Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2562

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11793768 \ CV EXPL 25-9504
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor schade door rijden zonder rijbewijs in brommobiel

Op 6 juli 2024 hebben twee jonge volwassenen zonder rijbewijs een brommobiel bestuurd, waarbij schade is ontstaan door een aanrijding tegen een boom. De brommobiel was eigendom van LFB Vastgoed, die na het incident een schuldbekentenis liet tekenen waarin de gedaagden zich hoofdelijk verbonden tot betaling van de schade in termijnen.

De gedaagden betwistten onder meer het eigendom, de aansprakelijkheid en stelden dat de schuldbekentenis onder druk en met wilsgebreken was gesloten. Ook voerden zij aan dat LFB Vastgoed hun werkgever was en dat het rentepercentage onredelijk hoog was.

De rechtbank oordeelde dat LFB Vastgoed eigenaar was en dat de brommobiel aan beide gedaagden samen was uitgeleend, waardoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Het beroep op arbeidsrecht faalt omdat geen sprake was van een werkgever-werknemerrelatie. De schuldbekentenis is rechtsgeldig tot stand gekomen, zonder sprake van dwang, bedrog of misbruik van omstandigheden.

De rechtbank matigde de vordering wegens ontvangen restwaarde en verschil in bouwjaar en leasekosten, en veroordeelde de gedaagden tot betaling van een verminderd bedrag plus rente, incassokosten en proceskosten. De veroordeling is hoofdelijk, zodat ieder van hen het volledige bedrag kan worden aangesproken.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schade, rente, incassokosten en proceskosten wegens rijden zonder rijbewijs en het veroorzaken van schade aan de brommobiel.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11793768 \ CV EXPL 25-9504
Vonnis van 20 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LFB VASTGOED BEHEER B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: LFB Vastgoed,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck Gerechtsdeurwaarders,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. K. Wolfram,

2.2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. M.Y. van Oel,

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen met producties van 8 juli 2025,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] ,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] ,
- het instructievonnis van 3 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;
- de dagbepaling mondelinge behandeling,
- een brief van 9 januari 2026 van de zijde van LFB Vastgoed met aanvullende producties,
- een brief van 13 januari 2026 van de zijde van [gedaagde 1] met een aanvullende productie (USB-stick).
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Voor LFB Vastgoed is verschenen [naam 1] , vergezeld door [naam 2] namens de gemachtigde. [gedaagde 1] is verschenen met mr. O. Arslan, vergezeld door haar gemachtigde. [gedaagde 2] is verschenen met haar gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren in de avond van 6 op 7 juli 2024 werkzaam bij [werkplaats] . [gedaagde 1] was toen 19 en [gedaagde 2] 18 jaar. Zij hebben na hun dienst in een geleende vierwielig brommobiel, een Move Citycar, gekentekend [kenteken 1] , bouwjaar 2021 (hierna: brommobiel) gereden. Daarbij heeft [gedaagde 1] de brommobiel bestuurd en [gedaagde 2] heeft als passagier naast [gedaagde 1] plaatsgenomen. [gedaagde 1] is de controle over de brommobiel verloren en heeft deze tegen een boom gereden, waardoor schade aan de brommobiel is ontstaan. [gedaagde 1] was niet in het bezit van een geldig rijbewijs.
2.2.
Op 16 juli 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op verzoek van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een overeenkomst getekend waarboven ‘schuldbekentenis’ staat. Zij verklaren in de schuldbekentenis dat zij in het kader van een geldlening hoofdelijk een bedrag van € 9.500,00 schuldig zijn aan [naam 1] , zowel aan hem in persoon als in zijn hoedanigheid van [functie] van LFB Holding B.V., welke vennootschap handelt in haar hoedanigheid van bevoegd bestuurder van LFB Vastgoed. In het document is verder bepaald dat de lening ingaat op 1 augustus 2024 en eindigt op 1 januari 2027, dat een vergoeding/rente verschuldigd is van € 2.016,70 en dat de lening dient te worden afgelost in 29 maandelijkse termijnen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben de overeenkomst voorzien van een goedschrift en ondertekend (hierna: de schuldbekentenis).
2.3.
In artikel 6 aanhef Pro en onder a van de schuldbekentenis is het volgende bepaald:
“De hoofdsom is direct opeisbaar en dient met gemelde vergoeding/rente ad tweeduizendzestien euro en zeventig eurocent (€ 2.016,70) te worden terugbetaald:
a. Bij niet nakoming door de schuldenaar van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen acht dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen.”
2.4.
Op 16 juli 2024 heeft LFB Vastgoed een financiële leaseovereenkomst met Hiltermann Lease Groep gesloten voor een koopprijs van € 9.504,13 en een leasevergoeding van € 2.016,70 voor een Move Citycar, met bouwjaar 2022, gekentekend [kenteken 2] , te betalen in 29 maanden (hierna: de lease-brommobiel).
2.5.
Bij brieven van 16 oktober 2024 heeft de gemachtigde van LFB Vastgoed [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzocht om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brieven € 11.516,70 vermeerderd met rente te betalen. Daarbij zijn buitengerechtelijke kosten aangezegd.
2.6.
Bij brieven van 17 januari 2025 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft LSB Vastgoed bericht dat zij bij gebreke van betaling van een bedrag van € 11.516,70 op uiterlijk 27 januari 2025 de gehele uitstaande som zal opeisen overeenkomstig artikel 6 van Pro de schuldbekentenis.

3.Het geschil

3.1.
LFB Vastgoed vordert  samengevat  veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van:
a. € 11.516,70 aan hoofdsom,
b. € 1.028,50 aan buitengerechtelijke incassokosten,
c. € 331,38 aan wettelijke rente, berekend tot 8 juli 2025,
d. de wettelijke rente over € 11.516,70 vanaf 8 juli 2025,
e. de proceskosten.
3.2.
Aan de vordering wordt het volgende ten grondslag gelegd. LFB Vastgoed stelt dat de brommobiel haar eigendom was. [naam 1] heeft deze aan [gedaagde 2] uitgeleend nadat hij haar had gevraagd of ze een rijbewijs had, en zij dat bevestigend had beantwoord. [gedaagde 2] heeft niet gevraagd of [gedaagde 1] mocht rijden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] konden de schade aan de brommobiel niet ineens betalen. De leaseovereenkomst is gesloten zodat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de schade samen en in termijnen konden aflossen. De in rekening gebrachte vergoeding/rente is gelijk aan de leasevergoeding. [naam 1] stelt voorafgaand aan het ondertekenen van de schuldbekentenis de leaseovereenkomst te hebben laten zien aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Hij heeft ze niet onder druk gezet om te tekenen. De restwaarde van de brommobiel was € 1.000,00. De tussenpersoon van de verzekeraar had aangegeven dat indiening van een claim bij de verzekering geen zin had omdat [gedaagde 1] zonder rijbewijs had gereden. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben geen enkele betaling verricht, waardoor de vordering in zijn geheel opeisbaar is geworden.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] verzoeken de kantonrechter de vordering af te wijzen en LFB Vastgoed te veroordelen in de proceskosten. Daartoe voeren zij aan dat [naam 1] hun werkgever was en wist – of behoorde te weten – dat zij niet beschikten over een rijbewijs, zodat hij niet heeft gehandeld als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Desondanks heeft hij de brommobiel aan hen uitgeleend. De schade is onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat de schuldbekentenis door een wilsgebrek (bedreiging, misbruik van omstandigheden dan wel dwaling) tot stand is gekomen zodat deze door de kantonrechter dient te worden vernietigd. Zij betwisten de leaseovereenkomst te hebben gezien, zij waren net meerderjarig, onervaren en in een afhankelijkheidsrelatie tegenover hun werkgever. Het in rekening gebrachte rentepercentage is te hoog.
3.4.
[gedaagde 1] voert daarbij aan dat zij zich onder druk gezet voelde om de schuldbekentenis te tekenen omdat haar werd gezegd dat zij zou worden ontslagen als zij niet tekende. Daarnaast is zij er niet op gewezen dat zij zich van juridische bijstand kon voorzien. Bovendien had [naam 1] haar erop moeten wijzen welke verplichtingen de schuldbekentenis met zich meebracht.
3.5.
[gedaagde 2] voert verder aan dat de vriendin van [naam 1] eigenaar was van de brommobiel en LFB Vastgoed dan ook niet ontvankelijk is. Zij voelde zich onder druk gezet om de schuldbekentenis te tekenen. Zonder de schuldbekentenis te hebben gelezen of te hebben begrepen heeft zij deze ondertekend. De schuldbekentenis mist rechtsgrond nu aan [gedaagde 2] noch aan [gedaagde 1] geld is uitgeleend. Bovendien is geen rekening gehouden met haar geringe financiële draagkracht. Ter zitting heeft [gedaagde 2] nog aangevoerd dat zij niet heeft gereden, zodat zij niet gehouden is de schade aan de brommobiel te vergoeden.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Ter zitting is vast komen te staan dat LFB Vastgoed eigenaar was van de brommobiel. De verweren die betrekking hebben op dat dit niet het geval is, falen dan ook.
4.2.
[naam 1] is [functie] van LFB Vastgoed. Hij heeft in de nacht van 6 op 7 juli 2024 de brommobiel namens LFB Vastgoed uitgeleend. Hij heeft ter zitting wel verklaard dat hij de brommobiel alleen heeft uitgeleend aan [gedaagde 2] , maar tegenover de betwisting, heeft hij daarvoor onvoldoende gesteld. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben ter zitting verklaard dat [naam 1] de sleutels op de bar heeft gelegd en dat [naam 1] wist dat ze samen ergens naar toe zouden gaan. Zij hebben daarbij de indruk gekregen dat zij de brommobiel samen mochten gebruiken. Er wordt dan ook vanuit gegaan dat [naam 1] de brommobiel heeft uitgeleend aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen. Gevolg daarvan is dat zij gezamenlijk gehouden waren tot het ongeschonden teruggeven van de brommobiel en nu dat niet het geval is gezamenlijk (dus hoofdelijk) aansprakelijk zijn voor de schade jegens LFB Vastgoed. In hun onderlinge verhouding is degene die daadwerkelijk heeft gereden weliswaar aansprakelijk ten opzichte van de ander. Nu in deze procedure echter geen vordering in vrijwaring is opgeworpen speelt deze onderlinge draagkracht tussen [gedaagde 2] en [gedaagde 1] in deze procedure geen rol.
4.3.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] voeren aan dat [naam 1] /LFB Vastgoed hun werkgever bij [werkplaats] was. Tegenover de betwisting daarvan door LFB Vastgoed hebben zij daarvoor onvoldoende aangevoerd. LFB Vastgoed stelt dat zij heeft geïnvesteerd in de bar en dat daarom [naam 1] daar vaak aanwezig was, maar dat LFB Vastgoed geen eigenaar is van de bar. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan dan ook niet ervan uit worden gegaan dat LFB Vastgoed/ [naam 1] werkgever van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] was. Evenmin is gebleken dat de brommobiel is uitgeleend in het kader van de werkzaamheden voor [werkplaats] . Ter zitting hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] verklaard dat ze na het werk zelf ergens naar toe wilden gaan. Hun beroep op het arbeidsrecht faalt dan ook.
4.4.
Vaststaat dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op 7 juli 2024 een eenzijdige aanrijding hebben gehad, waarbij de brommobiel is beschadigd en total loss is verklaard. Tevens staat vast dat geen van beiden een (brommer)rijbewijs had, als gevolg waarvan de verzekering de schade aan de brommobiel niet wilde (en hoefde te) vergoeden.
4.5.
Tevens staat vast dat partijen op 16 juli 2024 een schuldbekentenis hebben getekend. [naam 1] heeft namens LFB Vastgoed ter zitting verklaard dat hij na het ongeval de schade met [gedaagde 2] en [gedaagde 1] heeft besproken. Omdat zij de schade niet in een keer konden betalen heeft hij een overeenkomst opgesteld, waarbij zij de kosten van de leaseovereenkomst voor een vergelijkbare brommobiel betalen. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] stellen dat sprake is geweest van een wilsgebrek bij het sluiten van die overeenkomst, maar daarin worden zij niet gevolgd. Zij wisten dat zij aansprakelijk waren voor de schade aan de brommobiel en dat daarvoor een oplossing moest worden gevonden. De schuldbekentenis is hun aangeboden bij [werkplaats] , kennelijk de plek waar zij [naam 1] ontmoetten en waar zij de brommobiel hebben geleend, en zij hebben deze ondertekend met handgeschreven het bedrag waarvoor zij de schuldbekentenis aangingen. Hoewel zij jong meerderjarig waren, hadden zij moeten begrijpen dat zij daarmee verklaarden deze schuld volgens het betalingsschema te willen aflossen. Zij hebben onvoldoende aangevoerd dat bij de ondertekening sprake was van dwang, bedrog of dwaling. Daarbij geldt dat hiervoor al is vastgesteld dat [naam 1] noch LFB Vastgoed hun werkgever was of dat de brommobiel is uitgeleend in het kader van de werkzaamheden voor [werkplaats] . Misbruik van omstandigheden kan dan ook evenmin worden vastgesteld.
4.6.
Conclusie is dat de schuldbekentenis rechtsgeldig tot stand is gekomen. Ter zitting is echter gebleken dat LFB Vastgoed € 1.000,- heeft ontvangen voor de beschadigde brommobiel. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het dan ook onaanvaardbaar dat LFB Vastgoed dit bedrag niet in mindering heeft gebracht op haar vordering. Verder is geen rekening gehouden met nieuw voor oud, de lease brommobiel is van bouwjaar 2022 in plaats van 2021 en de leasevergoeding is aftrekbaar voor LFB Vastgoed. Deze kosten had LFB Vastgoed dan ook in redelijkheid niet een op een kunnen doorberekenen aan [gedaagde 2] en [gedaagde 1] . De gevorderde hoofdsom wordt daarom verminderd met € 1.750,-.
4.7.
Vaststaat dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] tot op heden geen enkele betaling hebben gedaan. Slotsom van het bovenstaande is dan ook dat de vordering tot een bedrag van € 9.766,70 wordt toegewezen, met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2024 over dit bedrag. Aan buitengerechtelijke kosten wordt een bedrag van € 1.028,50 toegewezen. Dit bedrag is door LFB Vastgoed in haar brieven van 27 januari 2025 rechtsgeldig aangezegd en LFB Vastgoed heeft voldoende gesteld dat zij deze kosten heeft gemaakt.
4.8.
Als de (meest) in het ongelijk gestelde partij zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk voor de proceskosten, aan de zijde van LFB Vastgoed berekend op:
- kosten van de dagvaarding 2x
292,28
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.632,78
4.9.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere gedaagde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan LFB Vastgoed te betalen een bedrag van € 9.766,70, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 1 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan LFB Vastgoed te betalen een bedrag van € 1.028,50 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.632,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2026, in aanwezigheid van mr. B.A. Terwee, griffier.