Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2553

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
81/119513-23 (Promis)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling feitelijke leidinggeven aan niet meewerken aan boekenonderzoek en onjuiste belastingaangiften

De rechtbank Amsterdam heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van feitelijke leidinggeven aan het niet voldoen aan verplichtingen bij een boekenonderzoek door [bedrijfsnaam 1] B.V. en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Verdachte werd tevens verdacht van medeplegen van gebruik van valse geschriften bij een aanvraag van een tegemoetkoming vaste lasten en het gebruik van nihilaangiften omzetbelasting.

De rechtbank verklaarde de officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk voor een deel van de tenlastelegging met betrekking tot het derde en vierde kwartaal van 2022 en sprak verdachte vrij van de feiten betreffende het gebruik van valse geschriften en nihilaangiften omzetbelasting. Feiten betreffende het niet meewerken aan het boekenonderzoek en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting over diverse kwartalen werden bewezen verklaard. Verdachte en medeverdachte werden beiden als feitelijke leidinggevenden van [bedrijfsnaam 1] aangemerkt.

De rechtbank motiveerde de bewezenverklaring met onder meer banktransacties, WhatsApp-berichten, verklaringen van getuigen en het dossieronderzoek. Verdachte had contact met de Belastingdienst en was betrokken bij de administratie en aangiften. De rechtbank oordeelde dat verdachte strafbaar was en legde een taakstraf van 360 uur op met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, rekening houdend met de ernst van de feiten, het strafblad van verdachte en de duur van de procedure.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 360 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden voor feitelijke leidinggeven aan het niet meewerken aan een boekenonderzoek en het doen van onjuiste belastingaangiften.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/119513-23
Datum uitspraak: 5 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,
wonende op het adres [adres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C. Crince Le Roy, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich tussen oktober 2019 en februari 2023 heeft schuldig gemaakt aan
1. feitelijke leidinggeven aan het door [bedrijfsnaam 1] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 1] ) opzettelijk niet voldoen aan de verplichting om administratie beschikbaar te stellen aan de Belastingdienst, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
2. medeplegen van gebruikmaken van valse geschriften bij de aanvraag van een tegemoetkoming vaste lasten, als ware deze echt en onvervalst;
3. feitelijke leidinggeven aan het door [bedrijfsnaam 1] indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting, door in deze aangiften geen of een te laag bedrag aan omzetbelasting op te geven, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
4. medeplegen van het voorhanden hebben/gebruikmaken van valse geschriften als ware zij echt en onvervalst, namelijk nihilaangiften omzetbelasting.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.
Preliminair verweer van de verdediging
Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde. Het indienen van onjuiste aangiften omzetbelasting is aan verdachte ten laste gelegd als het gebruikmaken van valse geschriften (artikel 225 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht (hierna: Sr)), terwijl dit feit in casu ook valt onder het (opzettelijk) doen van onjuiste belastingaangiften (artikel 69 lid 2 Algemene Pro wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)). Blijkens artikel 69 lid 4 AWR Pro is vervolging voor artikel 225 lid 2 Sr Pro om die reden uitgesloten.
3.2.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van feit 4. Omdat er met betrekking tot de belastingaangiften over het eerste en tweede kwartaal van 2022 een juridische discussie gevoerd kan worden over de vraag, of sprake is van een bij de belastingwet voorziene aangifte, is op voorhand meegedeeld dat het Openbaar Ministerie voornemens is een wijziging van de tenlastelegging te vorderen en feit 4 cumulatief/alternatief ten laste te leggen als het (opzettelijk) onjuist doen van belastingaangiften.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de officier van justitie gedeeltelijk niet-ontvankelijk in de vervolging van feit 4, en wel voor zover dit feit betrekking heeft op de aangiften omzetbelasting over het derde en vierde kwartaal van 2022. De niet-ontvankelijkheid ziet op het gedeelte “en/of derde en/of vierde” in de tenlastelegging van dit feit. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Ten aanzien van de aangiften over deze kwartalen geldt dat het verwijt is dat de aangiften onjuist/onvolledig zijn gedaan, terwijl deze aangiften ook daadwerkelijk kunnen worden aangemerkt als bij de belastingwet voorziene aangiften. De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de verdenking met betrekking tot deze feiten de vervolging van artikel 225 lid 2 Sr Pro is uitgesloten, zoals blijkt uit artikel 69 lid 4 AWR Pro. Dat de officier van justitie op voorhand heeft meegedeeld voornemens te zijn om ten aanzien van dit feit een wijziging van de tenlastelegging te vorderen, maakt dit niet anders.
Met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het eerste en tweede kwartaal van 2022 geldt dat het verwijt erop ziet dat deze aangiften te laat en pas na een ambtshalve aanslag van de Belastingdienst zijn ingediend. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er gezien die omstandigheid een discussie gevoerd kan worden over de vraag of deze aangiften als bij de belastingwet voorziene aangiften kunnen worden aangemerkt. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dan ook ten aanzien van deze aangiften omzetbelasting en verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging hiervan.
De officier van justitie is eveneens ontvankelijk in de vervolging van de overige feiten op de tenlastelegging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van feit 3 dient verdachte partieel te worden vrijgesproken voor zover dit ziet op het tweede kwartaal van 2019. Het onder 2 ten laste gelegde kan niet worden bewezen en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken.
4.2.
Standpunt van de verdediging
Verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde, omdat dit niet kan worden bewezen. Verdachte heeft feit 4 bekend en de verdediging refereert zich met betrekking tot dat feit aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Samenvatting oordeel
De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet kan worden bewezen en spreekt verdachte hiervan vrij. De rechtbank is voorts van oordeel dat ook het onder 4 ten laste gelegde niet kan worden bewezen, zoals in rubriek 4.3.2 uiteengezet zal worden. Verdachte zal daarom ook van feit 4 worden vrijgesproken.
De rechtbank acht het onder 1 en 3 ten laste gelegde wel bewezen op grond van de in rubriek 4.3.3 opgenomen bewijsmiddelen en overwegingen. Tot slot is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat feit 3 gedeeltelijk niet kan worden bewezen, namelijk voor zover dit feit betrekking heeft op het tweede kwartaal van 2019. De rechtbank zal verdachte hiervan partieel vrijspreken.
Ten behoeve van de leesbaarheid zal de rechtbank in de rubrieken 4.3.2 en 4.3.3 verdachte aanduiden als ‘ [verdachte] ’ en medeverdachte [medeverdachte] als ‘ [medeverdachte] ’.
4.3.2.
Motivering vrijspraak feit 4 – [bedrijfsnaam 6] B.V.
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat hij (kort gezegd) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van nihilaangiften omzetbelasting van [bedrijfsnaam 6] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 6] ) over het eerste en tweede kwartaal van 2022. Verdachte heeft verklaard dat hij deze aangiften namens [bedrijfsnaam 6] heeft ingediend. Uit het dossier blijkt echter dat dit nihilaangiften betreffen die zijn ingediend nadat een ambtshalve aanslag is opgelegd door de Belastingdienst. Blijkens vaste jurisprudentie worden dergelijke aangiften niet aangemerkt als bij de belastingwet voorziene aangiften, maar als bezwaarschriften tegen de ambtshalve aanslag. Uit jurisprudentie blijkt voorts dat aan een tegen een belastingaanslag gericht bezwaarschrift als zodanig, voor zover dat bezwaarschrift ertoe strekt het bedrag van de aanslag tot een bepaald bedrag te verminderen, in het maatschappelijk verkeer niet een zodanige betekenis voor het bewijs van de inhoud ervan pleegt te worden toegekend dat daaraan een bewijsbestemming in de zin van artikel 225 Sr Pro toekomt. [1] De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de nihilaangiften van [bedrijfsnaam 6] in dit geval niet als geschriften met een bewijsbestemming kunnen worden aangemerkt. Feit 4 kan dan ook niet worden bewezen en de rechtbank spreekt [verdachte] hiervan vrij.
4.3.3.
Motivering bewezenverklaring feiten 1 en 3 - [bedrijfsnaam 1]
De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast. [2]
Verboden gedragingen door [bedrijfsnaam 1]
Feit 1
Uit het dossier blijkt dat op 14 augustus 2020 voor het eerst door de Belastingdienst een boekenonderzoek is aangekondigd bij [bedrijfsnaam 1] . Tot en met 14 januari 2021 zijn verschillende pogingen gedaan om contact op te nemen met [bedrijfsnaam 1] en een afspraak in te plannen voor dit boekenonderzoek, en is verzocht om de administratie aan de Belastingdienst te overleggen. Hiervoor zijn onder andere het bij de Belastingdienst bekende telefoonnummer en e-mailadres van [bedrijfsnaam 1] gebruikt. Blijkens deze stukken is namens [bedrijfsnaam 1] een aantal keer gereageerd op deze verzoeken. Deze reacties waren echter niet inhoudelijk gericht op het aangekondigde boekenonderzoek, maar hierin werd bijvoorbeeld naar voren gebracht dat de contactpersoon in quarantaine zat en meer tijd nodig had. [3] Uiteindelijk is er geen administratie aangeleverd door [bedrijfsnaam 1] en heeft geen boekenonderzoek plaats kunnen vinden. [4] Uit artikel 47 en Pro 52 AWR blijkt dat [bedrijfsnaam 1] hiertoe wel verplicht was.
Aangezien namens [bedrijfsnaam 1] wel enige reactie is gekomen op de verzoeken van de Belastingdienst, maar niet daadwerkelijk is voldaan aan de verplichtingen die volgen uit de AWR, stelt de rechtbank vast dat de verzoeken bekend zijn geweest bij [bedrijfsnaam 1] .
Feit 3
Daarnaast blijkt uit het dossier dat [bedrijfsnaam 1] in de aangiften omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 en het eerste tot en met het derde kwartaal van 2020 geen omzet heeft aangegeven. [5] Uit het VAT Information Exchange System (hierna: VIES) blijkt echter dat [bedrijfsnaam 1] auto’s heeft aangekocht van bedrijven in Duitsland en België, onder dekking van haar omzetbelastingnummer. De som van deze aankopen moest in het aangifteformulier worden vermeld en een deel van dit bedrag was [bedrijfsnaam 1] aan omzetbelasting verschuldigd. [6] Uit onderzoek naar de bankrekeningen op naam van [bedrijfsnaam 1] blijkt dat, in de periode waarin de nihilaangiften plaatsvonden, veel transacties plaatsvonden waarbij in de omschrijving verwijzingen staan naar automerken, autotypes of kentekens. Ook vinden deze transacties onder andere plaats van en naar bankrekeningen waarbij de naam van de geadresseerde van de transactie bijvoorbeeld “ [benaming 1] ”, “ [benaming 2] ” of “ [benaming 3] ” bevat. Ook wordt van Nederlandse bedrijven geld ontvangen, waaronder bedrijven met “ [benaming 4] ” in de naam. In totaal ontvangt [bedrijfsnaam 1] in de voornoemde periode honderdduizenden euro’s op haar bankrekeningen. Bovendien vinden op de rekeningen voor honderdduizenden euro’s aan contante stortingen plaats. [7] De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat [bedrijfsnaam 1] in de genoemde periode bedrijfsactiviteiten verrichtte, waaronder in ieder geval de aan- en verkoop van auto’s. Het kan redelijkerwijs dan ook niet zijn anders dan dat [bedrijfsnaam 1] , in de periode waarop de in de tenlastelegging genoemde aangiften omzetbelasting zien, omzet heeft gemaakt. Dat maakt dat de aangiften onjuist zijn gedaan.
Strekkingsvereiste
De rechtbank overweegt dat het te weinig omzet aangeven in de aangifte omzetbelasting (feit 3), ertoe heeft geleid dat te weinig belasting is geheven. Daarnaast heeft het niet-meewerken aan een boekenonderzoek en het niet-overleggen van administratie aan de Belastingdienst (feit 1) ertoe kunnen leiden dat niet bekend is geworden dat meer omzet is gemaakt dan in de aangifte omzetbelasting is aangegeven. De rechtbank oordeelt dan ook dat deze feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven.
Conclusie
De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat kan worden bewezen dat [bedrijfsnaam 1] de verboden gedragingen heeft begaan zoals in de tenlastelegging onder 1 en 3 beschreven.
Feitelijke leidinggeven
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld, of kan worden bewezen dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van [bedrijfsnaam 1] . In de verhoren bij de politie heeft [verdachte] zich op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft hij wel een verklaring afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij werkzaam is geweest voor [bedrijfsnaam 1] , maar dat [medeverdachte] de leidinggevende was. Hij deed wat hem door [medeverdachte] werd gevraagd, maar hij heeft zich niet beziggehouden met de administratie en nooit belastingaangiften ingediend. Als [medeverdachte] hem iets vroeg, probeerde [verdachte] antwoord of advies te geven op basis van informatie die hij op internet vond. De bevindingen in het dossier moeten volgens [verdachte] dan ook op deze manier worden uitgelegd.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij enkel op papier de leidinggevende van [bedrijfsnaam 1] was en dat [verdachte] feitelijk de leiding had. Hij zou niets weten van administratie of het doen van belastingaangiften. [verdachte] zou uit naam van [medeverdachte] bijvoorbeeld brieven aan de Belastingdienst hebben gestuurd. Bij de oprichting van [bedrijfsnaam 1] zou [verdachte] [medeverdachte] hebben beloofd, dat hij alles zou regelen voor de onderneming, dat [medeverdachte] de onderneming alleen op zijn naam moest krijgen en dat ze op die manier geld konden verdienen. [medeverdachte] verrichtte alleen kleine werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 1] , zoals het op naam zetten van auto’s.
De rechtbank is van oordeel dat zowel [medeverdachte] als [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan [bedrijfsnaam 1] en de verboden gedragingen van deze onderneming, en overweegt daartoe als volgt.
Rol [medeverdachte]
Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte] van 22 maart 2019 tot 11 februari 2021 op papier directeur en enig aandeelhouder was van [bedrijfsnaam 1] . [8]
De aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2019 is ingediend door [administratiekantoor] en [bedrijfsnaam 2] . [9] [naam 1] , eigenaar van deze onderneming, heeft verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden voor [bedrijfsnaam 1] contact had met ene [medeverdachte] . [10]
Boekhouder [naam 2] heeft verklaard dat hij werkzaamheden verrichtte voor [bedrijfsnaam 1] en dat hij daarvoor contact had met iemand die hij op een Marokkaan vond lijken. Deze persoon kwam met cijfers, bankafschriften en facturen over dat jaar bij hem. De naam van deze persoon kent hij niet. [11] [naam 2] heeft verder verklaard dat hij [verdachte] wel kent. [12] Of [medeverdachte] degene is met wie [naam 2] contact heeft gehad, kan de rechtbank op basis van het voorgaande niet vaststellen. Wel maakt de rechtbank uit het voorgaande op dat iemand anders dan [verdachte] contact had met deze boekhouder. Dit is strijdig met de verklaring van [medeverdachte] , dat alleen [verdachte] alle financiële en administratieve zaken regelde voor [bedrijfsnaam 1] .
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij de aanvragen tegemoetkoming vaste lasten (TVL-aanvragen) heeft gedaan en dat hij dit buiten medeweten van [verdachte] heeft gedaan. [13]
Daarnaast blijkt uit het dossier dat [persoon] op 11 februari 2021 directeur en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] is geworden. [14] [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de overdracht heeft geregeld en dat hij [persoon] alleen heeft gezien bij de overdracht van de onderneming bij de notaris.
[persoon] heeft echter verklaard dat hij [bedrijfsnaam 1] heeft overgenomen nadat dit door [medeverdachte] aan hem is aangeboden. Hij heeft verklaard dat hij [verdachte] niet kent en dat hij ten aanzien van alles met betrekking tot [bedrijfsnaam 1] contact had met [medeverdachte] . Hij heeft [medeverdachte] meerdere malen gezien. [15]
Rol [verdachte]
De FIOD heeft onderzoek gedaan aan de telefoon die bij [medeverdachte] is aangetroffen. De naam van de telefoon is 'iPhone van [medeverdachte] '. Het telefoonnummer dat aan deze telefoon is gekoppeld, is [telefoonnummer 1] . [16] [medeverdachte] heeft verklaard dat hij gebruikmaakt van dit telefoonnummer. [17] De rechtbank stelt dan ook vast dat [medeverdachte] degene is die van dit telefoonnummer gebruikmaakt.
In de telefoon is een WhatsApp-gesprek aangetroffen tussen [medeverdachte] en de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] die in het WhatsApp-gesprek wordt aangeduid als [verdachte] . [18] [verdachte] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inderdaad de gebruiker is geweest van dit telefoonnummer en dat hij dit WhatsApp-gesprek heeft gevoerd. [19]
In dit WhatsApp-gesprek worden onder andere op 2 oktober 2019 door [medeverdachte] foto’s gestuurd waarop volgens de FIOD een brief van de Belastingdienst (met bijlage) te zien is, gericht aan [bedrijfsnaam 1] , die betreft: “Vaststelling belastingplicht” en waarop de woorden “Omzetbelasting” en “Vennootschapsbelasting” staan vermeld. [20] Naar aanleiding van deze foto stuurt [medeverdachte] : “heb je over gemaakt ol”, waarop het antwoord van [verdachte] volgt: “Nee nog niet”, “Doe het morgen ochtend [naam 3] ” en “Heb die pas niet hier bij me”. [21]
In het WhatsApp-gesprek wordt op 11 augustus 2020 door [medeverdachte] gestuurd: “Brieven komen weer by me broertje thuis”, waarna hij een foto doorstuurt waarop een brief van de ING Bank is te zien. Hierop is onder andere te lezen dat er eerder vragen zijn gesteld over bedrijfsactiviteiten en de bestemming van opgenomen contante gelden, maar dat hier na één keer niet meer inhoudelijk op is gereageerd. [medeverdachte] stuurt hierna onder andere naar [verdachte] “Ze hebben 2. Brieven gestuurd”, “Ze chekken by de balstinedienst”, “Ben bang dat che probleem gaat worden” en “Morgen gaan we ze bellen kijken wat ze gaan zeggen”. [verdachte] reageert met: “ [naam 4] hou op met stressen aub” en “Ik ga het morgen regelen is niks aan de hand geloof me”. [medeverdachte] stuurt daarna: “ [naam 5] snel als ik dat sorten dingen zie man”, waarna [verdachte] afsluit met onder andere: “Hahaha komt goed”. [22] [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op enig moment brieven van de Belastingdienst ontving en dat hij hierover contact opnam met [verdachte] . [verdachte] zou hierop hebben gezegd dat hij het zou regelen. [23]
Op 14 augustus 2020 stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] een foto van een document waarop onder andere te lezen is: “Betreft: Aankondiging boekenonderzoek”. [medeverdachte] stuurt daarna: “Bel die balansting aub morgen andere ga ik ze bellen als je niet kan”. [verdachte] stuurt op 15 september 2020 onder andere terug: “Heb hem gesproken heb hem mail gestuurd” en “Half oktober afspraak”. [24] Uit het dossier blijkt dat de Belastingdienst op 15 september 2020 een mail heeft ontvangen van “dhr. [medeverdachte] ”, waarover het volgende wordt geschreven: “Mail ontvangen dat meneer de afgelopen twee weken in quarantaine zat en niet bij zijn post kon. Wil het onderzoek laten plaatsvinden in het bijzijn van de adviseur en stelt een paar datums half oktober 2020 voor.” [25] Hieruit trekt de rechtbank de conclusie dat [verdachte] degene is die (uit naam van [medeverdachte] ) een mail heeft gestuurd naar de Belastingdienst.
Op de bankrekening van [verdachte] ( [rekeningnummer] ) is in de periode van 15 februari 2020 tot en met 24 oktober 2020 in totaal een bedrag van € 27.665,27 overgemaakt vanaf de rekening van [bedrijfsnaam 1] . Bij transacties van in totaal € 20.893,35 is in de omschrijving “salaris” te lezen. [26] Bovendien hebben twaalf transacties van in totaal € 10.940,45 plaatsgevonden vanaf de privérekening van [verdachte] naar de bankrekening van [bedrijfsnaam 1] . [27]
Ook worden op de privérekening van [verdachte] in de periode van 5 augustus 2020 tot en met 5 november 2020 vanaf vijf verschillende Duitse bankrekeningen bedragen overgemaakt van in totaal € 15.233,06. In de omschrijving van deze transacties komen verwijzingen voor naar “Kaution”, het Duitse woord voor “borg”. Bovendien staat in de omschrijving van deze transacties bijvoorbeeld: “VW Polo”, “Tiguan” en “VW TIGUAN”. [28] De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat vanaf deze Duitse rekeningnummers geld werd overgemaakt naar de privérekening van [verdachte] ten behoeve van borgbetalingen voor (de aankoop van) auto’s.
Op facturen van [bedrijfsnaam 3] B.V. gericht aan [bedrijfsnaam 1] staat bij contactgegevens van [bedrijfsnaam 1] het telefoonnummer [telefoonnummer 3] vermeld. [29] Dit is het telefoonnummer dat gekoppeld is aan de telefoon die onder [verdachte] in beslag is genomen [30] en waarvan [verdachte] heeft verklaard dat hij dit telefoonnummer gebruikt. [31]
Getuige [getuige] heeft op de vraag, of hij [verdachte] kent, verklaard dat hij vermoed dat hij van hem een Volkswagen Golf heeft gekocht. Hiervoor heeft hij op 21 september 2020 bedragen van € 5.000,- en € 3.000,- overgemaakt, en op 3 oktober 2020 een bedrag van € 1.000,-, vanaf de bankrekeningen van zijn eenmanszaak [bedrijfsnaam 4] . [32] Op de eerdergenoemde privébankrekening van [verdachte] worden op 21 september 2020 en 3 oktober 2020 de voornoemde bedragen ontvangen vanaf een bankrekening ten name van [bedrijfsnaam 4] . [33] Op een factuur van [bedrijfsnaam 5] GmbH, gericht aan [bedrijfsnaam 1] , staat vermeld: “VW Golf [kentekennummer 1] [nummer 1] ”. [34] [getuige] heeft op 28 september 2020 bpm-aangifte gedaan voor de Volkswagen Golf met het chassisnummer [nummer 1] . [35] De rechtbank maakt uit het voorgaande op dat [getuige] een auto heeft gekocht en het geld hiervan heeft overgemaakt naar de privérekening van [verdachte] . Dit terwijl deze auto op naam van [bedrijfsnaam 1] is aangekocht.
Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft de Belastingdienst in augustus 2020 voor het eerst aangekondigd een boekenonderzoek te willen doen bij [bedrijfsnaam 1] . Uit het dossier blijkt dat [verdachte] op 15 september 2020 [bedrijfsnaam 6] heeft opgericht, een onderneming met als bedrijfsactiviteiten onder andere handel in en reparatie van auto’s. [36]
Ook is op naam van [verdachte] een consignatieovereenkomst gesloten met [bedrijfsnaam 7] V.O.F., met betrekking tot de verkoop van een auto met kenteken [kentekennummer 2] voor een overeengekomen verkoopprijs van € 7.900,-. Deze auto stond blijkens het kentekenbewijs op naam van [bedrijfsnaam 1] . [37] Op 18 september 2020 is door [bedrijfsnaam 7] V.O.F. een bedrag van € 7.900,- overgemaakt naar de privébankrekening van [verdachte] , met als omschrijving: “Inkoop [kentekennummer 2] ”. [38]
Tot slot blijkt uit het dossier dat de aangiften omzetbelasting van [bedrijfsnaam 1] over het tweede en derde kwartaal van 2020 zijn gedaan op respectievelijk 5 september 2020 en 31 oktober 2020 vanaf het IP-adres 77.164.42.1. [39] Uit gegevens van de Rabobank blijkt dat vanaf ditzelfde IP-adres in de periode van 15 mei 2020 tot en met 24 oktober 2020, 157 keer via internetbankieren is ingelogd op de privébankrekening van [verdachte] . [40] [medeverdachte] heeft ook verklaard dat [verdachte] de aangiften omzetbelasting deed. [41]
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat [verdachte] en [medeverdachte] (tot op zekere hoogte) rollen van vergelijkbare grootte hebben gehad en beiden als feitelijke leidinggever van [bedrijfsnaam 1] kunnen worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt op grond van het voorgaande dat de verklaring van [verdachte] , dat hij (kort gezegd) voor [medeverdachte] werkte en in zijn opdracht een aantal werkzaamheden verrichte voor [bedrijfsnaam 1] , niet aannemelijk is. Allereerst blijkt uit het voorgaande dat [medeverdachte] hierover heeft verklaard dat hij brieven van de Belastingdienst doorstuurde naar [verdachte] en dat [verdachte] meedeelde dat hij dit zou oplossen. Ook zou [verdachte] volgens [medeverdachte] de aangiften omzetbelasting voor [bedrijfsnaam 1] hebben gedaan. De verdediging heeft als verweer gevoerd, dat de verklaring van [medeverdachte] moet worden uitgesloten van het bewijs omdat deze onbetrouwbaar zou zijn. De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat in algemene zin voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van de verklaring van een medeverdachte. De voornoemde onderdelen van de verklaring van [medeverdachte] vinden echter voldoende steun in het dossier. Daarbij weegt de rechtbank mee dat in ieder geval twee van de aangiften omzetbelasting zijn gedaan vanaf een IP-adres waarmee in dezelfde periode ook werd ingelogd op de bankrekening van [verdachte] . Daarnaast blijkt uit het voorgaande dat [verdachte] , na het ontvangen van een brief van de Belastingdienst, inderdaad aan [medeverdachte] bericht dat hij het gaat regelen. Bovendien bericht [verdachte] op een ander moment aan [medeverdachte] , dat hij contact heeft opgenomen met de Belastingdienst en wordt op diezelfde dag door de Belastingdienst een e-mail geregistreerd namens [bedrijfsnaam 1] , op naam van [medeverdachte] . De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat [verdachte] (onder de naam van [medeverdachte] ) namens [bedrijfsnaam 1] contact had met de Belastingdienst. Uit het voorgaande blijkt bovendien dat [verdachte] geld op zijn bankrekening kreeg voor bijvoorbeeld borgsommen van auto’s, dat de verkoopprijs van twee auto’s op naam van [bedrijfsnaam 1] op zijn privébankrekening werden overgemaakt en dat op een aantal facturen aan [bedrijfsnaam 1] het telefoonnummer van [verdachte] staat. Tot slot weegt de rechtbank de omstandigheid mee dat [verdachte] , de maand na het aankondigen van het boekenonderzoek bij [bedrijfsnaam 1] door de Belastingdienst, een nieuwe onderneming start met vergelijkbare bedrijfsactiviteiten als [bedrijfsnaam 1] .
De verklaring van [medeverdachte] , dat [verdachte] alles regelde binnen [bedrijfsnaam 1] en dat hij alleen in naam leiding gaf aan de onderneming, acht de rechtbank echter ook niet aannemelijk. Uit de bewijsmiddelen maakt de rechtbank op dat [medeverdachte] contact had met in ieder geval één boekhouder, dat hij namens [bedrijfsnaam 1] , zonder medeweten van [verdachte] , een TVL-aanvraag heeft gedaan en dat hij veelvuldig betrokken was bij contact over de overdracht van [bedrijfsnaam 1] aan [persoon] . Bovendien had [medeverdachte] in ieder geval contact met [verdachte] over brieven van de Belastingdienst.
Ten aanzien van het feitelijke leidinggeven aan de verboden gedragingen van [bedrijfsnaam 1] weegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende mee. Met betrekking tot feit 1 geldt dat [medeverdachte] de brieven van de Belastingdienst doorspeelde aan [verdachte] en hem vroeg contact op te nemen met de Belastingdienst. [verdachte] heeft, zoals hiervoor vastgesteld, uiteindelijk contact opgenomen met de Belastingdienst. Met betrekking tot feit 3 weegt mee dat [medeverdachte] heeft verklaard dat [verdachte] de aangiften omzetbelasting heeft gedaan en dat een aantal hiervan is gedaan vanaf het IP-adres waarmee ook op de bankrekening van [verdachte] werd ingelogd.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande dan ook tot het oordeel dat [verdachte] feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van [bedrijfsnaam 1] .

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1.
[bedrijfsnaam 1] B.V. in de periode van 14 augustus 2020 tot en met 14 januari 2021 in Nederland,
telkens als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot;
- het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers of de inhoud daarvan en
- het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
deze gegevensdragers of de inhoud daarvan opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar heeft gesteld en deze medewerking opzettelijk niet heeft verleend, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven gedraging verdachte telkens feitelijke leiding heeft gegeven;
3.
[bedrijfsnaam 1] B.V. in de periode van 1 oktober 2019 tot en met 31 oktober 2020 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften als bedoeld in de algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over het
3e kwartaal 2019 en
1e kwartaal 2020 en
2e kwartaal 2020 en
3e kwartaal 2020
onjuist heeft gedaan, immers heeft [bedrijfsnaam 1] B.V. telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet omzetbelasting over genoemd tijdvak geen omzet aangegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;
aan welke bovenomschreven gedraging verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 480 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.
8.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en de eis van de officier van justitie te volgen. Bij dit verzoek weegt mee dat verdachte nu een baan heeft en kostwinner is. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn is geschonden en verzoekt de rechtbank om daar rekening mee te houden.
8.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijke leidinggeven aan het niet-meewerken aan een boekenonderzoek en het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. De Belastingdienst moet kunnen controleren wat in de belastingaangiften is opgenomen en daarnaast moet zij kunnen vertrouwen op de juistheid van de in belastingaangiften opgenomen gegevens. Dit vertrouwen is door de gedragingen van verdachte geschaad. Bovendien hebben deze feiten ertoe geleid dat te weinig belasting werd afgedragen, waardoor niet alleen de Belastingdienst, maar feitelijk gezien de hele samenleving, is geschaad. Het belastingnadeel betreft ongeveer € 250.000,-.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 7 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.
Redelijke termijn
Verdachte is op 23 mei 2023 in verzekering gesteld. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat dit (onder andere) kan worden aangewezen als het moment waarop de redelijke termijn start. Aangezien in maart 2026 vonnis wordt gewezen, stelt de rechtbank vast dat het afronden van de zaak 34 maanden heeft geduurd. In beginsel is de redelijke termijn in strafzaken 24 maanden. Echter, de rechtbank stelt vast dat sprake is geweest van een groot onderzoek met onder andere een internationale component. De rechtbank ziet hierin dan ook aanleiding om te oordelen dat de redelijke termijn in dit geval langer is dan 24 maanden en oordeelt dat de redelijke termijn met de verstreken periode van 34 maanden niet is geschonden.
Strafoplegging
Gelet op de omstandigheden van het geval en de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf opleggen van 360 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Daarmee wijkt de rechtbank af van de door de officier van justitie geëiste straf, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart de
officier van justitie niet-ontvankelijkin de vervolging van verdachte ter zake van een gedeelte van het onder 4 ten laste gelegde, namelijk met betrekking tot “en/of derde en/of vierde”.
Verklaart het onder 2 en 4 ten laste gelegde
niet bewezenen spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart
bewezendat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
feitelijke leidinggeven aan het ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan en deze opzettelijk niet voor dit doel beschikbaar stellen en ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het verlenen van medewerking als bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen te verlenen en opzettelijk deze medewerking niet verlenen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
Ten aanzien van feit 3:
feitelijke leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 360 (driehonderdzestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 180 (honderdtachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en M. Wiewel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.C. Roodenburg, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 maart 2026.
[..]
.

Voetnoten

1.Vgl. HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1847, ro. 2.4.2.
2.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (onderzoek Glenavy) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met DOC aangeduide bewijsmiddelen zijn steeds geschriften. De inhoud van de bewijsmiddelen is steeds zakelijk weergegeven.
3.DOC-123-01, p. 2949 en 2950; DOC-123-02, p. 2951 en DOC-123-03, p. 2952 en 2953.
4.ZD-001-01, p. 182.
5.AMB-003-01, p. 833.
6.AMB-003-01, p. 833 en 834 en DOC-025-01, p. 1485 t/m 1487.
7.AMB-010-01, p. 872 t/m 879.
8.DOC-005-01, p. 1387 en 1388.
9.DOC-001-01, p. 1356.
10.G-012-01, p. 737.
11.G-026-02, p. 794.
12.G-026-01, p. 790.
13.DOC-132-01, p. 3041.
14.DOC-006-01, p. 1389 en 1390.
15.V-011-01, p. 702 en 703.
16.AMB-030-01, p. 1037.
17.V-001-01, p. 286.
18.AMB-030-01, p. 1037 en 1038.
19.De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026 heeft afgelegd.
20.AMB-030-01, p. 1040 en DOC-098-11, p. 2534 en DOC-098-12, p. 2535.
21.AMB-030-01, p. 1040 en DOC-098-16, p. 2539.
22.DOC-098-16, p. 2543 en DOC-098-06, p. 2529.
23.V-001-01, p. 299.
24.AMB-030-01, p.1046; DOC-098-08, p. 2531 en DOC-098-16, p. 2545.
25.DOC-123-01, p. 2949.
26.AMB-010-01, p. 880.
27.AMB-011-02, p.898.
28.AMB-011-01, p. 897.
29.DOC-108-14, p. 2750 en DOC-108-15, p. 2751.
30.AMB-031-01, p. 1050.
31.V-002-01, p.373.
32.G-019-01, p. 755.
33.AMB-026-01, p. 984.
34.DOC-014-01, p. 1452.
35.DOC-065-03, p. 1958 t/m 1962.
36.DOC-046-01, p. 1552 en 1553.
37.DOC-126-01, p. 3012, 3013 en 3015.
38.AMB-011-01, p. 894.
39.AMB-007-01, p. 849.
40.AMB-007-01, p. 850.
41.V-001-01, p. 294.