ECLI:NL:RBAMS:2026:2451

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
13/102300-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen afpersing en diefstal met geweld in hotelkamer te Amsterdam

Op 18 december 2024 drongen verdachte en een medeverdachte via een nooddeur een hotelkamer in Amsterdam binnen waar zij met geweld en een vuurwapengelijkend voorwerp [slachtoffer 1] dwongen geld af te geven en goederen te overhandigen. De rechtbank achtte de aangifte van het slachtoffer betrouwbaar, ondersteund door camerabeelden, letselverklaringen en getuigenverklaringen.

Verdachte en medeverdachte namen onder geweld een Louis Vuitton-tas, een iPhone, een bankpas en andere persoonlijke eigendommen mee. Verdachte werd medepleger geacht vanwege de nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte. De rechtbank verwierp het verweer van de verdediging dat er geen sprake was van medeplegen en dat de verklaringen tegenstrijdig waren.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, inclusief bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling. Daarnaast werd verdachte hoofdelijk veroordeeld tot betaling van materiële schade van €1.282,02 en immateriële schade van €3.000 aan het slachtoffer, met een schadevergoedingsmaatregel en gijzeling bij niet-betaling.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, het vernederende karakter van het geweld, de impact op het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en het ontbreken van eerdere geweldsdelicten. De rechtbank achtte een vrijheidsbenemende straf passend en noodzakelijk ter voorkoming van recidive.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €4.282,02.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/102300-25
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Bont, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. Y.A. Samseij, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij en van wat zijn advocaat mr. C.C. Delpeche hierover ter terechtzitting naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Feit 1: het medeplegen van afpersing door met geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot afgifte van geldbedragen van 730,- euro op 18 december 2024 in Amsterdam;
Feit 2: het medeplegen van diefstal met geweld, van een Louis Vuitton-tas, ID-kaart, bankpas, sigaretten en een iPhone van [slachtoffer 1] , op 18 december 2024 in Amsterdam;
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle aan verdachte tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Op grond van de aangifte, de letselverklaring en de foto’s van het letsel, de verklaring van de zus van [slachtoffer 1] en het proces-verbaal met de stills van de camerabeelden, kan worden bewezen dat verdachte, samen met anderen, 730 euro heeft afgeperst en de Louis Vuitton-tas met ID-kaart, bankpas, sigaretten en een iPhone met geweld heeft weggenomen. De aangifte wordt ondersteund door andere onderdelen in het dossier, waardoor de aangifte bruikbaar is voor het bewijs.
Ook het medeplegen kan worden bewezen. [medeverdachte 1] en [verdachte] waren op zoek naar aangever. Vervolgens zijn ze beiden met een wapen de hotelkamer binnengestormd en hebben geweld gebruikt tegen aangever. Hierdoor konden zij van aangever geld afnemen en zijn goederen wegnemen. Dit handelen bestaat in de kern uit een gezamenlijke uitvoering.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege gebrek aan bewijs. Als de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, moet verdachte worden vrijgesproken voor alle handelingen onder feit 1 en 2 die zien op het dreigen of slaan met een wapen, en onder feit 2 van het duwen van [slachtoffer 1] in de hotelkamer. De verklaringen van [slachtoffer 1] bevatten namelijk tegenstrijdigheden met betrekking tot deze handelingen. Daarnaast is er geen sprake van medeplegen, omdat er geen vooropgezet plan was.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feiten en omstandigheden
Op 18 december 2024 heeft aangever [slachtoffer 1] samen met een vriend kamer [kamernummer] geboekt in het [hotel] in Amsterdam. Medeverdachte [medeverdachte 2] komt op verzoek van [slachtoffer 1] op bezoek en laat aan medeverdachte [medeverdachte 1] weten dat zij met [slachtoffer 1] in het hotel verblijft. [medeverdachte 1] vraagt aan [medeverdachte 2] of zij hem het hotel wil binnenlaten, omdat hij met [slachtoffer 1] een gesprek wil voeren over geld dat [slachtoffer 1] hem schuldig zou zijn. Vervolgens komt verdachte, samen met [medeverdachte 1] , naar het hotel. [medeverdachte 2] laat verdachte en [medeverdachte 1] binnen via de nooddeur en vertelt hen dat [slachtoffer 1] zich in kamer [kamernummer] bevindt.
[medeverdachte 2] verlaat vervolgens het hotel en verdachte en [medeverdachte 1] gaan naar kamer [kamernummer] .
3.3.2.
Betrouwbaarheid aangifte
De rechtbank acht, anders dan de raadsvrouw, de aangifte van [slachtoffer 1] betrouwbaar.
De aangifte van [slachtoffer 1] wordt op wezenlijke punten ondersteund door de bewijsmiddelen en diverse andere stukken in het dossier. Uit de bevindingen van de politie blijkt dat op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand vasthoudt. Ook past het letsel van [slachtoffer 1] , zoals blijkt uit de letselverklaring, bij de geweldshandelingen zoals door [slachtoffer 1] beschreven. Daarnaast heeft de zus van [slachtoffer 1] verklaard dat zij gebeld werd en dat [slachtoffer 1] haar vroeg of ze geld kon over maken, omdat hij in elkaar geslagen werd. Ook hoorde zij iemand zeggen “betalen nu, ik maak hem af”. Verder blijkt uit het proces-verbaal van forensisch onderzoek dat het T-shirt van [slachtoffer 1] aan de voorzijde is gescheurd en dat de scheur past bij het scenario van een worsteling. [1] Uit forensisch onderzoek in de hotelkamer is tevens gebleken dat er bloed op het bed is aangetroffen en dat het beeldscherm van de televisie is vernield. [2] Voorts blijkt uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 1] dat ten tijde van het incident een foto is gemaakt waarop een persoon te zien is zonder broek en met een beige T-shirt. [3] Uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 1] een WhatsApp-gesprek met haar heeft gehad waarin hij heeft gezegd: “als je binnen was zou je lachen” en “waren net twee baby’s geworden, echt”. [4] Ook heeft [medeverdachte 1] een video verstuurd naar [medeverdachte 2] waarop te horen is: “dit gebeurt er met dieven”. [5] Dit past allemaal bij de verklaring van aangever.
[slachtoffer 1] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij de man zonder vuurwapen herkende als “ [bijnaam] ”, dus als [medeverdachte 1] . De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] zich hier vergist en begrijpt de aangifte zo dat [medeverdachte 1] degene met het vuurwapen is en verdachte degene zonder vuurwapen, die [slachtoffer 1] abusievelijk “ [bijnaam] ” noemt. Immers, [slachtoffer 1] beschrijft dat de man met de pufferjas het wapen vast had en uit de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de (stills van de) camerabeelden, blijkt dat [medeverdachte 1] de persoon met de pufferjas is. De rechtbank is van oordeel dat deze vergissing geen afbreuk doet aan [slachtoffer 1] ’s betrouwbaarheid, mede omdat hij heeft verklaard “ [bijnaam] ” niet eerder in levende lijven te hebben gezien, maar enkel via een videobelgesprek. Ook het feit dat [slachtoffer 1] in antwoord op de vraag van de rechter-commissaris of hij nog steeds achter zijn verklaringen bij de politie stond, zei: “
Dat weet ik eigenlijk niet om eerlijk te zijn”, maakt niet dat de rechtbank twijfelt aan zijn betrouwbaarheid. De rechtbank beschouwt dat antwoord – bijna een jaar na de gebeurtenissen in het hotel – als een teken van voorzichtigheid, niet als een aanwijzing dat [slachtoffer 1] ’s politieverklaringen niet zouden kloppen.
3.3.3.
Bewijsoverwegingen feit 1 en feit 2
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen vast dat [slachtoffer 1] , zijn zus [slachtoffer 2] en haar man een bedrag van in totaal 730 euro aan verdachte en [medeverdachte 1] hebben afgestaan, nadat zij geweld tegen [slachtoffer 1] hadden gebruikt, hem met een wapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, hebben geslagen en hem hebben bedreigd zijn leven te nemen.
Uit het proces-verbaal van de camerabeelden blijkt dat [medeverdachte 1] vlak voor het betreden van de hotelkamer een voorwerp uit zijn broeksband pakt, dat lijkt op een vuurwapen. Het proces-verbaal van herkenning vuurwapen bevestigt dat het voorwerp een vuurwapengelijkend object model pistool is. Op het moment dat [slachtoffer 1] de deur opent, stormen verdachte en [medeverdachte 1] samen de kamer binnen. Bij binnenkomst wordt [slachtoffer 1] vervolgens geslagen in zijn gezicht en tegen zijn lichaam. Ook wordt hij geslagen met een wapen, althans een daarop gelijkend voorwerp. Afgedwongen door dit geweld heeft [slachtoffer 1] zijn geld dat hij bij zich had, een bedrag van 230 euro, moeten afstaan. Daarna is [slachtoffer 1] gedwongen om zijn zus [slachtoffer 2] te bellen en haar te vragen geld over te maken. Daarbij zijn tegen [slachtoffer 2] de dreigende woorden: “
Je moet nu geld overmaken, anders vermoord ik hem” geuit. De man van [slachtoffer 2] heeft hierop een bedrag van 500 euro overgemaakt naar de rekening van [slachtoffer 1] . Verdachte heeft verklaard dat hij 500 euro met de pinpas van [slachtoffer 1] heeft gepind.
Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte en [medeverdachte 1] de tas van het merk Louis Vuitton van [slachtoffer 1] , met daarin zijn ID-kaart, bankpas, sigaretten en iPhone, met geweld hebben weggenomen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte samen met [medeverdachte 1] de hotelkamer verlaat met een tas die verdachte niet had bij binnenkomst van het hotel. De tas komt overeen met de beschrijving die [slachtoffer 1] van zijn tas heeft gegeven.
De verklaring van verdachte, dat [slachtoffer 1] het geld en zijn spullen vrijwillig zou hebben afgestaan, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen.
3.3.4.
Medeplegen
Verdachte en [medeverdachte 1] zijn gezamenlijk het hotel binnen gegaan om naar de hotelkamer van [slachtoffer 1] te gaan. Daarna hebben zij gezamenlijk geld afgedwongen door middel van geweld en dreigementen en met geweld de spullen van [slachtoffer 1] weggenomen. Vervolgens hebben zij samen de hotelkamer verlaten. Uit deze gedragingen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking.
3.3.5.
Conclusie
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan afpersing met geweld en bedreiging van geweld, en aan diefstal met geweld.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
Feit 1
op 18 december 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van meerdere geldbedragen (van in totaal € 730,-), die aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een derde toebehoorden door
- die [slachtoffer 1] meermalen, in het gezicht en tegen het lichaam te slaan, en/of
- die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan, en
- vervolgens te eisen dat die [slachtoffer 1] al zijn geld moest afgeven, en
- die [slachtoffer 1] te dwingen om zijn contacten te bellen en hen te verzoeken om geld naar hem over te maken, en
- aan die [slachtoffer 2] de volgende dreigende) woorden toe te voegen: "Je moet nu geld overmaken anders vermoord ik hem";
Feit 2
op 18 december 2024 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander,
- een tas (van het merk Louis Vuitton) met daarin een identiteitskaart, een bankpas en een pak sigaretten, en
- een iPhone,
die aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- die [slachtoffer 1] de kamer in te duwen, en
- vervolgens die [slachtoffer 1] meermalen, in het gezicht en tegen het lichaam te slaan en
- die [slachtoffer 1] meermalen met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in het gezicht en/of tegen het lichaam te slaan;

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 22 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Aan deze proeftijd dienen bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld, zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij het opleggen van de straf rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat verdachte
first offenderis. Voorts heeft de raadsvrouw verzocht om een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte 1] schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met geweld. Zij zijn gezamenlijk via de nooduitgang het hotel binnengegaan, zijn vervolgens de kamer van [slachtoffer 1] binnengestormd en hebben direct geweld tegen [slachtoffer 1] gebruikt. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben [slachtoffer 1] gedwongen zijn geld af te staan. Zij hebben hem in zijn gezicht en tegen zijn lichaam geslagen, zowel met vuistslagen als met een (nep)vuurwapen. Ook werd hij met het wapen bedreigd met de dood. Daarnaast werd [slachtoffer 1] gedwongen zijn zus te bellen, zodat zij geld naar zijn bankrekening zou overmaken. Zij hebben hem zijn kleding behalve zijn boxershort uitgedaan en hem ontkleed en bebloed gefilmd. De rechtbank ziet hierin een vernederend aspect en weegt dat strafverzwarend mee. Dat de gebeurtenis een grote impact heeft gehad op [slachtoffer 1] , blijkt uit zijn aangifte en de toelichting die zijn advocaat op de zitting heeft gegeven.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 3 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 7 juli 2025.
Zij ziet mogelijkheden om met interventies binnen het kader van een voorwaardelijke strafdeel de risico's te beperken of het gedrag te veranderen. Zowel de kans op recidive als de kans op gevaar/letsel wordt als gemiddeld ingeschat. De reclassering acht de leefgebieden financiën, sociaal netwerk en psychosociaal functioneren mogelijk delictgerelateerd. Daarnaast ziet zij risico’s in het ontbreken van passende dagbesteding, het middelengebruik van verdachte, en het cocaïnegebruik van vader van verdachte en zijn verantwoordelijkheidsgevoel jegens hem. Ambulante behandeling gericht op trauma verwerking, persoonlijke ontwikkeling en middelengebruik is geïndiceerd.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de ernst van de feiten en straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met de jonge leeftijd van verdachte. De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank het van belang verdachte ervan te weerhouden om in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen door het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppelde bijzondere voorwaarden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan dagbesteding en meewerken aan middelencontrole als bijzondere voorwaarden verbinden.

8.Benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert vergoeding van € 1.438,02 aan materiële en € 3.000, aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding toe te wijzen.
De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering tot materiële-schadevergoeding, met uitzondering van de abonnementskosten van de telefoon, die schade wordt betwist. Verder heeft de raadsvrouw verzocht de vordering tot immateriële-schadevergoeding dat ziet op het letsel af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, en met betrekking tot de psychische schade te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en feit 2 in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank wijst de materiële schadevergoeding toe tot een bedrag van € 1.282,02. Dit bedrag bestaat uit € 230,- (cash geld), € 496,02 (telefoon), € 56,- (Louis Vuitton-tas), en € 500,- (gepind geld).
Dat schade is geleden door doorlopende abonnementskosten van de gestolen telefoon is door de raadsvrouw betwist en in dat licht onvoldoende onderbouwd. Aanhouding voor nadere bewijsvoering is een onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van zijn vordering.
Verder staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel en heeft opgelopen en op ander wijze in zijn persoon is aangetast. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de zogenoemde Rotterdamse schaal en vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 3.000,- en wijst dat toe.
SchadevergoedingsmaatregelIn het belang van [slachtoffer 1] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd.
8.2.
Hoofdelijkheid
Het toegewezen bedrag wordt hoofdelijk aan verdachte en de medeverdachten opgelegd, omdat zij het feit samen hebben gepleegd. Op grond van artikel 6:102 BW Pro zijn verdachte en zijn medeverdachten ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partij te betalen, behalve voor zover al door een ander/anderen is betaald.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek vier is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1
Medeplegen van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Feit 2
Medeplegen van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) maandenmet bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Beveelt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van
deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later iets anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als
bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij GGZ Reclassering Inforsa of soortgelijke instelling op het adres Duivendrechtsekade 55, 1096 AH te Amsterdam. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname)
Veroordeelde laat zich behandelen door een nog nader te bepalen forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zo spoedig mogelijk. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.
Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft indien door de reclassering of behandelaren geïndiceerd in een instelling voor begeleid of beschermd wonen of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk en/of een opleiding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan Reclassering Nederlandde opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht
toezicht te houdenop de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van
€ 1.282,02 (duizend tweehonderd tweeëntachtig euro en twee cent)aan vergoeding van
materiële schadeen een bedrag van
€ 3.000,- (drieduizend euro)aan vergoeding van
immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bepaalt dat verdachte met de mededaders hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag.
Veroordeelt verdachte tot hoofdelijke betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] , voornoemd en veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
SchadevergoedingsmaatregelLegt verdachte de
hoofdelijke verplichtingop ten behoeve van [slachtoffer 1]
aan de Staat € 4.282,02 (vierduizend tweehonderd tweeëntachtig euro en twee cent)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 december 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van
42 (tweeënveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte of een ander aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.B.W. Beekman, voorzitter,
mrs. M.R.J. van Wel en C. Wildeman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2026.
[…]

[…]

1.[…]

.
[…]
.

Voetnoten

1.Het proces-verbaal forensisch onderzoek van 15 januari 2025, p.32-33, Einddossier.
2.Het proces-verbaal forensisch onderzoek hotelkamer van 15 januari 2025, p.27, Einddossier.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2025, p. 144-145, Einddossier.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 14 april 2025, p. 124-128, Einddossier.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris van 12 augustus 2025, doorgenummerde pag. 1-7.