ECLI:NL:RBAMS:2026:2552

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
81/119508-23 (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan belastingfraude

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het gebruik van valse geschriften bij de aanvraag van een tegemoetkoming vaste lasten (TVL) en het feitelijk leidinggeven aan het niet voldoen aan de verplichting tot medewerking aan een boekenonderzoek en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting namens een bedrijf.

Het onderzoek toonde aan dat verdachte tussen oktober 2019 en februari 2023 betrokken was bij het indienen van valse TVL-aanvragen en het niet beschikbaar stellen van administratie aan de Belastingdienst, waardoor te weinig belasting werd geheven. Verdachte voerde aan slechts op papier leiding te geven, maar de rechtbank oordeelde dat hij samen met een medeverdachte feitelijke leiding gaf.

De rechtbank legde een taakstraf van 360 uur op met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en veroordeelde verdachte tot terugbetaling van €40.000,- aan de benadeelde partij, vermeerderd met wettelijke rente. De redelijke termijn werd niet overschreden ondanks de duur van 34 maanden vanwege de complexiteit van het onderzoek.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 360 uur taakstraf, 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en terugbetaling van €40.000,- wegens valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan belastingfraude.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/119508-23
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1987,
wonende op het adres [adres 1]

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M van der Bijl, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Konya, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] en van wat daarover namens haar door [persoon 1] naar voren is gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich tussen oktober 2019 en februari 2023 heeft schuldig gemaakt aan
1. medeplegen van gebruikmaken van valse geschriften bij de aanvraag van een tegemoetkoming vaste lasten, als ware deze echt en onvervalst;
2. feitelijke leidinggeven aan het door [naam bedrijf BV 1] (hierna: [naam bedrijf BV 1] ) opzettelijk niet voldoen aan de verplichting om administratie beschikbaar te stellen aan de Belastingdienst, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
3. feitelijke leidinggeven aan het door [naam bedrijf BV 1] indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, door in deze aangiften geen of een te laag bedrag aan omzetbelasting op te geven, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het ten laste gelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 dient verdachte partieel te worden vrijgesproken voor zover dit ziet op het tweede kwartaal van 2019.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Het medeplegen van feit 1 kan niet worden bewezen en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken. Voor het overige heeft verdachte dit feit bekend en refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De feiten 2 en 3 kunnen niet worden bewezen en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat ten aanzien van feit 3 een veel lager benadelingsbedrag kan worden bewezen, namelijk alleen ter hoogte van dat deel dat ziet op de omzet die door cliënt zelf is gemaakt.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Samenvatting oordeel
De rechtbank acht het ten laste gelegde bewezen op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen [1] en overwegingen. Ten aanzien van feit 1 volgt een partiële vrijspraak.
Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank in de rubrieken 3.3.2 en 3.3.3 verdachte aanduiden als ‘ [verdachte] ’ en medeverdachte [medeverdachte] ’.
3.3.2.
Feit 1 – TVL-aanvragen
De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] gebruik heeft gemaakt van een vals geschrift, bestemd om als bewijs van enig feit te dienen (feit 1). De rechtbank volstaat met betrekking tot het bewijs met een opgave van de bewijsmiddelen in navolgende voetnoot, overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, omdat [verdachte] het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit. [2]
De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] het feit samen met een ander heeft gepleegd. [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] hier niet bij was betrokken en bovendien spreekt de rechtbank [medeverdachte] in het vonnis in zijn zaak van heden vrij van dit feit. Weliswaar heeft [verdachte] verklaard bij het indienen van de aanvragen wel hulp te hebben gehad van een derde, maar de rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen of deze hulp kan worden aangemerkt als nauwe en bewuste samenwerking en of deze derde ook opzet (op het feit en de samenwerking) heeft gehad.
3.3.3.
Feiten 2 en 3 – boekenonderzoek en aangiften omzetbelasting
De rechtbank stelt het volgende vast.
Verboden gedragingen door [naam bedrijf BV 1]
Feit 2
Uit het dossier blijkt dat op 14 augustus 2020 voor het eerst door de Belastingdienst een boekenonderzoek is aangekondigd bij [naam bedrijf BV 1] . Tot en met 14 januari 2021 zijn verschillende pogingen gedaan om contact op te nemen met [naam bedrijf BV 1] en een afspraak in te plannen voor dit boekenonderzoek en is verzocht om de administratie aan de Belastingdienst te overleggen. Hiervoor zijn onder andere het bij de Belastingdienst bekende telefoonnummer en e-mailadres van [naam bedrijf BV 1] gebruikt. Blijkens deze stukken is namens [naam bedrijf BV 1] een aantal keer gereageerd op deze verzoeken. Deze reacties waren echter niet inhoudelijk gericht op het aangekondigde boekenonderzoek, maar hierin werd bijvoorbeeld naar voren gebracht dat de contactpersoon in quarantaine zat en meer tijd nodig had. [3] Uiteindelijk is er geen administratie aangeleverd door [naam bedrijf BV 1] en heeft geen boekenonderzoek plaats kunnen vinden. [4] Uit artikel 47 en Pro 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) blijkt dat [naam bedrijf BV 1] hiertoe wel verplicht was.
Aangezien namens [naam bedrijf BV 1] wel enige reactie is gekomen op de verzoeken van de Belastingdienst, maar niet daadwerkelijk is voldaan aan de verplichtingen die volgen uit de AWR, stelt de rechtbank vast dat de verzoeken bekend zijn geweest bij [naam bedrijf BV 1] .
Feit 3
Daarnaast blijkt uit het dossier dat [naam bedrijf BV 1] in de aangiften omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2020, geen omzet heeft aangegeven. [5] Uit het VAT Information Exchange System (hierna: VIES) blijkt echter dat [naam bedrijf BV 1] auto’s heeft aangekocht van bedrijven in Duitsland en België, onder dekking van haar omzetbelastingnummer. De som van deze aankopen moest in het aangifteformulier worden vermeld en een deel van dit bedrag was [naam bedrijf BV 1] aan omzetbelasting verschuldigd. [6] Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van [naam bedrijf BV 1] blijkt dat in de periode waarin de nihilaangiften plaatsvonden, veel transacties plaatsvonden waarbij in de omschrijving verwijzingen staan naar automerken, autotypes of kentekens. Ook vinden deze transacties onder andere plaats van en naar bankrekeningen waarbij de naam van de geadresseerde van de transactie bijvoorbeeld “autohandel”, “car” of “automobile” bevat. Ook wordt van Nederlandse bedrijven geld ontvangen, waaronder bedrijven met “taxi” in de naam. In totaal ontvangt [naam bedrijf BV 1] in de voornoemde periode honderdduizenden euro’s op haar bankrekeningen. Bovendien vinden op de rekeningen voor honderdduizenden euro’s aan contante stortingen plaats. [7] De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat [naam bedrijf BV 1] in de genoemde periode bedrijfsactiviteiten verrichtte, waaronder in ieder geval de aan- en verkoop van auto’s. Het kan dan redelijkerwijs ook niet anders zijn dan dat [naam bedrijf BV 1] , in de periode waarop de in de tenlastelegging genoemde aangiften omzetbelasting zien, omzet heeft gemaakt. Dat maakt dat de aangiften onjuist zijn gedaan.
Strekkingsvereiste
De rechtbank overweegt dat het te weinig omzet aangeven in de aangifte omzetbelasting (feit 3), ertoe heeft geleid dat te weinig belasting is geheven. Daarnaast heeft het niet-meewerken aan een boekenonderzoek en het niet-overleggen van administratie aan de Belastingdienst (feit 2) ertoe kunnen leiden dat niet bekend is geworden dat meer omzet is gemaakt dan in de aangifte omzetbelasting is aangegeven. De rechtbank oordeelt dan ook dat deze feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
Conclusie
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat kan worden bewezen dat [naam bedrijf BV 1] de verboden gedragingen heeft begaan zoals in de tenlastelegging onder 2 en 3 beschreven.
Feitelijke leidinggeven
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld, of kan worden bewezen dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van [naam bedrijf BV 1] . [verdachte] heeft verklaard dat hij enkel op papier de leidinggevende van [naam bedrijf BV 1] was en dat [medeverdachte] feitelijk de leiding had. Hij zou niets weten van administratie of het doen van belastingaangiften. [medeverdachte] zou uit naam van [verdachte] bijvoorbeeld brieven aan de Belastingdienst hebben gestuurd. Bij de oprichting van [naam bedrijf BV 1] zou [medeverdachte] [verdachte] ook hebben beloofd, dat hij alles zou regelen voor de onderneming, dat [verdachte] de onderneming alleen op zijn naam moest krijgen en dat ze op die manier geld konden verdienen. [verdachte] verrichtte alleen kleine werkzaamheden voor [naam bedrijf BV 1] , zoals het op naam zetten van auto’s. [medeverdachte] heeft zich in de verhoren bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen.
De rechtbank is van oordeel dat zowel [verdachte] als [medeverdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan [naam bedrijf BV 1] en de verboden gedragingen van deze onderneming, en overweegt daartoe als volgt.
Rol [verdachte]
Uit het dossier blijkt dat [verdachte] van 22 maart 2019 tot 11 februari 2021 op papier directeur en enig aandeelhouder was van [naam bedrijf BV 1] . [8] heeft verklaard dat één van de redenen waarom hij met [medeverdachte] in zee ging was dat hij had waargenomen dat [medeverdachte] eerder een goed lopend bedrijf had en geld verdiende. [9]
De aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 is ingediend door [naam administratie bedrijf] . [10] [persoon 2] , eigenaar van deze onderneming, heeft verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden voor [naam bedrijf BV 1] contact had met ene [verdachte] . [11]
Boekhouder [persoon 3] heeft verklaard dat hij werkzaamheden verrichtte voor [naam bedrijf BV 1] en dat hij daarvoor contact had met iemand die hij op een Marokkaan vond lijken. Deze persoon kwam met cijfers, bankafschriften en facturen over dat jaar bij hem. De naam van deze persoon kent hij niet. [12] [persoon 3] heeft verder verklaard dat hij [medeverdachte] wel kent. [13] Of [verdachte] degene is met wie [persoon 3] contact heeft gehad, kan de rechtbank op basis van het voorgaande niet vaststellen. Wel maakt de rechtbank uit het voorgaande op dat iemand anders dan [medeverdachte] contact had met deze boekhouder. Dit is strijdig met de verklaring van [verdachte] , dat alleen [medeverdachte] alle financiële en administratieve zaken regelde voor [naam bedrijf BV 1] .
Daarnaast blijkt uit het dossier dat [persoon 4] op 11 februari 2021 directeur en enig aandeelhouder van [naam bedrijf BV 1] is geworden. [14] [verdachte] heeft verklaard dat [medeverdachte] de overdracht heeft geregeld en dat hij [persoon 4] alleen heeft gezien bij de overdracht van de onderneming bij de notaris.
[persoon 4] heeft echter verklaard dat hij [naam bedrijf BV 1] heeft overgenomen nadat dit door [verdachte] aan hem is aangeboden. Hij heeft verklaard dat hij [medeverdachte] niet kent en dat hij ten aanzien van alles met betrekking tot [naam bedrijf BV 1] contact had met [verdachte] . Hij heeft [verdachte] meerdere malen gezien. [15]
Tot slot wordt [verdachte] in dit vonnis veroordeeld voor het namens [naam bedrijf BV 1] doen van (valse) TVL-aanvragen en heeft hij bovendien verklaard dit buiten medeweten van [medeverdachte] te hebben gedaan. [16]
Rol [medeverdachte]
De FIOD heeft onderzoek gedaan aan de telefoon die bij [verdachte] is aangetroffen. De naam van de telefoon is 'iPhone van [verdachte] '. Het telefoonnummer dat aan deze telefoon is gekoppeld, is [telefoonnummer] . [17] [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de gebruiker van deze telefoon is en dat hij eveneens het tegencontact (genaamd [naam] ) van [medeverdachte] is in het hierna genoemde WhatsApp-gesprek. [18]
In de telefoon is een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen [verdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] die in het WhatsApp-gesprek wordt aangeduid als [medeverdachte] . [19] Uit het dossier blijkt dat vanaf dit telefoonnummer onder andere een bericht is gestuurd met daarin: “ [medeverdachte] , [adres 2] ” en daarna “ik ga me daar inschrijven”, terwijl uit het politiesysteem ook blijkt dat [medeverdachte] op het adres [adres 2] ingeschreven heeft gestaan. Daarnaast is vanaf dit telefoonnummer een foto gestuurd waarop de FIOD een bankpas ziet ten name van [medeverdachte] . [20] Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat dit telefoonnummer door [medeverdachte] werd gebruikt.
In dit WhatsApp-gesprek worden onder andere op 2 oktober 2019 door [verdachte] foto’s gestuurd waarop volgens de FIOD een brief van de Belastingdienst (met bijlage) te zien is, gericht aan [naam bedrijf BV 1] , die betreft: “Vaststelling belastingplicht” en waarop de woorden “Omzetbelasting” en “Vennootschapsbelasting” staan vermeld. [21] Naar aanleiding van deze foto stuurt [verdachte] : “heb je over gemaakt ol”, waarop het antwoord van [medeverdachte] volgt: “Nee nog niet”, “Doe het morgen ochtend insha allah” en “Heb die pas niet hier bij me”. [22]
In het WhatsApp-gesprek wordt op 11 augustus 2020 door [verdachte] gestuurd: “Brieven komen weer by me broertje thuis”, waarna hij een foto doorstuurt waarop een brief van de ING Bank is te zien. Hierop is onder andere te lezen dat er eerder vragen zijn gesteld over bedrijfsactiviteiten en de bestemming van opgenomen contante gelden, maar dat hier na één keer niet meer inhoudelijk op is gereageerd. [verdachte] stuurt hierna onder andere naar [medeverdachte] “Ze hebben 2. Brieven gestuurd”, “Ze chekken by de balstinedienst”, “Ben bang dat che probleem gaat worden” en “Morgen gaan we ze bellen kijken wat ze gaan zeggen”. [medeverdachte] reageert met: “Niffo hou op met stressen aub” en “Ik ga het morgen regelen is niks aan de hand geloof me”. [verdachte] stuurt daarna: “Walah strees snel als ik dat sorten dingen zie man”, waarna [medeverdachte] afsluit met onder andere: “Hahaha komt goed”. [23] [verdachte] heeft verklaard dat hij op enig moment brieven van de Belastingdienst ontving en dat hij hierover contact opnam met [medeverdachte] . [medeverdachte] zou hierop hebben gezegd dat hij het zou regelen. [24]
Op 14 augustus 2020 stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] een foto van een document waarop onder andere te lezen is: “Betreft: Aankondiging boekenonderzoek”. [verdachte] stuurt daarna: “Bel die balansting aub morgen andere ga ik ze bellen als je niet kan”. [medeverdachte] stuurt op 15 september 2020 onder andere terug: “Heb hem gesproken heb hem mail gestuurd” en “Half oktober afspraak”. [25] Uit het dossier blijkt dat de Belastingdienst op 15 september 2020 een mail heeft ontvangen van “dhr. [verdachte] ”, waarover het volgende wordt geschreven: “Mail ontvangen dat meneer de afgelopen twee weken in quarantaine zat en niet bij zijn post kon. Wil het onderzoek laten plaatsvinden in het bijzijn van de adviseur en stelt een paar datums half oktober 2020 voor.” [26] Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat [medeverdachte] degene is die (uit naam van [verdachte] ) een mail heeft gestuurd naar de Belastingdienst.
Op de bankrekening van [medeverdachte] ( [rekeningnummer] ) is in de periode van 15 februari 2020 tot en met 24 oktober 2020 in totaal een bedrag van € 27.665,27 overgemaakt vanaf de rekening van [naam bedrijf BV 1] . Bij transacties van in totaal € 20.893,35 is in de omschrijving “salaris” te lezen. [27] Bovendien hebben twaalf transacties van in totaal € 10.940,45 plaatsgevonden vanaf de privérekening van [medeverdachte] naar de bankrekening van [naam bedrijf BV 1] . [28]
Ook worden op de privérekening van [medeverdachte] in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 5 november 2020 vanaf vijf verschillende Duitse bankrekeningen bedragen overgemaakt van in totaal € 15.233,06. In de omschrijving van deze transacties komen verwijzingen voor naar “Kaution”, het Duitse woord voor “borg”. Bovendien staat in de omschrijving van deze transacties bijvoorbeeld: “VW Polo”, “Tiguan” en “VW TIGUAN”. [29] De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat vanaf deze Duitse rekeningnummers geld werd overgemaakt naar de privérekening van [medeverdachte] ten behoeve van borgbetalingen voor (de aankoop van) auto’s.
Op facturen van [naam bedrijf BV 2] gericht aan [naam bedrijf BV 1] staat bij contactgegevens van [naam bedrijf BV 1] het telefoonnummer [telefoonnummer] vermeld. [30] Dit is het telefoonnummer dat gekoppeld is aan de telefoon die onder [medeverdachte] in beslag is genomen [31] en waarvan [medeverdachte] heeft verklaard dat hij dit telefoonnummer gebruikt. [32]
Getuige [getuige] heeft op de vraag, of hij [medeverdachte] kent, verklaard dat hij vermoed dat hij van hem een Volkswagen Golf heeft gekocht. Hiervoor heeft hij op 21 september 2020 bedragen van € 5.000,- en € 3.000,- overgemaakt en op 3 oktober 2020 een bedrag van € 1.000,-, vanaf de bankrekeningen van zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak]. [33] Op de eerdergenoemde privébankrekening van [medeverdachte] worden op 21 september 2020 en 3 oktober 2020 de voornoemde bedragen ontvangen vanaf een bankrekening ten name van [naam eenmanszaak]. [34] Op een factuur van [naam bedrijf GmbH], gericht aan [naam bedrijf BV 1] , staat vermeld: “VW Golf [kenteken] [nummer]”. [35] [getuige] heeft op 28 september 2020 bpm-aangifte gedaan voor de Volkswagen Golf met het chassisnummer [nummer]. [36] De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat [getuige] een auto heeft gekocht en het geld hiervan heeft overgemaakt naar de privérekening van [medeverdachte] . Dit terwijl deze auto op naam van [naam bedrijf BV 1] is aangekocht.
Zoals hiervoor is vastgesteld heeft de Belastingdienst in augustus 2020 voor het eerst aangekondigd een boekenonderzoek te willen doen bij [naam bedrijf BV 1] . Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] op 15 september 2020 [naam bedrijf] heeft opgericht, een onderneming met als bedrijfsactiviteiten onder andere handel in en reparatie van auto’s. [37]
Ook is op naam van [medeverdachte] een consignatieovereenkomst gesloten met [naam bedrijf VOF], met betrekking tot de verkoop van een auto met kenteken [kenteken] voor een overeengekomen verkoopprijs van € 7.900,-. Deze auto stond blijkens het kentekenbewijs op naam van [naam bedrijf BV 1] . [38] Op 18 september 2020 is door [naam bedrijf VOF] een bedrag van € 7.900,- overgemaakt naar de privébankrekening van [medeverdachte] , met als omschrijving: “Inkoop [kenteken]”. [39]
Tot slot blijkt uit het dossier dat de aangiften omzetbelasting van [naam bedrijf BV 1] over het tweede en derde kwartaal van 2020 zijn gedaan op respectievelijk 5 september 2020 en 31 oktober 2020 vanaf het IP-adres [IP-adres] [40] Uit gegevens van de Rabobank blijkt dat vanaf ditzelfde IP-adres in de periode van 15 mei 2020 tot en met 24 oktober 2020, 157 keer via internetbankieren is ingelogd op de privébankrekening van [medeverdachte] . [41] [verdachte] heeft ook verklaard dat [medeverdachte] de aangiften omzetbelasting deed. [42]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat [medeverdachte] en [verdachte] (tot op zekere hoogte) rollen van vergelijkbare grootte hebben gehad en beiden als feitelijke leidinggever van [naam bedrijf BV 1] kunnen worden aangemerkt. Allereerst blijkt uit het voorgaande dat [verdachte] hierover heeft verklaard, dat hij brieven van de Belastingdienst doorstuurde naar [medeverdachte] en dat [medeverdachte] aangaf dat hij dit zou oplossen. Ook zou [medeverdachte] volgens [verdachte] de aangiften omzetbelasting voor [naam bedrijf BV 1] hebben gedaan. De voornoemde onderdelen van de verklaring van [verdachte] vinden voldoende steun in het dossier. Daarbij weegt de rechtbank mee dat in ieder geval twee van de aangiften omzetbelasting zijn gedaan vanaf een IP-adres waarmee in dezelfde periode ook werd ingelogd op de bankrekening van [medeverdachte] . Daarnaast blijkt uit het voorgaande dat [medeverdachte] , na het ontvangen van een brief van de Belastingdienst, inderdaad aan [verdachte] bericht dat hij het gaat regelen. Bovendien bericht [medeverdachte] op een ander moment aan [verdachte] , dat hij contact heeft opgenomen met de Belastingdienst en wordt op diezelfde dag door de Belastingdienst een e-mail geregistreerd namens [naam bedrijf BV 1] , op naam van [verdachte] . De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat [medeverdachte] (onder de naam van [verdachte] ) namens [naam bedrijf BV 1] contact had met de Belastingdienst. Uit het voorgaande blijkt bovendien dat [medeverdachte] geld op zijn bankrekening kreeg voor bijvoorbeeld borgsommen van auto’s, dat de verkoopprijs van twee auto’s op naam van [naam bedrijf BV 1] op [medeverdachte] privébankrekening werden overgemaakt en dat op een aantal facturen aan [naam bedrijf BV 1] het telefoonnummer van [medeverdachte] staat. Tot slot weegt de rechtbank de omstandigheid mee dat [medeverdachte] , de maand na het aankondigen van het boekenonderzoek bij [naam bedrijf BV 1] door de Belastingdienst, een nieuwe onderneming start met vergelijkbare bedrijfsactiviteiten als [naam bedrijf BV 1] .
De verklaring van [verdachte] , dat [medeverdachte] alles regelde binnen [naam bedrijf BV 1] en dat hij alleen in naam leiding gaf aan de onderneming, acht de rechtbank echter ook niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen maakt de rechtbank op dat [verdachte] contact had met in ieder geval één boekhouder, dat hij namens [naam bedrijf BV 1] , zonder medeweten van [medeverdachte] , een TVL-aanvraag heeft gedaan en dat hij veelvuldig betrokken was bij contact over de overdracht van [naam bedrijf BV 1] aan [persoon 4] . Bovendien had [verdachte] in ieder geval contact met [medeverdachte] over brieven van de Belastingdienst. Tot slot weegt de rechtbank de verklaring van [verdachte] mee, dat hij het aantrekkelijk vond om een bedrijf met [medeverdachte] te starten omdat [medeverdachte] eerder een goedlopend bedrijf had. Uit dit alles maakt de rechtbank op dat niet aannemelijk is dat [verdachte] enkel een (willoze) katvanger was.
Ten aanzien van het feitelijke leidinggeven aan de verboden gedragingen van [naam bedrijf BV 1] weegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende mee. Met betrekking tot feit 1 geldt dat [verdachte] de brieven van de Belastingdienst doorspeelde aan [medeverdachte] en hem vroeg contact op te nemen met de Belastingdienst. [verdachte] liet het contact met de Belastingdienst over aan [medeverdachte] , terwijl hij wist dat de Belastingdienst vragen wilde stellen over de onderneming. Met betrekking tot feit 3 weegt nog mee dat [verdachte] contact heeft gehad met [persoon 2], degene die één van de aangiften omzetbelasting heeft gedaan.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van [naam bedrijf BV 1] .

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
hij in de periode vanaf 6 oktober 2020 tot en met 23 maart 2021 in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten;
- een aanvraagformulier TVL 1.0 (DOC-042-01) en
- een aanvraagformulier TVL-Q4-2020 (DOC-043-01) en
- drie, althans een aantal, btw-overzichten (DOC-042-04, DOC-042-05, DOC-043-02),
als ware deze echt;
2.
[naam bedrijf BV 1] in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 14 januari 2021 in Nederland, telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot;
- het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan en
- het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
deze gegevensdragers of de inhoud daarvan opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar heeft gesteld en deze medewerking opzettelijk niet heeft verleend, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven aan welke bovenomschreven gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
3.
[naam bedrijf BV 1] in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 oktober 2020 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over het
3e kwartaal 2019 en
1e kwartaal 2020 en
2e kwartaal 2020 en
3e kwartaal 2020
onjuist heeft gedaan, immers heeft [naam bedrijf BV 1] telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd tijdvak geen omzet aangegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
aan welke bovenomschreven gedraging verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 360 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de omstandigheid dat sprake is van oude feiten en een schending van de redelijke termijn, dat verdachte openheid van zaken heeft gegeven en dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich allereerst schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte, door het doen van een TVL-aanvraag namens [naam bedrijf BV 1] , terwijl dit bedrijf daar geen recht op had. De rechtbank rekent verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van deze compensatieregeling voor bedrijven die dat nodig hadden. Ten gevolge hiervan is ten onrechte € 40.000,- aan [naam bedrijf BV 1] uitgekeerd.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het feitelijke leidinggeven aan het niet-meewerken aan een boekenonderzoek en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. De Belastingdienst moet kunnen controleren wat in de belastingaangiften is opgenomen en daarnaast moet zij kunnen vertrouwen op de juistheid van de in belastingaangiften opgenomen gegevens. Dit vertrouwen is door de gedragingen van verdachte geschaad. Bovendien hebben deze feiten ertoe geleid dat te weinig belasting werd afgedragen, waardoor niet alleen de Belastingdienst, maar feitelijk gezien de hele samenleving, is geschaad. Het belastingnadeel betreft ongeveer € 250.000,-.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Redelijke termijn
Verdachte is op 23 mei 2023 in verzekering gesteld. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat dit (onder andere) kan worden aangewezen als het moment waarop de redelijke termijn start. Aangezien in maart 2026 vonnis wordt gewezen, stelt de rechtbank vast dat het afronden van de zaak 34 maanden heeft geduurd. In beginsel is de redelijke termijn in strafzaken 24 maanden. Echter, de rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een groot onderzoek met onder andere een internationale component. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding om te oordelen dat de redelijke termijn in dit geval langer is dan 24 maanden en oordeelt dat de redelijke termijn met de verstreken periode van 34 maanden niet is geschonden.
Strafoplegging
De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van feit 1 openheid van zaken heeft gegeven. Daarnaast weegt de rechtbank bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte mee dat de rechtbank hierna in dit vonnis bepaalt dat verdachte de € 40.000,-, die (ten gevolge van feit 1) onterecht aan [naam bedrijf BV 1] is uitgekeerd, moet terugbetalen. Gelet op de omstandigheden van het geval en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 360 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

8.Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert een bedrag van € 40.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De rechtbank stelt de begindatum van de wettelijke rente vast op 8 oktober 2020, de datum waarop het geldbedrag door de [benadeelde partij] aan [naam bedrijf BV 1] is uitgekeerd.
Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die [benadeelde partij] heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [benadeelde partij] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 40.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.
De rechtbank overweegt dat de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel niet zou moeten worden opgelegd, omdat [benadeelde partij] een overheidsinstantie is. De rechtbank oordeelt echter dat blijkens vaste rechtspraak van het Hof Amsterdam ook in dergelijke gevallen in beginsel de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. Er is ook niet gesteld of gebleken dat [benadeelde partij] over andere incasso-mogelijkheden beschikt dan andere benadeelden.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2:
feitelijke leidinggeven aan het ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan en deze opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar stellen en ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen te verlenen en opzettelijk deze medewerking niet verlenen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
Ten aanzien van feit 3:
feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 360 (driehonderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 40.000,- (veertigduizend euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 oktober 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 40.000,- (veertigduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 oktober 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 191 (honderdéénennegentig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.
[...]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (onderzoek Glenavy) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.
2.De bewijsmiddelen:
3.DOC-123-01, p. 2949 en 2950; DOC-123-02, p. 2951 en DOC-123-03, p. 2952 en 2953.
4.ZD-001-01, p. 182.
5.AMB-003-01, p. 833.
6.AMB-003-01, p. 833 en 834 en DOC-025-01, p. 1485 t/m 1487.
7.AMB-010-01, p. 872 t/m 879.
8.DOC-005-01, p. 1387 en 1388.
9.Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026.
10.DOC-001-01, p. 1356.
11.G-012-01, p. 737.
12.G-026-02, p. 794.
13.G-026-01, p. 790.
14.DOC-006-01, p. 1389 en 1390.
15.V-011-01, p. 702 en 703.
16.Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026.
17.AMB-030-01, p. 1037.
18.Verklaring verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026.
19.AMB-030-01, p. 1037 en 1038.
20.AMB-030-01, p. 1039 en DOC-098-01.
21.AMB-030-01, p. 1040 en DOC-098-11, p. 2534 en DOC-098-12, p. 2535.
22.AMB-030-01, p. 1040 en DOC-098-16, p. 2539.
23.DOC-098-16, p. 2543 en DOC-098-06, p. 2529.
24.V-001-01, p. 299.
25.AMB-030-01, p.1046; DOC-098-08, p. 2531 en DOC-098-16, p. 2545.
26.DOC-123-01, p. 2949.
27.AMB-010-01, p. 880.
28.AMB-011-02, p.898.
29.AMB-011-01, p. 897.
30.DOC-108-14, p. 2750 en DOC-108-15, p. 2751.
31.AMB-031-01, p. 1050.
32.V-002-01, p.373.
33.G-019-01, p. 755.
34.AMB-026-01, p. 984.
35.DOC-014-01, p. 1452.
36.DOC-065-03, p. 1958 t/m 1962.
37.DOC-046-01, p. 1552 en 1553.
38.DOC-126-01, p. 3012, 3013 en 3015.
39.AMB-011-01, p. 894.
40.AMB-007-01, p. 849.
41.AMB-007-01, p. 850.
42.V-001-01, p. 294.