ECLI:NL:RBAMS:2026:2558
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven bij onjuiste omzetbelastingaangiften
De rechtbank Amsterdam behandelde op 5 maart 2026 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan het doen van onjuiste omzetbelastingaangiften namens een besloten vennootschap. De tenlastelegging betrof het indienen van twee nihilaangiften terwijl belastbare activiteiten waren verricht.
De officier van justitie stelde dat verdachte samen met zijn broer de leiding had over de onderneming en dat zij gezamenlijk de onjuiste aangiften hadden ingediend. Dit werd onderbouwd met verklaringen van getuigen en de broer van verdachte, die stelde dat verdachte werkzaamheden verrichtte binnen de onderneming en dat zij hetzelfde salaris ontvingen.
Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht, terwijl de broer verklaarde dat hij de enige baas was en verdachte slechts werknemer was zonder betrokkenheid bij de belastingaangiften. De rechtbank oordeelde dat de aanwijzingen onvoldoende waren om vast te stellen dat verdachte een grotere rol had dan door de broer werd verklaard. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.
De uitspraak benadrukt het belang van voldoende bewijs voor betrokkenheid bij strafbare feiten en bevestigt dat vermoedens en indrukken onvoldoende zijn voor een veroordeling.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van betrokkenheid bij valsheid in geschrift en feitelijke leidinggeven aan onjuiste omzetbelastingaangiften.