ECLI:NL:RBAMS:2026:2635

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
13/337056-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 311 SrArt. 3 OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 2 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraf op grond van gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 maart 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen de opgeëiste persoon, geboren in 1990 in Polen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en twee maanden opgelegd bij vonnis van 14 juni 2017. De opgeëiste persoon verscheen ter zitting en werd bijgestaan door een raadsman en tolk.

De rechtbank onderzocht de toepasselijkheid van de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) met betrekking tot de adresinstructie en stelde vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en de oproep had ontvangen, hoewel deze niet was afgehaald. De rechtbank zag daarom af van toepassing van deze weigeringsgrond.

Vervolgens werd de gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6a OLW beoordeeld. De opgeëiste persoon had voldoende bewijs geleverd van een duurzaam verblijfsrecht in Nederland en het verlies van verblijfsrecht door de straf werd uitgesloten. De rechtbank concludeerde dat de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland kon worden overgenomen en dat de overlevering daarom geweigerd moest worden. De gevangenhouding werd bevolen tot aan de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/337056-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 10 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 14 juli 2020 door
the District Court in Lublin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 5 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 5 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, advocaat in Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De behandeling van dit EAB heeft tegelijkertijd plaatsgevonden met de behandeling van een ander EAB met het parketnummer 13-336995-25 (hierna: EAB I). De rechtbank heeft de behandeling van beide EAB’s aangehouden tot de zitting van 24 februari 2026 om de officier van justitie de gelegenheid te bieden vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over EAB I.
Zitting van 24 februari 2026
Op deze zitting heeft de voortzetting van de behandeling van het EAB - met instemming van partijen - in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Jonk, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van de
Regional Court in Lubartów (Sąd Rejonowy w Lubartowie)van 14 juni 2017 met kenmerk II K 172/17.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Inleiding
Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Openbaar Ministerie op 28 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 29 januari 2026 de volgende informatie verstrekt:

1. [de opgeëiste persoon] during his questioning as a suspect in the preparatory proceedings, provided his residential and service address, namely u. [adres] . The summons for the hearing was sent to the indicated address; however, the suspect did not collect the correspondence, which was twice notified. In accordance with the contents of Article 133 paragraph 2 of the Polish Code of Criminal Procedure, the Court deemed the summons to have been effectively served.
2. [de opgeëiste persoon] was informed of the rights and obligations of a suspect in criminal proceedings and personally signed the written notice of instructions on 17 May 2016.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW Pro. Deze weigeringsgrond is van toepassing, omdat uit de stukken niet op basis van andere omstandigheden kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de zitting of is bijgestaan door een gemachtigde advocaat. Daarnaast staat geen verzetsprocedure meer open. De rechtbank kan niet afzien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat de inhoud van de adresinstructie op basis van de verstrekte aanvullende informatie niet kan worden nagegaan. Bovendien was op het moment waarop de adresinstructie werd verstrekt nog geen sprake van een vervolgingsbeslissing.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Deze weigeringsgrond is van toepassing, maar de rechtbank kan afzien van toepassing daarvan. Uit de aanvullende informatie van 29 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in de onderliggende zaak een adresinstructie heeft ontvangen en deze persoonlijk heeft ondertekend. Ook is de oproep verstuurd naar het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 29 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens de in
preparatory proceedingseen adres heeft opgegeven voor het ontvangen van officiële correspondentie. De opgeëiste persoon was dus op de hoogte van de verdenking en heeft er rekening mee moeten houden dat een strafrechtelijke procedure zou volgen. Daarnaast is de opgeëiste persoon geïnformeerd over zijn verplichting om een adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten en over de consequenties van het niet voldoen aan deze verplichting. Uit de aanvullende informatie blijkt verder dat de oproep voor de zitting naar het adres is gestuurd dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven, maar dat deze oproep niet is afgehaald.
Voornoemde omstandigheden maken dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Artikel 12 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg.

5.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

6.1
Standpunt van de partijen
Zowel de raadsman als de officier van justitie stellen zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander nu aan de twee vereisten voor gelijkstelling is voldaan en dat de Nederlandse straf kan worden overgenomen.
6.2
Oordeel van de rechtbank
6.2.1
Gelijkstelling
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaardeDe opgeëiste persoon heeft over de jaren 2021 tot en met 2024 aanslagen Inkomstenbelasting van de Belastingdienst overgelegd waaruit zijn inkomen over die jaren blijkt. De opgeëiste persoon heeft voorts gegevens van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen overgelegd waarin is vermeld hoeveel uren de opgeëiste persoon vanaf 2017 in Nederland heeft gewerkt, wie zijn werkgevers zijn geweest en welk inkomen hij maandelijks heeft verdiend. Voorts heeft de opgeëiste persoon meerdere arbeidsovereenkomsten verstrekt en staat hij vanaf 14 maart 2019 ingeschreven in de Basisregistratie personen. De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van deze stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
Uit de brief van 17 februari 2026 van de Immigratie en Naturalisatiedienst volgt dat de strafrechtelijke feiten waarvoor de opgeëiste persoon bij het vonnis van 14 juni 2017 is veroordeeld er niet toe kunnen leiden dat hij zijn verblijfsrecht in Nederland verliest. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook aan de tweede voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
6.2.2
Overname van de tenuitvoerlegging van de straf
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn, zoals reeds onder punt 5 vastgesteld, naar Nederlands recht strafbaar.
De opgelegde sanctie is naar zijn aard niet onverenigbaar met Nederlands recht.
Uit de hiervoor onder 5 weergegeven Nederlandse kwalificaties volgt bovendien dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraffen overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft daarom het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Conform het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak C.J. heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit toestemming gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland door het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd toe te sturen.
De rechtbank zal in verband met het voorgaande de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraffen in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 45 en 311 Wetboek van Strafrecht, 3 en 11 Opiumwet en 2, 5, 6a, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the District Court in Lublin(Polen).
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (