ECLI:NL:RBAMS:2026:2625

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13-089673-25 (zaak A); 13-312306-25 (zaak B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor laster, doxing, bedreiging en woninginbraak met gevangenisstraf en contactverbod

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder laster, doxing, bedreiging en woninginbraak. De feiten betreffen het openbaar maken van privacygevoelige informatie en bedreigingen via social media jegens een jonge vrouw, alsmede een woninginbraak waarbij sieraden en andere goederen werden gestolen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust onware en schadelijke uitlatingen heeft gedaan en persoonlijke gegevens heeft verspreid met het oogmerk om het slachtoffer vrees en overlast te bezorgen. De bedreigingen waren van dien aard dat het slachtoffer redelijke vrees kon krijgen voor haar leven en lichamelijke integriteit. Verdachte heeft ook bekend de woninginbraak te hebben gepleegd, maar niet in vereniging met anderen.

De strafmaat is vastgesteld op 8 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen, contactverbod en schuldhulpverlening. Daarnaast is een contactverbod van 2 jaar opgelegd met vervangende hechtenis bij overtreding. De rechtbank kende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe aan het slachtoffer van laster en doxing, terwijl de vordering van het slachtoffer van de woninginbraak niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een contactverbod van 2 jaar.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/089673-25 (zaak A); 13/312306-25 (zaak B) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 6 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1986,
wonende op het adres:
[adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.A. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.G. de Jong naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van hetgeen [persoon] (medewerker van Slachtofferhulp Nederland) namens de benadeelde partij [aangeefster 1] naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
ten aanzien van zaak A, feit 1:
laster dan wel smaadschrift op 19 maart 2025 van [aangeefster 1] ;
ten aanzien van zaak A, feit 2:
doxing, door de naam, een privacygevoelige foto en het adres van [aangeefster 1] openbaar te maken, in de periode van 19 maart 2025 tot en met 20 maart 2025;
ten aanzien van zaak A, feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling van [aangeefster 1] op 22 maart 2025;
ten aanzien van zaak B:
diefstal in vereniging door middel van braak van sieraden en/of horloges en/of riemen en/of tassen van [aangeefster 2] op 3 oktober 2025 te Gouda.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 in zaak A heeft de raadsman betoogd dat het bewijs ontbreekt dat verdachte de gebruiker was van het account ‘ [account 1] ’ ten tijde van de gebezigde uitlatingen. Verder heeft de raadsman betwist dat de foto van aangeefster zonder hoofddoek privacygevoelig is.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman subsidiair verzocht verdachte partieel vrij te spreken van zowel de (impliciet) primair ten laste gelegde laster, nu verdachte niet wist dat de uitlatingen in strijd waren met de waarheid, als het tonen van de foto, nu de foto van aangeefster zonder hoofddoek naar algemene maatstaven niet smadelijk is.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman verder betoogd dat het oogmerk aangeefster vrees of overlast te (laten) veroorzaken ontbreekt.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak A onder feit 3 ten laste gelegde primair op het standpunt gesteld dat niet vastgesteld kan worden dat de toevoeging “als ik jou niet doodschiet ben ik de grootste hoerenkind op aarde” was gericht aan aangeefster. Subsidiair stelt de raadsman dat genoemde toevoeging een emotionele uitbarsting suggereert en daardoor bij aangeefster geen redelijke vrees kon ontstaan.
De raadsman heeft zich ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het onderdeel medeplegen niet kan worden bewezen. Voor het overige heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Zaak A, feit 1:
De gebruiker van het account ‘ [account 1] ’
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een foto van aangeefster zonder hoofddoek heeft geplaatst op social media. Uit het dossier volgt dat deze foto via het account ‘ [account 1] ’ in een openbare livestream op Tiktok is geplaatst. Verbalisant [verbalisant] hoort de gebruiker van het account ‘ [account 1] ’ onder meer zeggen:
“Dit is [bijnaam] . Ik ga deze foto ook overal plaatsen. Zij is geneukt. Niet door de generaal zelf maar door zijn matties. Zij is helemaal kapot geneukt door 3 gasten uit Amsterdam."Aangeefster heeft de stem achter deze uitlating herkend als de stem van verdachte. Door verbalisant [verbalisant] is de stem herkend op meerdere sociale media accounts, waaronder ook het account ‘ [account 2] ’. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de eigenaar is van het account ‘ [account 2] ’. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij wel eens gebruik maakt van het account ‘ [account 1] ’. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde uitlating via het account ‘ [account 1] ’ heeft gedaan. Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de uitlatingen van verdachte de vereiste bestanddelen van smaad. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Is er sprake van (vol) opzet?
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wist dat het door hem gepleegde smaad in strijd was met de waarheid. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft het bestanddeel 'wetende dat' een bijzondere, beperkte betekenis van daadwerkelijke wetenschap, waarvoor voorwaardelijk opzet niet toereikend is (ECLI:NL:HR:2014:3498).
Verdacht heeft verklaard dat hij online op Tiktok ‘van horen zeggen’ heeft dat aangeefster onder andere door drie gasten uit Amsterdam ‘helemaal kapot is geneukt’. In de aangifte stelt aangeefster juist dat zij tegenover verdachte alleen heeft verklaard dat zij is betast en dat zij dit niet wilde. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is.
Conclusie
De rechtbank acht de in zaak A feit 1, ten laste gelegde laster bewezen.
Zaak A, feit 2
Bij doxing gaat het om het verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonlijke gegevens. Deze gedragingen impliceren opzet. Deze gedragingen moeten zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn/haar beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat dit het noodzakelijke gevolg van zijn handelen is.
Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verspreid, te weten een (privacy gevoelige) foto en het woonadres. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een foto en het adres van aangeefster heeft geplaatst in een livestream op Tiktok. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij deze afbeeldingen heeft geplaatst als reactie op het handelen van aangeefster. Aangeefster zou zijn begonnen met ‘exposen’, het plaatsen van soortgelijke berichten over verdachte. Wat daar verder ook van zij – nog los van het feit dat verdachte deze stelling niet heeft onderbouwd – de rechtbank is van oordeel dat dit op geen enkele wijze een rechtvaardiging oplevert voor het handelen van verdachte. Door het openbaar maken van de privégegevens van aangeefster in combinatie met haar foto is er een veilige barrière doorbroken. Het delen van het huisadres met foto nodigt derden uit tot confrontaties in de echte wereld, waardoor aangeefster en haar medebewoners zich thuis niet langer veilig voelen en is er vrees ontstaan voor haar fysieke en psychische integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat een huisadres de plek is waar iemand zich veilig moet voelen. En zeker in het geval van aangeefster, nu zij op een afgeschermd adres woonde. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de verdachte bij het plaatsen van de afbeeldingen heeft beseft dat zijn handelen aangeefster vrees zou aanjagen of ernstige overlast zou veroorzaken. Daarmee is voldaan aan het oogmerkvereiste.
De rechtbank acht de in zaak A, feit 2, ten laste gelegde doxing bewezen.
Zaak A, feit 3
De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en deze van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen verdachte op de zitting heeft verklaard vast dat verdachte de gebruiker is van het Tiktokaccount [account 2] . Op zaterdag 22 maart 2025 heeft aangeefster contact opgenomen met de politie. Zij verklaarde dat zij op die dag om 00:01 uur opnieuw bedreigingen had ontvangen via Tiktok Messenger van verdachte waarin staat:
“Je gaat dood. Bij Allah ik ga alles op alles zetten. Als ik jou niet dood schiet ben ik de grootste hoerenkind op aarde. Politie bij mijn ouders toch. Eh wollah ik maak je dood. Stuur dit ook naar de politie.”Direct daarna verscheen verdachte met hetzelfde account met als profielfoto de afbeelding van aangeefster zonder hoofddoek in een livestream van gebruiker “ [naam] ”, waar hij zei:
"Je gaat dood. Als ik jou niet dood schiet ben ik de grootste hoerenkind op aarde".Verdachte heeft verklaard dat hij dit wel zou kunnen hebben gezegd en geschreven omdat hij boos op haar was.
Uit het dossier blijkt dat aangeefster op dezelfde dag - 22 maart 2025 - bij de politie melding heeft gemaakt van de uitlatingen van verdachte en dus op de hoogte is geraakt van deze uitlatingen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had dat de bedreigingen terecht zouden komen bij degene op wie ze betrekking hadden. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de bedreigingen, de indringende wijze waarop deze werden geuit en de personen die direct kennis namen van de uitlating.
De rechtbank is verder van oordeel dat door de aard van de bedreigingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd en haar leven gevaar liep. Gelet op de inhoud en aard van de bedreigingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aangeefster bovengenoemde vrees zou ontstaan, zodat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte kan worden vastgesteld.
Het verweer van de verdediging dat de woorden niet aan aangeefster zijn gericht wordt verworpen, gelet op de verklaring van aangeefster dat zij het bericht direct via Tiktok Messenger heeft ontvangen. Dat er sprake is geweest van een emotionele uitbarsting is niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
ten aanzien van de pleegplaats
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat de verdachte aangeefster niet, zoals ten laste gelegd, in Amsterdam en/of Gouda heeft bedreigd, maar in Nederland. Dat laatste staat bij dit feit, anders dan bij de overige feiten, niet in de tenlastelegging.
De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen en acht bewezen dat de bedreiging in Nederland heeft plaatsgevonden. Blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting heeft geen misverstand bestaan over het aan hem gemaakte verwijt en dat dat feit online (namelijk via social media) en dus in Nederland heeft plaatsgevonden. Over de gebrekkige plaatsaanduiding wordt daarom heengestapt, nu die onjuistheid aan de duidelijkheid geen afbreuk heeft gedaan. Verdachte is daardoor ook niet geschaad in zijn verdediging.
Conclusie
De rechtbank acht de in zaak A, feit 3, ten laste gelegde bedreiging bewezen.
Zaak B
De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige inhoud van het dossier bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van braak van de in de tenlastelegging genoemde goederen. Met de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de diefstal in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd, zodat verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A, feit 1:
op 19 maart 2025 in Nederland, opzettelijk, de eer en/ de goede naam van [aangeefster 1] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften of afbeeldingen, verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of
door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door
in een livestream met 146 deelnemers een (privacygevoelige) foto van voornoemde [aangeefster 1] te delen en daarbij te vermelden: “Dit is [bijnaam] . Ik ga deze foto ook overal plaatsen. Zij is geneukt. Niet door de generaal zelf maar door zijn matties. Zij is helemaal kapot geneukt door 3 gasten uit Amsterdam."
terwijl verdachte wist dat dit ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid was;
ten aanzien van zaak A, feit 2:
in de periode van 19 maart 2025 tot en
met 20 maart 2025 in Nederland, persoonsgegevens van een ander, te weten een (privacy gevoelige) foto en het woonadres van [aangeefster 1] heeft verspreid of anderszins ter beschikking heeft gesteld, met het oogmerk om [aangeefster 1]
- vrees aan te (laten)jagen en
- ernstige overlast aan te (laten) doen;
ten aanzien van zaak A, feit 3:
op 22 maart 2025,in Nederland [aangeefster 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [aangeefster 1] (via social media) dreigend de woorden te berichten
"Je gaat dood. Als ik jou niet dood schiet ben ik de grootste hoerenkind op aarde",
Ten gevolge van een kennelijke omissie in de tenlastelegging, is een onjuiste plaatsnaam opgenomen. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Verdachte is daardoor niet zijn de verdediging geschaad.
ten aanzien van zaak B:
op 3 oktober 2025 te Gouda sieraden en horloges en riemen en tassen, die aan [aangeefster 2] , toebehoorden heeft
weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn opgenomen in
bijlage IIbij dit vonnis.
Ten aanzien van het in zaak B bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsman geen vrijspraak heeft bepleit.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op te leggen inhoudende een contactverbod met [aangeefster 1] voor de duur van vijf jaren met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van zeven dagen bij de eerste overtreding, veertien dagen bij de tweede overtreding, oplopend telkens met zeven dagen per overtreding (met een maximum van zes maanden) en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht, bij een veroordeling, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf, al dan niet in combinatie met een taakstraf. De verdediging heeft verzocht het contactverbod niet op te leggen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aard en ernst van de feiten
Verdachte, een bijna 40-jarige man, heeft misbruik gemaakt van de laagdrempelige mogelijkheden die het internet en social media bieden om tegenover een groot publiek kwalijke, grove, nare uitlatingen te doen over aangeefster, een jonge vrouw van ongeveer half de leeftijd van verdachte. De feiten hebben voor aangeefster een grote impact gehad op haar privéleven. Niet alleen heeft verdachte de eer en de goede naam van aangeefster aangetast, maar hij heeft bij haar ook de vrees gewekt dat anderen op zijn berichten zouden gaan reageren en de confrontatie met aangeefster in het echte leven zouden opzoeken. Verdachte heeft het risico hierop op de koop toegenomen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van aangeefster. Zij heeft in haar vordering verklaard dat zij zich hierdoor onveilig voelde en dat de bedreiging grote psychische impact op haar had, die zich uitte in angst, stress en zelfmoordgedachtes. Verdachte heeft gedurende het strafrechtelijk onderzoek geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen jegens aangeefster.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen schade aan de woning veroorzaakt, maar heeft hij tevens een forse inbreuk gemaakt op het huisrecht van het slachtoffer. Naast materiële schade en hinder voor slachtoffers veroorzaken woninginbraken ook maatschappelijke onrust en brengen woninginbraken bij veel mensen een groot gevoel van onveiligheid teweeg. Daarbij heeft verdachte zijn handelen willen bagatelliseren door meermalen te benadrukken dat de door hem buitgemaakte sieraden nep zouden zijn en de slachtoffers zich schuldig zouden maken aan verzekeringsfraude.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig in aanraking is gekomen met justitie, hoewel de meeste veroordelingen van langer dan vijf jaar geleden zijn.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 18 februari 2026. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een contactverbod met het slachtoffer, dagbesteding en de aflossing van schulden.
De op te leggen straf
Gezien de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf geboden is. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank zal daarbij aan het voorwaardelijke strafdeel de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, om het herhalingsgevaar in te perken.
Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijke uitvoerbaarheid (artikel 38v Sr)
Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van het slachtoffer aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen, inhoudende een contactverbod met [aangeefster 1] (geboren op [geboortedatum] ). Anders dan door de officier van justitie gevorderd, legt de rechtbank dit contactverbod op voor de duur van twee jaren. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt bij de eerste overtreding zeven dagen, bij de tweede overtreding veertien dagen, oplopende telkens met zeven dagen (met een maximum van in totaal zes maanden) voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Op deze manier wordt verdachte ook via deze weg (oplopend) geconfronteerd met de gevolgen van zijn handelen als hij opnieuw de fout in gaat.
De rechtbank zal de maatregel van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar verklaren, nu er - gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de persoon van de verdachte - ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon.
9. Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- 2 STK Munitie (goednummer G6634083);
- 1 STK Pistool (goednummer G6634072).
Verdachte heeft ter terechtzitting mondeling afstand gedaan van bovengenoemde goederen. Gelet op artikel 116 lid 2 Wetboek Pro van Strafvordering dient een dergelijke afstandsverklaring
schriftelijkplaats te vinden. Nu dit niet is gebeurd neemt de rechtbank alsnog de hierna volgende beslagbeslissing.
Nu deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

10.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1
De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] (zaak A)
De benadeelde partij [aangeefster 1] heeft een bedrag van € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering geheel wordt toegewezen.
De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het handelen van verdachte in haar eer of goede naam is aangetast.
De rechtbank heeft bij de toewijzing van de vordering aansluiting gezocht bij de omstandigheden zoals zijn genoemd in de Rotterdamse schaal. Daaronder zijn begrepen de aard en ernst van de verspreide informatie over de benadeelde en herkenbaarheid van de benadeelde, de omvang en duur van de verspreiding, of de uitlatingen specifiek zijn gedaan aan bekenden van de benadeelde en of de informatie hen heeft bereikt en de benadeelde.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 1.000,-.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding omdat nadere onderbouwing dat op dit moment sprake is van meer dan € 1.000,- aan immateriële schade aanhouding van de behandeling zou meebrengen. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen.
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, namelijk op 19 maart 2025
Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 10 dagen.
Anders dan door de raadsman bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de schadevergoedingsmaatregel in zijn geheel niet op te leggen, dan wel het aantal dagen toe te passen gijzeling op nihil te stellen.
10.2
De vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2] (zaak B)
De benadeelde partij [aangeefster 2] heeft een bedrag van € 9.300,- aan vergoeding van materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 38v, 38w, 57, 262, 285, 285d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A, feit 1:
laster
ten aanzien van zaak A, feit 2:
persoonsgegevens van een ander verspreiden of anderszins ter beschikking stellen met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan wel aan te laten jagen of ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doen
ten aanzien van zaak A, feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling
ten aanzien van zaak B:
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Straf
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. meldplicht

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met Reclassering Nederland te [adres 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak;

2. ambulante behandeling

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling;

3. verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij Exodus of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

4. contactverbod

dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met slachtoffer [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum] ;

5. dagbesteding

dat veroordeelde zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

6. aflossing schulden

dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder 1 tot en met 6 en de veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.
Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
Maatregel
Legt aan de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende een contactverbod voor de duur van
2 (twee) jaren.
Dit contactverbod houdt in dat de veroordeelde op geen enkele wijze, direct of indirect, contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met [aangeefster 1] (geboren op [geboortedatum] ).
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen bij de eerste overtreding, 14 (veertien) dagen bij de tweede overtreding, oplopend telkens met 7 (zeven) dagen per overtreding, voor ieder keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Beslag
Verklaart
onttrokken aan het verkeerhet in beslaggenomen goed, te weten:
- 2 STK Munitie (goednummer G6634083);
- 1 STK Pistool (goednummer G6634072).
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 19 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster 1] aan de Staat € 1.000,- (duizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 19 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 2]
Bepaalt dat de benadeelde partij [aangeefster 2] niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.C. Langendoen, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 maart 2026.
[(...)]