3.3.Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 9 december 2025 de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld. Op 25 augustus 2025, tussen ongeveer 02:13 uur en 02:22 uur, hebben drie personen een ramkraak bij het bedrijf [bedrijf 1] in Amsterdam gepleegd. Zij hebben daarbij een afvalcontainer voor een roldeur geplaatst en zijn met een grijze Volkswagen Jetta achteruit tegen de afvalcontainer aan gereden. Daardoor begaf het rolluik het. Twee personen betraden het bedrijfspand, namen een camera, cameralenzen, camera-apparatuur, camera-accessoires, tassen en koffers uit het bedrijfspand weg en hebben die in de grijze Volkswagen Jetta geladen.
In twee van de weggenomen koffers waren Apple Airtags geplaatst. Met behulp van een iPhone konden deze koffers worden gelokaliseerd in de berging van de woning aan de [plaats 2] . In deze berging, behorend bij de woning van de ouders van verdachte, trof de politie vervolgens de bij de ramkraak weggenomen goederen aan.
Ter hoogte van de [adres 3] stond een grijskleurige Volkswagen Jetta geparkeerd, voorzien van het kenteken [kenteken] , met zichtbare schade aan de achterzijde. Deze schade leek overeen te komen met schade die kan ontstaan na het rammen van een afvalcontainer. Uit nader onderzoek bleek dat deze auto op naam staat van verdachte.
Op 9 december 2025 heeft de rechtbank besloten om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen, omdat tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek in deze zaak niet volledig is geweest. De raadsman heeft ter zitting van 25 november 2025 verzocht, in het geval de rechtbank niet tot vrijspraak komt, de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] te horen. De rechtbank heeft dit (voorwaardelijke) verzoek toegewezen en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris. Aldaar zijn deze twee getuigen gehoord.
Daarnaast is het dossier aangevuld met onder andere telefoongegevens van verdachte en historische verkeersgegevens van netwerkmetingen. Hieruit bleek het volgende.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] , opgeslagen in de telefoon van verdachte als ‘ [persoon 1] ’, straalde op 25 augustus 2025 om 02:15 uur, op het moment van de ramkraak, uit in de nabije omgeving van de plaats delict. Verdachte heeft enkele uren voor de ramkraak contact met dit nummer gehad. Zo heeft ‘ [persoon 1] ’ op 24 augustus 2025 om 22:14 uur drie berichten aan verdachte gestuurd. In het laatste bericht vroeg ‘ [persoon 1] ’ aan verdachte of hij “klaar” is. Verder hebben verdachte en ‘ [persoon 1] ’ tussen 20:45 uur en 01:45 uur verschillende gesprekken gevoerd, waaronder drie gesprekken rondom 01:45 uur, kort voor de ramkraak. Ook in de ochtend van 25 augustus 2025 heeft verdachte contact met ‘ [persoon 1] ’ gehad. Zij hebben van 07:30 uur tot 08:00 uur meerdere gesprekken gevoerd. Daarnaast is verdachte op die dag tussen 10:00 uur en 12:01 uur meerdere keren gebeld door ‘ [persoon 1] ’.
Het telefoonnummer [telefoonnummer 2] straalde op 25 augustus 2025 om 02:15 uur, op het moment van de ramkraak, eveneens uit in de nabije omgeving van de plaats delict. Rond 03:22 uur, ongeveer een uur na de ramkraak, is dit nummer geregistreerd in de omgeving van de [plaats 2] , het adres van de ouders van verdachte. Ook met dit telefoonnummer heeft verdachte contact gehad. Zo is verdachte op 25 augustus 2025 tussen ongeveer 09:00 uur en 12:11 uur meerdere keren gebeld door de gebruiker van dit nummer. Tevens ontving verdachte op die dag twee berichten van dit nummer om 09:14 uur en 09:22 uur. Het nummer van verdachte is niet geregistreerd op de plaats delict.
Verdachte ontkent enige betrokkenheid bij de ramkraak. Hij verklaart dat hij ten tijde van het misdrijf in de woning aan de [plaats 2] verbleef en dat hij aan een bekende de sleutels van zijn auto en van de berging van zijn ouders had gegeven, zodat die persoon daar gebruik van kon maken. Verdachte verklaart niet over wie die persoon is geweest. Verdachte heeft wel verklaard dat hij op enig moment in de berging is gaan kijken of er geen verdovende middelen waren opgeslagen. De rechtbank acht deze verklaring echter niet aannemelijk. Uit het voorgaande volgt dat verdachte actief heeft gecommuniceerd met de mededaders, die op de plaats delict uitvoering hebben gegeven aan de ramkraak, zowel direct voorafgaand aan de ramkraak als kort daarna. De frequentie en het tijdstip van deze contacten, bezien in samenhang met het feit dat zijn auto bij de ramkraak is gebruikt en de buit met een aanzienlijke waarde werd aangetroffen in de berging van de ouders van verdachte, leiden tot het oordeel van de rechtbank dat verdachte wetenschap had van de ramkraak.
Hoewel verdachte niet fysiek aanwezig was bij de uitvoering van de ramkraak, heeft hij aan dit feit een wezenlijke bijdrage geleverd door zijn auto en berging ter beschikking te stellen en door actief contact te onderhouden met zijn mededaders rondom het tijdstip van het delict, waarbij in ieder geval één van de daders ongeveer een uur na de ramkraak uitpeilt in de buurt van de woning waar verdachte op dat moment verblijft en waar vervolgens de buit in de berging is aangetroffen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Alles overwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging, gepleegd door middel van braak.