ECLI:NL:RBAMS:2026:2521

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
13/295344-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 26 Wwm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie in woning en bedrijfsvoertuig

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het voorhanden hebben van twee vuurwapens en munitie. Het kogelgeweer werd aangetroffen in het bedrijfsvoertuig van verdachte, terwijl het pistool en de munitie in zijn woning lagen, waar ook zijn minderjarige zoon verblijft. Verdachte bekende het bezit van het pistool en de munitie, maar ontkende kennis van het kogelgeweer in het voertuig.

De rechtbank oordeelde dat verdachte wel degelijk beschikkingsmacht en wetenschap had over het kogelgeweer, mede op basis van DNA-bewijs en het feit dat hij het voertuig kwam ophalen. De verdediging stelde dat het kogelgeweer door een derde zonder medeweten van verdachte in het voertuig was geplaatst, maar dit werd niet aannemelijk geacht. Het bezit van het pistool en de munitie werd eveneens bewezen verklaard.

De rechtbank achtte het bezit van de wapens en munitie ernstig, vooral vanwege de aanwezigheid van een minderjarig kind en het risico voor de openbare veiligheid. De strafmaat werd bepaald op twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf gelast vanwege het nieuwe strafbare feit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, voor het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/295344-25
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging: 23/000375-22
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1965,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
gedetineerd in het [detentieplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sondermeijer en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.M.H.M. den Dekker naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij in of omstreeks de periode van 1 juni 2025 tot en met 3 november 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een of meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een kogelgeweer, van het merk PWA, model Commando, kaliber 5.56 MM en herkomst Milaan, Italië (itemnummer 6731365) en/of
- een pistool, van het merk Smith & Wesson, model 41, kaliber .22 Long Rifle en serienummer TBD 2134 (itemnummer 6731402)
zijnde (telkens) een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
hij op of omstreeks 3 november 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 10 lood patronen van het kaliber .22 Long Rifle en/of
- 25 rondneus volmantel patronen van het kaliber 9mmx19 (synoniem voor 9mm
luger)voorhanden heeft gehad.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Inleiding
Op 3 november 2025 komt bij de politie een melding binnen dat handhavingsmedewerkers een vuurwapen hebben gevonden in een voertuig. Dit voertuig is een paar maanden eerder weggesleept en zou nu, omdat de eigenaar het voertuig niet is komen ophalen, gereed worden gemaakt voor de verkoop. Ter plaatse treffen de agenten een kogelgeweer aan in het voertuig. Op hetzelfde moment komt een man, die later verdachte blijkt te zijn, het voertuig ophalen. Diezelfde dag wordt de woning van verdachte doorzocht. In de woning wordt een pistool en munitie aangetroffen. Verdachte bekent het vuurwapen en de munitie in de woning voorhanden te hebben gehad. Hij heeft op een eerder moment ook het kogelgeweer in handen gehad, maar zegt dat hij niet wist dat het in het voertuig lag.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of bewezen kan worden dat verdachte de vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad.
3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten bewezen kunnen worden. Verdachte heeft over beide vuurwapens en de munitie zowel beschikkingsmacht als wetenschap van hun aanwezigheid gehad. Dit wordt ondersteund door de chatberichten die op één van zijn telefoons zijn aangetroffen.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het kogelgeweer. Over het kogelgeweer heeft verdachte verklaard dat hij daarmee in december 2024 is bedreigd door een ander en dat hij dat kogelgeweer van de bedreiger heeft afgepakt. Een derde persoon, die bij deze bedreiging aanwezig was, heeft toen in opdracht van verdachte het kogelgeweer meegenomen om deze op te bergen. Deze derde heeft het kogelgeweer in het voertuig van verdachte gelegd, zonder medeweten van verdachte. Hoewel het voertuig op naam van het bedrijf van verdachte stond, had hij geen feitelijke beschikkingsmacht over het kogelgeweer, omdat het voertuig door medewerkers van handhaving in beslag is genomen. De chatberichten kunnen niet dienen als steunbewijs, omdat het gaat om berichten die drie tot vijf jaar oud zijn en niet vaststaat dat het verdachte is geweest die de berichten heeft verstuurd. Immers, het gaat om een bedrijfstelefoon die door meerdere mensen werd gebruikt.
Over het pistool en de munitie die zijn aangetroffen in de woning, heeft verdachte verklaard dat hij die meer dan twintig jaar geleden van een kennis heeft gekregen vanwege een dreiging in de familiesfeer. Dat pistool heeft hij toen aangenomen en opgeborgen in een kast. Verdachte heeft het wapen verder nooit gebruikt. Hoewel het voorhanden hebben van dit pistool wel bewezen kan worden, gaat het hier om historisch en passief (wapen)bezit.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Het vuurwapen in het voertuig (feit 1)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte het kogelgeweer dat is aangetroffen in het voertuig voorhanden heeft gehad en oordeelt daartoe als volgt.
In rechtspraak is eerder bepaald dat de eigenaar en gebruiker van een voertuig geacht wordt wetenschap te hebben van wat zich daarin bevindt, tenzij er aanwijzingen zijn van het tegendeel. Op de dag dat het kogelgeweer door de handhavingsmedewerkers is aangetroffen, was het verdachte die het voertuig kwam ophalen. Bij zijn insluitingsfouillering is een kentekenbewijs op zijn naam aangetroffen en hij beschikte ook over de sleutels van het voertuig. Verdachte had als eigenaar dan ook de beschikkingsmacht over het voertuig en de inhoud daarvan, waaronder het kogelgeweer, en wordt ook geacht daarvan te hebben geweten.
Er zijn namelijk geen aanwijzingen van het tegendeel. Sterker nog, dat hij van het kogelgeweer wist wordt ondersteund door de resultaten van het forensisch onderzoek aan de ruwe/scherpe delen van het kogelgeweer. Uit de bemonstering van deze delen is een DNA mengprofiel verkregen, waaruit één DNA-hoofdprofiel kon worden afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van verdachte. Deze overeenkomst heeft een zeer sterke bewijskracht; het is een miljard keer waarschijnlijker dat verdachte de donor is van dit DNA-hoofdprofiel dan wanneer dat niet zo is. Hieruit – in combinatie met het overige bewijs – concludeert de rechtbank dat verdachte de donor is van het aangetroffen DNA-hoofdprofiel en het kogelgeweer in handen heeft gehad. Op basis hiervan komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte in de periode van 26 juni 2025, de dag dat het voertuig door de handhaving is weggesleept, tot en met 3 november 2025 wist van het wapen in het voertuig en daarover de beschikkingsmacht had. Verdachtes verklaring dat hij – vóór de tenlastegelegde periode – het kogelgeweer van een derde heeft afgepakt en dat hij niet wist dat degene met wie hij toen was (en van wie hij de naam niet wil noemen) het daarna in het voertuig van zijn bedrijf heeft neergelegd, acht de rechtbank niet aannemelijk.
3.4.2
Het vuurwapen en de munitie in de woning (feit 1 en feit 2)
De rechtbank acht ook bewezen dat verdachte het pistool en de munitie aangetroffen in de woning voorhanden heeft gehad, mede gelet op zijn bekennende verklaring.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage Ivervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1:
in de periode van 26 juni 2025 tot en met 3 november 2025 te Amsterdam meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een kogelgeweer, van het merk PWA, model Commando, kaliber 5.56 MM en herkomst Milaan, Italië (itemnummer 6731365) en
- een pistool, van het merk Smith & Wesson, model 41, kaliber .22 Long Rifle en serienummer TBD 2134 (itemnummer 6731402)
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer en pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 2:
op 3 november 2025 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten
- 10 lood patronen van het kaliber .22 Long Rifle en
- 25 rondneus volmantel patronen van het kaliber 9mmx19 (synoniem voor 9mm
luger)
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
7.2
De strafmaatverweren van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het voorhanden hebben van het pistool toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), omdat het om historisch en passief wapenbezit zou gaan en strafoplegging geen toegevoegde waarde heeft.
Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte 60 jaar oud is en in slechte gezondheid verkeert, dat hij de zorg draagt voor zijn minderjarige zoon en dat er geen sprake is van een delictpatroon ten aanzien van wapenfeiten. Ook zijn de risico’s op recidive, letsel en onttrekking laag en leidt hij een stabiel bestaan.
Daarnaast is sprake van samenloop ten aanzien van het voorhanden hebben van de vuurwapens, aangezien deze gedragingen allebei onder dezelfde strafbepaling vallen en zij in de dagvaarding zijn opgenomen in één tenlastelegging. Daarmee is sprake van één feitencomplex, wat zou moeten leiden tot strafmatiging. Ook het aanwezig hebben van de munitie dient niet tot een aparte straf te leiden, omdat dit functioneel verbonden is aan het wapenbezit.
Gelet op deze omstandigheden heeft de raadsvrouw verzocht om aan verdachte hooguit een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel beperkt blijft tot het al ondergane voorarrest in combinatie met een voorwaardelijk deel.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft twee vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Het ene wapen, een kogelgeweer met verrekijker, had hij in zijn bedrijfsvoertuig liggen. Het pistool en de munitie lagen in een lage kast in zijn woning waar ook zijn minderjarige zoon verblijft. De rechtbank vindt het zeer ernstig en zorgwekkend dat verdachte rondreed met een wapen in de openbare ruimte en dat hij een wapen in zijn woning had liggen waarmee hij een onveilige situatie, óók voor zijn minderjarige kind, heeft gecreëerd. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Gelet op de ernst van de feiten, die de laatste jaren tot hogere straffen voor wapenbezit heeft geleid, acht de rechtbank toepassing van artikel 9a Sr of een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van ten hoogste het al ondergane voorarrest niet passend.
Oriëntatiepunten voor de strafoplegging
De rechtbank heeft gekeken naar de oriëntatiepunten die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht zijn vastgesteld. Daarin wordt bij het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III in een woning een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden als uitgangspunt gegeven. Bij een vuurwapen van dezelfde categorie in de openbare ruimte gaat het om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Het voorhanden hebben van 35 patronen, zoals in deze zaak, leidt in beginsel tot een geldboete.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van samenloop die tot strafmatiging zou moeten leiden, zoals betoogd door de raadsvrouw. Het gaat niet om één feitencomplex, maar om het voorhanden hebben van twee verschillende vuurwapens op verschillende locaties.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor wapenbezit.
Strafoplegging
Gelet op de zorgwekkende situatie waarop verdachte deze vuurwapens voorhanden had en het feit dat de rechtbank de indruk heeft dat verdachte de ernst van de feiten niet lijkt in te zien, acht de rechtbank het wenselijk dat een deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd, zodat hij een stok achter de deur heeft.
Alles afwegende, legt de rechtbank een gevangenisstraf op voor de duur van twaalf maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
patroon (goednummer: 6731661);
1 patroon (goednummer: 6731660);
1 wapen (goednummer: 6731402);
1 wapen (goednummer: 6731365);
2 kentekenplaten (goednummer: 6731370);
1 kentekenbewijs (goednummer: 6731371);
1 telefoontoestel (goednummer: BZAT4774);
1 telefoontoestel (goednummer: BZAT4778);
1 theedoek (goednummer: 6731667);
1 verrekijker (goednummer: 6731367).
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om de voorwerpen onder nummers 1 tot en met 4 te vernietigen en de overige goederen terug te doen geven aan verdachte. De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.
Onttrekking aan het verkeer
Omdat met betrekking tot de voorwerpen onder nummers 1, 2, 3, 4 en 10 de bewezen geachte feiten zijn begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Teruggave aan verdachte
De voorwerpen onder nummers 5, 6, 7, 8 en 9 zullen worden teruggegeven aan verdachte, omdat geen relatie tussen deze voorwerpen en de bewezen geachte feiten kan worden vastgesteld.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is in de zaak met parketnummer 23/000375-22, bij het onherroepelijk geworden arrest van 27 februari 2024 van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Verdachte is van dat arrest per post op de hoogte gebracht. De officier van justitie heeft gevorderd dat die voorwaardelijke gevangenisstraf na veroordeling in deze wapenzaak ten uitvoer wordt gelegd.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. De rechtbank ziet geen aanleiding om de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf zoals de raadsvrouw heeft verzocht.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 1 patroon (goednummer: 6731661);
  • 1 patroon (goednummer: 6731660);
  • 1 wapen (goednummer: 6731402);
  • 1 wapen (goednummer: 6731365);
  • 1 verrekijker (goednummer: 6731367).
Gelast de teruggave aan R.M. Nazir van:
  • 2 kentekenplaten (goednummer: 6731370);
  • 1 kentekenbewijs (goednummer: 6731371);
  • 1 telefoontoestel (goednummer: BZAT4774);
  • 1 telefoontoestel (goednummer: BZAT4778);
  • 1 theedoek (goednummer: 6731667).
Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd vonnis van 27 februari 2024 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C. Wildeman, voorzitter,
mr. C. Bruil en mr. M.C.H. Broesterhuizen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.
[...]
: