4.1Volgens de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 (hierna: de Beleidsregel) is het boetenormbedrag € 10.000, - voor een overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. Voor de werkgever die minder dan tien werknemers in dienst heeft wordt het boetenormbedrag gecorrigeerd met 0,5. De overtreding waarvoor direct een boete wordt opgelegd wordt volgens het hiervoor bepaalde boetebedrag met 1,5 vermenigvuldigd. Het boetebedrag is dan: boetenormbedrag € 10.000,- x 0,5 x 1,5 = € 7.500,-.
Is er sprake van een ondeugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden?
5. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat haar registratie van de arbeids- en rusttijden wel deugdelijk is. Uit de Memorie van Toelichting (hierna: MvT) op de Atw en ook uit vaste rechtspraak volgt dat van een deugdelijke registratie sprake is als in ieder geval de begin- en eindtijden en de pauzes van de individuele werknemers zijn genoteerd en dat dit feitelijk correct is. Dit is bij de door eiseres overgelegde overzichten het geval. De registratie zelf is vormvrij. De verklaringen van de werknemers kunnen niet ten grondslag worden gelegd aan de besluitvorming. Zo heeft werknemer 1 onjuist verklaard, omdat hij de ingeschakelde tolk niet goed kon begrijpen. De verklaringen van werknemer 2 en 3 zijn onder druk en tijdens piekuren afgelegd. Eiseres verwijst naar de aanvullende verklaringen van werknemer 1 en 2, zoals bijgevoegd bij de zienswijze van 13 februari 2024. De werkplekcontrole werd als zeer bedreigend ervaren. Ook zijn zij niet verteld dat zij niet tot antwoorden verplicht waren. Tot slot is namens eiseres op de zitting naar voren gebracht dat nu dezelfde vorm registratie bij een eerdere controle in 2019 wel is goedgekeurd, eiseres ervan uit mocht gaan dat deze deugdelijk is.
6. De rechtbank stelt voorop dat de wet enige ruimte biedt ten aanzien van de wijze waarop de registratie van de arbeids- en rusttijden plaatsvindt. Wel moet de registratie inhoudelijk correct zijn. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de overgelegde registratieondeugdelijk is, omdat de daadwerkelijke begin-, eind- en rusttijden niet te herleiden zijn en de registratie daarom meer als een rooster of een planning kan worden gezien. Daarnaast is de rechtbank met de minister van oordeel dat de registratie niet overeenkomt met de verklaringen van de werknemers. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval niet kon worden afgegaan op deze verklaringen. De rechtbank legt onder 7 uit waarom er geen aanknopingspunten zijn om niet op de verklaring van de werknemers af te gaan en noemt in overweging 8 enkele voorbeelden van discrepanties tussen de registratie en de verklaringen van de werknemers.
7. De rechtbank stelt vast dat uit de door werknemer 1 ondertekende verklaring volgt dat hij in de Indonesische taal is gehoord, dat de verklaring aan hem is voorgelezen en dat hij heeft aangegeven dat wat door de inspecteurs is voorgelezen, klopt. Uit de verklaring valt niet op te maken dat werknemer 1 en de tolk elkaar slecht zouden hebben verstaan of begrepen, dat werknemer 1 de gestelde vragen niet heeft begrepen of dat de inspecteur de antwoorden van werknemer 1 niet heeft begrepen. Tot slot heeft de minister er terecht op gewezen dat de verklaring overeenkomt met dat wat uit de andere stukken en verklaringen blijkt, in het bijzonder over de periode waarbinnen werknemer 1 werkzaam zou zijn geweest. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar hetgeen is opgenomen in het bestreden besluit op pagina 3, alinea 1 en 2. De rechtbank merkt overigens op dat door eiseres ook niet is geconcretiseerd wat er precies onjuist zou zijn aan de verklaring van werknemer 1 wat betreft zijn werktijden.
Ten aanzien van de verklaringen van werknemers 2 en 3 is de rechtbank het met de minister eens dat niet is gebleken dat de inspecteurs onrechtmatig hebben gehandeld dan wel dat zij – door het verhoren van de medewerkers tijdens een druk moment – buiten hun bevoegdheid zijn getreden. Dat de werknemers de werkplekcontrole als zeer bedreigend hebben ervaren, is daarvoor onvoldoende. Er is dan ook geen aanleiding om niet uit te gaan van de juistheid van deze verklaringen of om deze verklaringen niet mee te nemen in de beoordeling. Tot slot heeft de minister met juistheid opgemerkt dat aan werknemers 2 en 3 geen cautie hoefde te worden gegeven, omdat werknemers 2 en 3 als getuigen zijn gehoord.
8. De rechtbank stelt voorts vast dat verklaringen van de werknemers grotendeels niet overeenkomen met de registratie. De rechtbank verwijst voor het volledige overzicht van de discrepanties naar het boeterapport en het bestreden besluit en noemt hierna enkele voorbeelden.
Werknemer 1 heeft op 16 november 2023 verklaard dat hij om 17:00 uur van de Moskee naar de onderneming van eiseres komt, terwijl uit de registratievolgt dat dit om 12.45 uur zou moeten zijn. Ook heeft één van de vennoten verklaard dat werknemer 1 pas een week op proef was, terwijl uit de registratie en de zienswijze volgt dat hij verspreid over ten minste drie weken al arbeid had verricht, te weten op 3, 10, 13, 15 en 16 november 23 (week 44 tot en met 46).
Verder zou werknemer 2 volgens de registratie zes dagen per week van 13:45 tot 20.00 uur werken, met dagelijks één uur pauze. Werknemer 2 verklaarde op 6 december 2023 echter dat hij meestal van 13:30 uur tot 18:00 uur werkt. Ook heeft hij verklaard dat zijn werktijden verschillen, zo was hij op de dag van de controle om 19.00 uur nog aan het werk en dat kwam door een wijziging in zijn uren.
Werknemer 3 zou op 16 november 2023 volgens de registratie om 13:45 uur moeten beginnen, maar zij verklaarde dat zij die dag om 13:00 uur was begonnen. Verder zou zij volgens de registratie standaard één uur pauze hebben, maar verklaarde zij dat zij geen echte pauze had en dat zij – wanneer de drukte het toe liet – zij 15 tot 20 minuten pauze kon nemen.
9. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat eiseres gedurende de periode vrijdag 20 oktober 2023 tot en met donderdag 16 november 2023 geen deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden heeft gevoerd. De stelling van eiseres dat eerder in 2019 eenzelfde registratie wel akkoord is bevonden, volgt de rechtbank niet. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder namelijk aangegeven dat toen ook een overtreding van de Atw is vastgesteld vanwege een ondeugdelijke administratie, maar toen een waarschuwing is gegeven. De minister heeft dan ook een boete aan eiseres mogen opleggen wegens overtreding van artikel 4:3, eerste lid van de Atw. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Had de minister de boete moeten matigen?
10. Eiseres heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de minister de boete had moeten matigen, omdat – zo begrijpt de rechtbank de gemachtigde van eiseres ter zitting – eiseres al wat redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om toekomstige overtredingen te voorkomen. Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015.
11. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat inspanningen van na de overtreding niet van betekenis zijn voor de mate van verwijtbaarheid, maar wel van betekenis kunnen zijn voor de beoordeling of de opgelegde boete in het kader van de bredere evenredigheidstoets passend en geboden is.Inspanningen achteraf kunnen alleen tot matiging leiden als deze adequaat zijn, uit eigen beweging zijn en zo snel mogelijk zijn verricht.
12. Op zitting heeft de gemachtigde van eiseres verklaard dat hij tijdens de hoorzitting in de Wav-zaak op 10 juli 2024 heeft aangegeven dat hij ook maatregelen heeft getroffen die zien op de registratie van de arbeid- en rusttijden. De minister betwist dat dit is gezegd. Wat daar ook van zij, eiseres heeft dit gedurende de procedure op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank kan dus niet vaststellen óf en zo ja hoe snel deze maatregelen zijn getroffen, wat deze maatregelen precies inhouden en of deze adequaat zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om eiseres in de gelegenheid te stellen om alsnog aan te tonen dat er maatregelen zijn genomen, omdat er voldoende gelegenheid is geweest, bijvoorbeeld gedurende de bezwaarfase, om deze stukken te overleggen.
Persoonlijke noot van de rechtbank
13. De rechtbank overweegt ten overvloede dat uit het dossier en de verklaring van de heer [persoon 1] ter zitting blijkt dat eiseres een fijn bedrijf is om bij te werken. Het is een familiebedrijf en de werknemers voelen zich er prettig. Werknemer 3 woont in [plaats 2] , maar komt vijf dagen per week naar eiseres toe om te werken en dat doet zij al een aantal jaar. Zij spreekt in haar aanvullende verklaring warm over eiseres. Eiseres liet de werknemers vrij om naar eigen inzicht pauzes in te lassen. Dat ging op basis van vertrouwen en buiten de piekmoment om. Dat leverde intern blijkbaar ook geen problemen op. De rechtbank kan zich er daarom wel een voorstelling bij maken dat eiseres wat losser omging met het registreren van de werktijden. Maar dat mag echter niet. Ook eiseres, als klein en prettig familiebedrijf, moet zich aan de regels houden. De rechtbank heeft het idee dat dat besef inmiddels ook wel is ingedaald. De heer [persoon 1] heeft ter zitting namelijk verklaard dat hij het familiebedrijf inmiddels heeft overgenomen en adequate maatregelen heeft getroffen om overtredingen van de Atw in de toekomst te voorkomen. De boete zelf is intussen volledig afbetaald. De rechtbank wenst eiseres het beste toe.