Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2658

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
AMS 24/7074
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:106 AwbArt. 1 Eerste Protocol EVRMWet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking toeslag WIA-uitkering wegens onvoldoende belangenafweging

Eiser ontvangt sinds 2006 een WIA-uitkering met toeslag, die in 2024 door het UWV werd ingetrokken omdat hij in Turkije woont en niet volledig arbeidsongeschikt is. Eiser heeft zijn Nederlandse nationaliteit opgegeven en kan niet terugkeren naar Nederland. Hij is 60 jaar oud, dakloos geworden door een aardbeving en beschikt over beperkte middelen.

De rechtbank oordeelt dat het UWV door het langdurig voortzetten van de toeslag gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt bij eiser. Hoewel het algemeen belang het beëindigen van de toeslag rechtvaardigt, moet dit worden afgewogen tegen de individuele omstandigheden van eiser. De geboden uitlooptermijn van zes maanden is onvoldoende, gezien zijn leeftijd, financiële situatie en onmogelijkheid tot terugkeer.

Het UWV heeft nagelaten een gedegen onderzoek te doen naar de persoonlijke situatie van eiser en heeft de belangenafweging onvoldoende gemotiveerd. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en moet het UWV een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de toeslag op de WIA-uitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende belangenafweging en motivering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7074

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.I. Bal),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Procesverloop

1. Met het primaire besluit van 12 april 2024 heeft het UWV de toeslag op de WIA-uitkering [1] per 1 april 2024 ingetrokken, omdat eiser in Turkije woont. Eisers bezwaar tegen dit besluit is gegrond verklaard bij het bestreden besluit van 4 november 2024.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Bal als waarnemer van eisers gemachtigde. Eiser was niet aanwezig op de zitting. Het UWV heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.3.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser ontvangt sinds 2006 een WIA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Vanaf april 2008 krijgt hij daarop een toeslag. Op 26 augustus 2014 heeft eiser het UWV laten weten dat hij definitief naar Turkije zal remigreren. Eiser heeft zijn Nederlandse paspoort ingeleverd en is naar Turkije vertrokken. Het UWV heeft hem op 2 oktober 2014 een brief gestuurd met de gevolgen van de remigratie voor zijn WIA-uitkering.
3. Met het primair besluit van 12 april 2024 heeft het UWV de toeslag van eiser stopgezet per 1 april 2024, omdat hij niet in Nederland woont. In bezwaar heeft het UWV eiser een uitlooptermijn van zes maanden gegeven en de toeslag met ingang van 1 oktober 2024 ingetrokken.

Beoordeling door de rechtbank

4. Het UWV heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op de meest recente rechtspraak waarin is geoordeeld dat het exporteren van een toeslag naar Turkije slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk. Dit kan alleen als iemand op de datum van vertrek volledig arbeidsongeschikt is en alleen de Turkse nationaliteit heeft. Eiser is niet volledig arbeidsongeschikt.
5. Eiser stelt dat het UWV sinds zijn vertrek in 2014 op de hoogte is van zijn verblijf in Turkije en dat eerder is vastgesteld dat hij daar woonachtig is en recht had op toeslag. Hij doet een beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat hem verzekerd zou zijn dat hij zijn recht op toeslag zou behouden bij verhuizing naar het buitenland. Nu heeft hij onvoldoende middelen om van te leven. Hij is 60 jaar oud en dakloos geworden als gevolg van een aardbeving in 2023. De stopzetting van de toeslag heeft voor hem onredelijke gevolgen, en het geven van een uitlooptermijn van zes maanden verandert hier niets aan.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet ten eerste aannemelijk maken dat door de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en hoe het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen. Ten tweede moet worden beoordeeld of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als aan de eerste twee stappen is voldaan, zal tot slot een belangenafweging moeten plaatsvinden om te beoordelen of de toezeggingen moeten worden nagekomen. [2]
6.2.
De rechtbank oordeelt dat het UWV door de langdurige voortzetting van de toeslag nadat eiser naar Turkije was verhuisd, bij hem de redelijke verwachting heeft gewekt dat de toeslag zou blijven doorlopen. Het UWV was sinds 2014 op de hoogte van zijn verblijf in Turkije en heeft geen aanwijzingen gegeven dat de toeslag zou worden beëindigd. Daardoor is sprake van gerechtvaardigd vertrouwen dat aan het UWV kan worden toegerekend.
6.3.
Onder verwijzing naar rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [3] overweegt de rechtbank dat aan gerechtvaardigde verwachtingen niet altijd hoeft te worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang, kunnen daaraan in de weg staan. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of eiser op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan hij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Het belang van eiser bij nakoming van de toezegging moet dan ook worden afgewogen tegen het algemeen belang van het UWV. Het belang van eiser ligt in het ongewijzigd behouden van zijn toeslag tot aan zijn pensioen. Het belang van het UWV is gelegen in het voorkomen dat aan eiser – in strijd met de wet – langer een toeslag wordt toegekend. De rechtbank merkt daarbij op dat het hanteren van een uitlooptermijn van zes maanden in het socialezekerheidsrecht niet ongebruikelijk is. De Centrale Raad van Beroep [4] heeft in meerdere uitspraken geoordeeld dat een dergelijke termijn in beginsel kan volstaan om een betrokkene in staat te stellen zich aan te passen aan een gewijzigde inkomenssituatie. Dit geldt onder meer bij intrekkingen van ANW-halfwezenuitkeringen. Dit betekent echter niet dat het bestuursorgaan in alle gevallen kan volstaan met het enkel bieden van een uitlooptermijn van zes maanden. Een uitlooptermijn van een half jaar kan leiden tot een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM als dit in het concrete geval resulteert in een ‘individual and excessive burden’. [5] Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak volgt dat steeds moet worden beoordeeld of de toepassing van die termijn in het individuele geval leidt tot een onevenredig zware last voor betrokkene. Deze beoordeling biedt ruimte om mede betekenis toe te kennen aan door het bestuursorgaan gewekt en gerechtvaardigd vertrouwen en vergt een kenbare en zorgvuldige belangenafweging, waarin naast het algemeen belang van rechtmatige wetstoepassing ook de relevante individuele belangen van betrokkene worden betrokken.
6.4.
In het geval van eiser zijn bijzondere persoonlijke omstandigheden aanwezig. Eiser is 60 jaar oud, beschikt over beperkte middelen van bestaan en is dakloos geraakt als gevolg van een aardbeving. Bovendien heeft hij gedurende een lange periode rechtmatig een toeslag ontvangen op basis van door het UWV gewekte verwachtingen. Het UWV had in de belangenafweging bovendien moeten meewegen dat terugkeer naar Nederland niet zonder meer mogelijk is, nu eiser zijn Nederlandse nationaliteit heeft ingeleverd en nu uitsluitend de Turkse nationaliteit bezit, en dat zijn leeftijd het bovendien moeilijk maakt om nog werk te vinden om een eventuele inkomensachteruitgang te compenseren. In dit kader is relevant dat bij de invoering van de Wet beperking export uitkeringen, waarin een uitlooptermijn van drie jaar is gehanteerd, in de memorie van toelichting expliciet rekening is gehouden met de mogelijkheid dat betrokkene weer naar Nederland kan terugkeren en opnieuw recht kan verkrijgen. [6] Eiser kan met enkel een Turkse nationaliteit niet zomaar naar Nederland terugkeren en opnieuw een recht op toeslag krijgen. Gelet op deze omstandigheden kan niet zonder meer worden aangenomen dat een uitlooptermijn van zes maanden voldoende is. Het UWV had inzicht moeten verkrijgen in de concrete financiële en sociale situatie van eiser, waaronder zijn inkomsten, vaste lasten en feitelijke leefomstandigheden, om te kunnen beoordelen of het belang van eiser bij het nakomen van het gerechtvaardigd gewekte vertrouwen zwaarder weegt dan het belang van het UWV bij herstel van de fout. Nu uit het bestreden besluit niet blijkt dat een dergelijk onderzoek is verricht, en evenmin blijkt waarom in dit specifieke geval een uitlooptermijn van zes maanden als voldoende compensatie moet worden beschouwd, is de belangenafweging onvoldoende zorgvuldig en ontoereikend gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor zes weken. Deze termijn gaat op grond van artikel 8:106 van Pro de Algemene wet bestuursrecht pas lopen als de termijn om hoger beroep in te stellen is verstreken of, als hoger beroep wordt ingesteld, als daarop is beslist.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 4 november 2024;
- draagt het UWV op binnen zes weken na de dag nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken, of als hoger beroep wordt ingesteld, na de dag nadat daarop is beslist, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
M. van Velzen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op13 februari 2026.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Zie voor dit stappenplan de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351.
3.Zie de uitspraak van 27 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2311, rechtsoverweging 4.3
4.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2015, ECLI:NLCRVB:2015:2592.
5.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:212; zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:177.
6.Kamerstuk 25 757 nr.3, p.8.