachte twee politievoertuigen en de personenauto waarin hij zelf reed, heeft vernield.
4.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit verdachte vrij te spreken van de twee pogingen tot doodslag en ook van de twee pogingen tot zware mishandeling zoals deze onder feit 2 en feit 3 ten laste zijn gelegd. Uit het dossier blijkt niet hoe groot de kans was dat verbalisanten ten gevolge van de botsingen zouden komen te overlijden of zwaar letsel zouden oplopen en ook blijkt niet dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop heeft aanvaard. Daaropvolgend verzoekt de raadsvrouw om partiële vrijspraak van het verwijt onder feit 1, wat betreft de gedachtestreepjes 7 en 9. De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 voor het overige en ook ten aanzien van feit 4 en feit 5.
4.4.
Het oordeel van de rechtbank
4.4.1.
Poging tot doodslag, dan wel poging tot zware mishandeling (feit 2 en 3)
De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast. Uit het dossier blijkt dat de politieagenten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op enig moment zich met hun dienstvoertuig met nummer [nummer 2] hebben aangesloten bij de achtervolging van verdachte. Zij zagen dat verdachte op de Piet Heinkade kortstondig zijn snelheid omlaag bracht naar een geschatte snelheid van 50 kilometer per uur. Deze verbalisanten zagen dat hun collega’s, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun dienstvoertuig met nummer [nummer 1] , de auto van verdachte voorbij reden en poogden deze vanaf de voorzijde tot stoppen te dwingen. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zagen vervolgens dat verdachte hard naar links stuurde tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan.
Daarna zagen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dat verdachte weer fors versnelde naar een geschatte snelheid tussen de 100 en 120 kilometer per uur. Verdachte sloeg vervolgens linksaf de Piet Heintunnel in. Daar hebben [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zijn auto gepasseerd waarna zij voor verdachte zijn gaan rijden en hem een stopteken hebben gegeven middels het stoptransparant aan de achterzijde van het dienstvoertuig. Toen verdachte daar niet op reageerde, heeft agent [slachtoffer 3] een remming gedaan middels een aangeleerde tactiek. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voelden vervolgens een schok toen het dienstvoertuig van achteren werd geramd. Verdachte probeerde daarna rechts om het dienstvoertuig heen te rijden, hetgeen de politieagenten hebben verhinderd door naar rechts te sturen en de remming van hun dienstvoertuig door te zetten. [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voelden vervolgens dat verdachte hen opnieuw ramde en vervolgens tegen de rechterzijde van de tunnelwand reed, waarna verdachtes voertuig tot stilstand kwam.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van een poging tot doodslag ten aanzien van de vier politieagenten.
Met de officier van justitie en de raadsvrouw, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het doden van de vier politieagenten. Dit betekent dat vrijspraak volgt van het onder feit 2 en 3 impliciet primair tenlastegelegde.
De rechtbank dient vervolgens na te gaan of sprake is van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ten aanzien van de vier politieagenten.
De rechtbank stelt voorop dat om te komen tot een bewezenverklaring van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, allereerst moet worden beoordeeld of de handelingen van verdachte een kans op zwaar lichamelijk letsel kunnen opleveren. Die vraag dient naar het oordeel van de rechtbank bevestigend te worden beantwoord. Naar algemene ervaringsregels heeft immers te gelden dat de kans op zwaar lichamelijk letsel voor inzittenden van een personenauto aanmerkelijk is bij aanrijdingen met een andere personenauto, indien dat met enige snelheid gepaard gaat.
Op basis van de processen-verbaal van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] stelt de rechtbank vast dat verdachte in zijn vlucht vlak voor de Piet Heintunnel met flinke snelheid naar links heeft gestuurd toen de [nummer 1] langs hem wilde rijden. Ook stelt de rechtbank op basis van diezelfde processen-verbaal vast dat verdachte in de Piet Heintunnel met flinke snelheid tegen de [nummer 2] ramde toen de [nummer 2] voor hem afremde en hem blokkeerde om hem tot stoppen te manen. In beide gevallen dient het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm te worden aangemerkt als zo zeer gericht op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat hij de aanmerkelijke kans op het intreden van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.
Kortom, de rechtbank acht op grond van het voorgaande bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee pogingen tot zware mishandeling, zoals dat onder feit 2 en 3 impliciet subsidiair ten laste is gelegd.
4.4.2.
Feiten 1, 4 en 5
Nu de rechtbank bewezen acht dat verdachte een stuurbeweging naar links heeft gemaakt en daarmee tegen het voertuig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is aangereden én de rechtbank bewezen acht dat verdachte tegen de achterzijde van het voertuig van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is aangereden, oordeelt de rechtbank dat ook de gedachtestreepjes 7 en 9, zoals opgenomen onder feit 1, wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan het verzoek tot partiële vrijspraak van de raadsvrouw.
De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 voor het overige alsmede voor de feiten 4 en 5 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, omdat verdachte de feiten heeft bekend en zijn verklaring steun vindt in de overige bewijsmiddelen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
onder feit 1 primair:
op 6 september 2024 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, daarmee rijdende op de weg, het Rokin en de Dam en de Damrak (Oudebrugsteeg) en het Spui en de Prins Hendrikkade en de Kattenburgerstraat en de Piet Heintunnel, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door:
- terwijl meerdere verkeersdeelnemers ter plaatse waren en
- meerdere malen geen gevolg te geven aan een stopteken dat is gegeven door een politievoertuig door middel van een transparant en optische signalen en geluidssignalen en
- meerdere malen met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, over een trambaan te rijden en
- met een hoge snelheid, het kruispunt Damrak met de Prins Hendrikkade te naderen en vervolgens geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waardoor voetgangers en fietsers aan de kant moesten springen en moesten uitwijken om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en
- ter hoogte van de IJ-tunnel geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waarna hij, verdachte, over een trottoir is gereden en vervolgens is overgestoken waarbij hij, verdachte, gebruik heeft gemaakt van een fietspad en
- met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, slalommend in de richting van de Piet Heinkade te rijden, waarbij hij, verdachte, meerdere malen op het weggedeelte dat bestemd was voor het tegemoetkomende verkeer, heeft gereden en
- een stuurbeweging naar links te maken, waarbij hij, verdachte, met zijn voertuig tegen een politievoertuig is gereden en
- ter hoogte van de Piet Heijntunnel geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, waardoor tegemoetkomend verkeer moest remmen om een aanrijding met hem, verdachte, te voorkomen en
- meerdere malen met een hoge snelheid tegen de achterzijde van een zich voor hem, verdachte, rijdend politievoertuig te rijden en waarna hij, verdachte, tegen een tunnelwand is gereden en tot stilstand is gekomen,
door welke verkeersgedragingen van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was;
onder feit 2 impliciet subsidiair:
op 6 september 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , aanwezig in de dienstauto [nummer 1] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met een snelheid van 50 kilometer per uur in een personenauto heeft gereden en
- met deze personenauto de dienstauto [nummer 1] met kracht heeft geramd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
onder feit 3 impliciet subsidiair:
op 6 september 2024 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , aanwezig in de dienstauto [nummer 2] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- met een aanzienlijk hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer te plaatse geboden, in een personenauto heeft gereden en
- met deze personenauto de dienstauto [nummer 2] met kracht heeft geramd,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
onder feit 4:
op 6 september 2024 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk dienstauto's die aan de Nationale Politie toebehoorden heeft vernield;
onder feit 5:
op 6 september 2024 te Amsterdam, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto, Volkswagen Polo met kenteken [kenteken] , die aan [slachtoffer 5] toebehoorde, heeft vernield.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9.Motivering van de straffen

9.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder feit 1, feit 2 impliciet subsidiair, feit 3 impliciet subsidiair, feit 4 en feit 5 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 4 dagen, met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door JBRA. Daarnaast vordert de officier van justitie een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte een werkstraf voor de duur van 80 uren op te leggen, waarvan een groot deel in voorwaardelijke vorm. Daarnaast wordt verzocht de op te leggen rijontzegging in geheel voorwaardelijke vorm op te leggen zodat verdachte zijn werk en stage kan voortzetten. Hij heeft zijn rijbewijs nodig om naar zijn stage en werk te kunnen komen. Tot slot verzoekt de verdediging een proeftijd van 1 jaar op leggen ter compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen
geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
9.3.1.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich op 6 september 2024, in een poging om aan de politie te ontkomen, schuldig gemaakt aan zeer gevaarlijk rijgedrag en tweemaal een poging tot zware mishandeling van vier politieagenten in functie. Verdachte reed met hoge snelheden tot 100 kilometer per uur dwars door het centrum van Amsterdam. Hij heeft daarbij stoptekens van de politie genegeerd, is meermalen door het rode verkeerslicht gereden en is met hoge snelheid over verkeerde rijstroken, trambanen, een trottoir en een fietspad gereden. Tijdens de achtervolging hebben meerdere verkeersdeelnemers een veilig heenkomen moeten zoeken om niet door verdachte te worden aangereden. Verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer op grove wijze veronachtzaamd en zich onverschillig getoond voor de veiligheid van andere weggebruikers. Het is hem extra kwalijk te nemen dat hij niet in het bezit was van een rijbewijs. Uit het handelen van de verdachte blijkt dat hij zijn eigen belang om zich aan zijn aanhouding te onttrekken, heeft laten prevaleren boven de veiligheid van andere weggebruikers, waaronder de veiligheid van de politieagenten in de uitoefening van hun functie. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan. Aan de dollemansrit van verdachte is een einde gekomen doordat de politie tegen hem aan is gereden, waarna zijn auto stil kwam te staan. Dat de gevolgen van het handelen van verdachte beperkt zijn gebleven is slechts toevallig te noemen. Door zo te handelen heeft hij levensgevaarlijke situaties gecreëerd en de veiligheid van andere verkeersdeelnemers en zichzelf ernstig in gevaar gebracht. De politievoertuigen hebben flinke schade opgelopen en ook het voertuig waar verdachte in reed, die bovendien gestolen was, is flink beschadigd.
9.3.2.
De persoon en persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 9 september 2024, waaruit blijkt dat verdachte eerder strafrechtelijk is veroordeeld, maar niet voor een soortgelijk feit. Uit het strafblad blijkt dat verdachte ten tijde van onderhavige feiten nog in een proeftijd van een eerdere veroordeling liep. Kennelijk heeft dit hem er niet van weerhouden om wederom een strafbaar feit te plegen.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de rapportage van JBRA van 29 januari 2026 die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte is opgemaakt.
JBRA heeft in haar rapport en ter zitting naar voren gebracht dat zij een prille positieve ontwikkeling zien bij verdachte. Verdachte heeft recent vijf maanden vastgezeten in Duitsland voor het plaatsen van een explosief. Na terugkomst in Nederland heeft verdachte zijn leven positief opgepakt. Verdachte werkt bij een uitzendbureau, loopt drie keer in de week stage en heeft ondersteuning van Akwaabazorg. Thuis is de relatie met zijn moeder verbeterd. JBRA adviseert om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat verdachte moet meewerken aan behandeling bij De Waag. JBRA acht die behandeling noodzakelijk om tot een blijvende gedragsverandering te komen, zodat het recidiverisico aanzienlijk vermindert. Verdachte is al aangemeld bij De Waag met als doelen het versterken van weerbaarheid, het leren omgaan met groepsdruk en tot inzicht komen op het gebied van delict gedrag en risicofactoren.
De Raad heeft voor de zitting te kennen gegeven geen ruimte te hebben om een
adviesrapport uit te brengen en heeft zich ter zitting aangesloten bij het advies van JBRA.
9.3.3.
De strafoplegging
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De rechtbank overweegt dat bij dermate ernstige feiten een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor langere duur dan verdachte al heeft vastgezeten in voorarrest in beginsel passend is. De rechtbank zal er in het voordeel van verdachte rekening mee houden dat hij zijn leven in positieve zin heeft verbeterd door zich te focussen op werk en stage. De rechtbank wil die positieve gedragsverandering – hoewel nog pril – niet doorkruisen en zal daarom aan verdachte geen hogere onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen dan de tijd van het voorarrest. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, gelet op zijn recente veroordeling in Duitsland, zoals ter terechtzitting is gebleken.
Alles afwegende zal de rechtbank niet boven de eis van de officier van justitie uitgaan en die eis grotendeels volgen. De rechtbank legt naast de jeugddetentie die verdachte al in voorarrest heeft uitgezeten, een werkstraf op voor de duur van 120 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk, te vervangen door 30 dagen vervangende jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaar, een en ander met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de JBRA in de rapportage van 29 januari 2026. Nu het opleggen van een onvoorwaardelijke rijontzegging in de weg staat van het continueren van de stage en het werk van verdachte, zal de rechtbank de rijontzegging voor de duur van zes maanden geheel voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proeftijd van een jaar, zoals door de verdediging is verzocht gezien de ernst van de feiten en de geringe overschrijding van de redelijke termijn met twee maanden. Bovendien geldt dat aan verdachte al een zekere compensatie is gegeven voor de overschrijding doordat een rijontzegging in geheel voorwaardelijke vorm wordt opgelegd.

10.De vorderingen van de benadeelde partijen

10.1.
[slachtoffer 5]
De benadeelde partij [slachtoffer 5]vordert € 1.310,31 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitieheeft het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd. De officier van justitie acht enkel de schadepost van de autohuur voldoende onderbouwd en stelt zich op het standpunt dat deze schadepost voor toewijzing vatbaar is.
De raadsvrouw van verdachteheeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Er is geen causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de gevorderde schade. Voorts bevat de vordering onvoldoende onderbouwing.
De rechtbankoverweegt als volgt. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
10.2.
Nationale Politie (Eenheid Amsterdam)
De benadeelde partij Nationale Politie (Eenheid Amsterdam)vordert € 40.319,28 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitieheeft het standpunt ingenomen dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing vatbaar is.
De raadsvrouw van verdachteheeft bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De vordering is ingediend door de heer of mevrouw [persoon 3] . Er is echter nagelaten een bewijs toe te voegen dat deze persoon bevoegd is om de Nationale Politie (Eenheid Amsterdam) in rechte te vertegenwoordigen.
De rechtbankoverweegt als volgt. In onderhavige zaak treedt de Nationale Politie (Eenheid Amsterdam) op als benadeelde partij. Zij heeft zich laten ‘vertegenwoordigen’ door [persoon 3] , die niet krachtens de wet of statuten bevoegd is tot vertegenwoordiging van de politie (Eenheid Amsterdam) en ook anderszins geen algemene procuratie heeft. Dat brengt met zich dat voor de vertegenwoordiging van de benadeelde partij door [persoon 3] een schriftelijke volmacht is vereist, waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat bijzondere volmacht wordt verleend aan [persoon 3] om de politie (Eenheid Amsterdam) als benadeelde partij in het strafproces te vertegenwoordigen en namens haar het voegingsformulier te ondertekenen. In onderhavige zaak is niet gebleken dat de indiener van het schadevergoedingsformulier gemachtigd was de benadeelde partij te vertegenwoordigen.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in haar vordering. Nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden, hetgeen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11.De tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 9 december 2025, in de zaak met parketnummer 13.091716.22, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 30 maart 2023 van de kinderrechter te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 20 uren, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens het niet nakomen van de gestelde voorwaarden voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd.
De rechtbank is – met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte – van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging.

12.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77r, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 5a en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

13.Beslissing

Verklaart het onder feit 2 impliciet primair en het onder feit 3 impliciet primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, het onder feit 2 impliciet subsidiair, het onder feit 3 impliciet subsidiair, het onder feit 4 en het onder feit 5 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde:
overtreding van artikel 5a van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van het onder feit 2 impliciet subsidiair en onder feit 3 impliciet subsidiair bewezen verklaarde:
telkens: poging tot zware mishandeling;
ten aanzien van het onder feit 4 en feit 5 bewezen verklaarde:
telkens: vernieling.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een jeugddetentie van 4 (vier) dagen.
Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit
een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 60 dagen.
Beveelt dat van deze straf een gedeelte,
groot 60 (zestig) urennietten uitvoer zal worden gelegd,tenzij later anders wordt gelast wegens het niet nakomen van na te melden voorwaarden.
Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.
Stelt de
proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaardedat verdachte:
- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaardendat verdachte:
- meewerkt aan de behandeling van De Waag;
- meewerkt aan overige hulpverlening die Jeugdbescherming Regio Amsterdam nodig acht.
Van rechtswege gelden tevens de voorwaardendat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet Pro op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdamtot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
6 (zes) maanden.
Beveelt dat deze bijkomende straf
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast. Stelt daarbij de proeftijd vast op 2 (twee) jaren.
Verklaart
[slachtoffer 5] niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Verklaart
Nationale Politie (Eenheid Amsterdam) niet-ontvankelijkin zijn vordering.
Verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin haar vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 13.091716.22.
Heft ophet geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.M. Nusselder, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. C.F. de Lemos Benvindo en J.W.B. Snijders Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Pattiasina, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.
[...]