ECLI:NL:RBAMS:2026:2464

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
13/298498-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel van twee jaar voor veelpleger wegens winkeldiefstal

De rechtbank Amsterdam heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal van meerdere chocoladerepen ter waarde van €137,72. Verdachte, een ongewenst verklaarde vreemdeling zonder rechtmatig verblijf in Nederland, heeft het feit bekend en er is geen bewijsverweer gevoerd.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte voldoet aan de harde en zachte criteria voor het opleggen van een ISD-maatregel. Verdachte is een veelpleger met een strafblad dat meerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten bevat, waaronder een eerdere ISD-maatregel die niet tot gedragsverandering heeft geleid. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel gericht op terugkeer naar het geboorteland.

Vanwege het ontbreken van een rechtmatige verblijfsstatus kan geen reclasseringstoezicht worden uitgevoerd, waardoor de ISD-maatregel feitelijk de enige mogelijkheid is om hulpverlening te bieden en de veiligheid van de samenleving te waarborgen. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af om de maatregel te beperken tot één jaar en legt een ISD-maatregel van twee jaar op.

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde feit bewezen en strafbaar, spreekt verdachte vrij van overige tenlasteleggingen, en bepaalt dat tussentijdse toetsing van de maatregel niet noodzakelijk is, maar wel mogelijk op verzoek van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaar wegens winkeldiefstal en recidive.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/298498-25
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1995,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
nu gedetineerd in de [detentieadres],
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 18 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Tal, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank ter terechtzitting [reclasseringsmedewerker], reclasseringswerker bij het Leger des Heils, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij op 7 november 2025 in Amsterdam repen chocolade uit de Jumbo heeft gestolen.
Ad informandum gevoegd strafbaar feit:
Ongewenste vreemdeling op 7 november 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en
geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het
tenlastegelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor
schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit bewezen kan worden.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsvrouw geen
vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van Strafvordering, met de hierna genoemde opgave van de bewijsmiddelen.
1.
De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 18 februari 2026 heeft afgelegd.
2.
Een proces-verbaal van aangifte, inclusief fotobijlage, met nummer 251107-881-721 van 7 november 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [reclasseringsmedewerker], doorgenummerde pagina’s 5 tot en met 8.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 7 november 2025 te Amsterdam, meerdere repen chocolade met een totale waarde van 137,72 euro, die aan winkelbedrijf Jumbo toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de maatregel

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van voorarrest.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar, omdat de ISD-maatregel vooral gericht zal zijn op terugkeer van verdachte naar [geboorteland]. Een periode van één jaar is daarvoor voldoende omdat verdachte daaraan zal meewerken.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de
ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de
persoon van verdachte, zoals op zitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende maatregel en
bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal van een grote hoeveelheid chocoladerepen. Dit is een hinderlijk feit dat voor de gedupeerde overlast en schade veroorzaakt. Verdachte heeft hiermee laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen. Verdachte bevond zich op het moment dat hij de winkeldiefstal pleegde als ongewenst verklaarde vreemdeling in Nederland.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)
van verdachte van 12 januari 2026. Hieruit volgt dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor winkeldiefstal.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 2 februari 2026, opgemaakt en ondertekend door [reclasseringsmedewerker]. Dit rapport houdt zakelijk weergegeven onder meer het volgende in:
Betrokkene heeft de Letse nationaliteit en is in 2024 tot ongewenst vreemdeling verklaard. Hij kan hierdoor geen aanspraak maken op reguliere structurele zorg(voorzieningen). Betrokkene is al zesmaal uitgezet naar [geboorteland] en steeds teruggekeerd naar Nederland. Betrokkene beschikt niet over een dagbesteding, inkomen of huisvesting en geeft aan dat hij steelt om in zijn middelengebruik en levensonderhoud te kunnen voorzien. In 2022 heeft betrokkene de ISD-maatregel opgelegd gekregen.
Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als hoog. Volgens de reclassering voldoet verdachte aan de zachte ISD-criteria. Gelet op het meermaals terugkeren na uitzetting, de primaire leefomstandigheden van verdachte en zijn status, adviseert de reclassering de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Deze maatregel zal gericht moeten zijn op terugkeer naar [geboorteland], met een zachte landing. Indien betrokkene niet gemotiveerd is om mee te werken aan interventies of terugkeer, zal de ISD-maatregel enkel dienen ter bescherming van de maatschappij.
De rechtbank neemt de bevindingen en het advies van de reclassering over en maakt die tot de hare.
Ter terechtzitting van 18 februari 2026 heeft [reclasseringsmedewerker], gehoord als deskundige, haar advies gehandhaafd.
Oplegging van de ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is
voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor
voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad van 12 januari 2026 blijkt dat verdachte daarnaast gedurende vijf jaar voorafgaand aan het door hem begane misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen en die maatregel. Ook blijkt uit het hiervoor genoemde reclasseringsadvies en het strafblad van verdachte, dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst van en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten.
Uit het strafblad volgt dat ook is voldaan aan de eisen die de ‘Richtlijn voor Strafvordering
bij meerderjarige veelplegers’ van het Openbaar Ministerie stelt. Verdachte is een zeer
actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar processen-verbaal tegen zich
opgemaakt zag worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste
twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het in dit vonnis
bewezenverklaarde feit. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat is voldaan
aan de ‘harde’ ISD-criteria.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook aan de ‘zachte’ ISD-criteria voldoet. Die
houden in dat er geen reëel alternatief voor de oplegging van de ISD-maatregel bestaat.
Omdat verdachte niet rechtmatig in Nederland verblijft kan geen invulling worden gegeven aan een reclasseringstoezicht.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen de oplegging van de ISD-maatregel eist. Het belang van de samenleving, dat verdachte geen overlast en schade meer zal veroorzaken, staat voorop. Daarbij speelt dat
de ISD-maatregel, vanwege de verblijfstatus van verdachte, feitelijk de enige mogelijkheid
is om verdachte hulpverlening te bieden. In het kader van de ISD-maatregel kan de terugkeer naar [geboorteland] worden georganiseerd.
Duur ISD-maatregel
Verdachte is in het verleden heel vaak veroordeeld voor soortgelijke feiten. Een eerder opgelegde onvoorwaardelijke ISD-maatregel heeft het delictgedrag niet gestopt. Doordat verdachte niet rechtmatig in Nederland verblijft heeft hij geen toegang tot hulpverlening, terwijl hij naar eigen zeggen hulp nodig heeft om uit de problemen te blijven. Ook zijn er geen mogelijkheden voor toezicht door de reclassering. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de duur van de ISD-maatregel te beperken tot één jaar, zoals de raadsvrouw heeft verzocht. De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie toewijzen en een ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaar.
Tussentijdse beoordeling
De rechtbank ziet geen aanleiding om de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tussentijds te toetsen. Mocht dit voor verdachte later alsnog wenselijk zijn, dan staat voor hem de weg van artikel 6:6:14 van Pro het Wetboek van Strafvordering open.
Ad informandum gevoegd feit
De rechtbank heeft rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de tenlastelegging is vermeld. Dit feit is hiermee afgedaan.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte],daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. B. Vogel en A.S. Dogan, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.
[…]