Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2697

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
11740952
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 BWArt. 6:230l BWArt. 7:755 BWBesluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling meerwerk en proceskosten in aannemingsovereenkomst woningrenovatie

De zaak betreft een geschil over een overeenkomst van aanneming van werk tussen eiser [eiser 1] en gedaagden, eigenaren van een woning. Eiser vordert betaling van een restant aan de overeengekomen aanneemsom en meerwerk, terwijl gedaagden betwisten dat zij dit bedrag verschuldigd zijn en tevens schadevergoeding vorderen wegens vermeende tekortkomingen van eiser.

De rechtbank stelt vast dat partijen een aanneemsom van €48.500 exclusief btw zijn overeengekomen en dat gedaagden nog een bedrag van €8.360,28 verschuldigd zijn voor meerwerk dat zij stilzwijgend of expliciet hebben aanvaard. De vorderingen van gedaagden tot schadevergoeding wegens onder meer te late oplevering, niet uitgevoerde werkzaamheden en gebrekkige levering worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs of omdat de kosten reeds in mindering zijn gebracht.

De rechtbank wijst ook de vordering tot matiging van de aanneemsom af, omdat gedaagden pas na afronding van de werkzaamheden hierover klagen. Daarnaast wordt het conservatoir beslag van eiser gehandhaafd. Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €8.360,28 meerwerk, incassokosten, rente en proceskosten; hun schadevorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11740952 \ CV EXPL 25-8110
Vonnis van 13 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2.
[eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,
3.
[eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eiser 1] ,
gemachtigde: mr. J.J. van Kuijk,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. F.R. Brouwer.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 mei 2025, met productie 1 t/m 22,
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie,
- de conclusie van antwoord in reconventie,
- de akte overleggen producties 6 en 10 t/m 13 van [gedaagden] ,
- de akte overleggen producties 25 en 26 van [eiser 1] ,
- de mondelinge behandeling van 29 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte uitlaten tevens inhoudende wijziging eis van [eiser 1] ,
- de akte uitlaten en indiening productie 14 van [gedaagden] ,
- de akte uitlaten productie 14 van [eiser 1] ,
- het bezwaar van [gedaagden] op de akte uitlaten productie 14 van [eiser 1] ,
- de akte van [eiser 1] met haar reactie op het bezwaar.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagden] zijn de eigenaren van de woning aan de [adres] .
2.2.
[gedaagden] hebben op basis van een overeenkomst van aanneming van werk opdracht verstrekt aan [eiser 1] tot het uitvoeren van diverse werkzaamheden aan de woning.
2.3.
In oktober 2024 is [eiser 1] begonnen met de werkzaamheden.
2.4.
Op 3 november 2024 om 20:41 uur schrijft [gedaagde 1] in een e-mail aan [eiser 1] , voor zover hier van belang:

(…) We hebben inmiddels drie facturen betaald, met een totaal van € 48.400 euro. Volgens onze berekeningen, gebaseerd op de offerte die je hebt aangeboden, komt de totale prijs van onze oorspronkelijke overeenkomst uit op 56.749 euro inclusief BTW. (…)”
2.5.
Op 3 november 2024 om 21:13 uur schrijft [eiser 1] in een e-mail aan [gedaagden] onder meer het volgende:
“(…)Het totale bedrag was € 48.500,00 exclusief 21% BTW (€58.685 inclusief BTW). (…)
Tot op heden hebben jullie het volgende voldaan: (…) Dit is in totaal € 48.400,00, hetgeen betekent dat er nog een bedrag van € 10.285,00 (inclusief BTW) resteert. (…)
Extra kosten
Verder hebben jullie mij tussentijds, dus buiten de afgesproken werkzaamheden om, verzocht om diverse bestellingen te plaatsen en extra werkzaamheden te verrichten. (…) Ter verduidelijking heb ik een schema gemaakt, waarin alle extra werkzaamheden en materialen zijn verwerkt. Dit schema treffen jullie bijgevoegd aan. Hieruit blijkt dat er een bedrag van € 8.774,95 aan extra kosten en werkzaamheden moet worden betaald. (…)”
2.6.
Als bijlage bij de e-mail onder 2.5 heeft [eiser 1] het volgende overzicht gestuurd:
“Extra gemaakte kosten (15 oktober t/m 3 november 2024):
1.
Prijsverschil voor verborgen led(strip)verlichting: 460 euro;
2.
Het verwijderen van de koof in de ingang en de oude keukenluchtafvoer: 380 euro;
3.
Het stuken van de begane grond (behalve de delen die reeds in de offerte waren opgenomen): 1870 euro;
4.
Het uitbikken van de oude badkamervloer en het afvoeren hiervan: 800 euro (al 100 euro korting hierop toegepast);
5.
Het vervangen van het hoofd koud- en warmtetoevoer/leidingen t.w.v. 900 euro: 0 euro (toegepaste korting);
6.
Het verdelen van de ledverlichting en de spotjes in twee groepen in de woonkamer incl. twee dimmers: 450 euro;
7.
Het aanleveren van twee stalen deuren incl. transport: 1357 euro;
8.
Parkeerkosten 15 oktober t/m 3 november: 161,80 euro;
9.
Het doortrekken van 20 mm dikke koud en warm waterleidingen vanaf de cv ketel onderlangs de kruipruimte: 740 euro;
10.
Het plaatsen van twee extra elektra groepen in de meterkast: 300 euro;
11.
Extra kosten (voor twee dagen) van een hulpkracht voor de tegelzetter i.v.m. zwaarte uitgekozen tegels (zie opmerking offerte): 600 euro;
12.
Materiaalkosten van lichtknopen en schakelaars incl. de arbeid voor het vervangen van de oude stopcontacten en de schakelaars op de begane grond: 879,75 euro;
13.
Het aanleveren van vier setjes (elk 6 stuks) Durham dubbele inbouwarmaturen in de kleur wit en 48 stuks GU10 ledspotjes: 776,40 euro.”
2.7.
In een e-mail van 27 december 2024 schrijft de voormalig gemachtigde van [gedaagden] aan [eiser 1] , voor zover hier van belang:

Extra 3 armaturen incl. verzendkosten en BTW: € 67,47 Na ontvangst van de relevante factuur worden de materialen betaald.

Extra 6 spotjes incl. BTW: € 28,68 Na ontvangst van de relevante factuur worden de materialen betaald.
(…)
11.
Extra kosten (voor twee dagen) van een hulpkracht voor de tegelzetter i.v.m. zwaarte uitgekozen tegels (zie opmerking offerte): 600 euro; In de offerte staat wel vermeld dat er extra man-uren in rekening zullen worden gebracht maar er is nooit akkoord gegeven voor dit bedrag. Graag ontvangt mevrouw [gedaagde 1] het bewijs van betaling van de hulpkracht en zal zij dat bedrag betalen.
12.
Materiaalkosten van lichtknopen en schakelaars incl. de arbeid voor het vervangen van de oude stopcontacten en de schakelaars op de begane grond: 879,75 euro; Na ontvangst van de relevante factuur worden de materialen betaald.
13.
Het aanleveren van vier setjes (elk 6 stuks) Durham dubbele inbouwarmaturen in de kleur wit en 48 stuks GU10 ledspotjes: 776,40 euro. Na ontvangst van de relevante factuur worden de materialen betaald.”

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser 1] vordert – samengevat - bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. een verklaring voor recht dat [gedaagden] de tussen partijen geldende overeenkomst tot aanneming van werk niet correct zijn nagekomen,
II. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 8.822,66, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag,
III. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 776,31,
IV. [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro vanaf 30 april 2025, dan wel de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening,
V. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten
3.2.
[eiser 1] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat partijen aanvankelijk een bedrag van € 48.500,00 exclusief btw (€ 58.685,00 inclusief btw) zijn overeengekomen voor de werkzaamheden die [eiser 1] uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk zou verrichten. [gedaagden] hebben een bedrag van € 48.400,00 betaald. Na verrekening met verschillende meer- en minderwerkzaamheden zijn [gedaagden] nog een bedrag van € 8.022,66 verschuldigd.
3.3.
[gedaagden] betwisten dat zij het bedrag van € 8.022,66 verschuldigd zijn. Zij stellen dat partijen een bedrag van € 48.500,00 inclusief btw zijn overeengekomen, waarvan zij al € 48.400,00 hebben betaald. Verder stellen [gedaagden] dat zij, behoudens € 80,00 voor bepaalde kitwerkzaamheden, nooit hebben ingestemd met enig meerwerk, en dat de door [eiser 1] gehanteerde prijzen niet marktconform zijn. Zij menen dat zij juist geld terug horen te krijgen van [eiser 1] en hebben een eis in reconventie ingesteld.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagden] stellen dat [eiser 1] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat zij daardoor schade hebben geleden. In reconventie vorderen zij de volgende bedragen:
€ 1.499,84 in verband met kosten voor hotelovernachtingen en € 1.536,26 aan huur omdat [eiser 1] de woning te laat heeft opgeleverd,
€ 916,05 omdat [eiser 1] geen tweede temperatuurregelaar heeft geïnstalleerd en [gedaagden] als gevolg daarvan voor de installatie een offerte bij een andere partij moesten opvragen,
€ 913,55 omdat [eiser 1] heeft nagelaten de vloertegels in de badkamer op de tweede verdieping te leggen en [gedaagden] daarom een andere partij moesten inschakelen,
€ 492,00 omdat [eiser 1] op 4 november 2024 niet bij de woning aanwezig was om de badkamer in ontvangst te nemen. Daardoor moest [gedaagde 2] haar werkzaamheden als ZZP’er afzeggen en de inkomsten die zij daardoor is misgelopen vordert zij in de vorm van schadevergoeding,
€ 1.357,00 omdat [eiser 1] stalen deuren in de verkeerder maat heeft besteld en geïnstalleerd,
€ 8.470,00 omdat door toedoen van [eiser 1] schade aan de voordeur is ontstaan,
€ 9.408,72 is het bedrag dat zij teveel hebben betaald vanwege niet uitgevoerde werkzaamheden.
Naast de hiervoor genoemde bedragen vorderen [gedaagden] ook matiging van het totaalbedrag van € 48.500,00 en opheffing van het door [eiser 1] gelegde conservatoir beslag.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ambtshalve toetsing
4.1.
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit ter bescherming van de consument.
4.2.
Uit de processtukken leidt de kantonrechter af dat [gedaagden] bij het sluiten van de overeenkomst moeten hebben beschikt over alle essentiële informatie, omdat die uit de context bleek, dan wel op duidelijke en begrijpelijke wijze door [eiser 1] aan [gedaagden] was verstrekt.
4.3.
De kantonrechter heeft verder ambtshalve de overeenkomst getoetst aan de Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat geen algemene voorwaarden zijn overeengekomen. De kantonrechter is verder van oordeel dat op de offerte geen oneerlijke bedingen staan die voor de beoordeling van dit geschil van belang zijn.
Het bezwaar van [gedaagden] op de akte van [eiser 1]
4.4.
[gedaagden] maken bezwaar tegen de door [eiser 1] ingediende aktes van 28 november 2025 en 16 januari 2026. Zij stellen dat [eiser 1] zich niet aan de door de kantonrechter verstrekte opdrachten heeft gehouden en dat de aktes om die reden buiten beschouwing dienen te worden gelaten. De kantonrechter wijst de bezwaren af en zal de aktes niet buiten beschouwing laten. Van schending van een rechtsbeginsel of strijd met de goede procesorde is niet gebleken. Beide partijen zijn voldoende in de gelegenheid gesteld op elkaar te reageren en [gedaagden] zijn niet in de verdediging benadeeld.
De overeengekomen aanneemsom
4.5.
Tussen partijen is in geschil welke aanneemsom bij aanvang van de werkzaamheden is overeengekomen. [eiser 1] stelt dat een aanneemsom van € 48.500,00 exclusief btw is overeengekomen. [gedaagden] stellen dat dat bedrag inclusief btw is overeengekomen.
4.6.
Uit de overgelegde e-mailcorrespondentie van 3 november 2024 (zie onder 2.4 en 2.5) blijkt duidelijk dat partijen een aanneemsom van € 48.500,00 exclusief btw zijn overeengekomen. Tegen beter weten in hebben [gedaagden] zich in deze procedure echter herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat een aanneemsom inclusief btw is overeengekomen. Dit kan hen kwalijk worden genomen. Daarmee is immers een onjuiste voorstelling van zaken gegeven, hetgeen de onderlinge verhouding tussen partijen verder heeft verslechterd.
Minderwerk
4.7.
Van de aanneemsom hebben [gedaagden] een bedrag van € 48.400,00 voldaan. Dit zou betekenen dat [gedaagden] nog een bedrag van € 10.285,00 (inclusief btw) aan [eiser 1] verschuldigd waren. [gedaagden] hebben op een gegeven moment echter bepaalde werkzaamheden geannuleerd en/of ingetrokken (schilderwerkzaamheden, cinewall en verlaagd plafond toilet). Deze kosten heeft [eiser 1] op het openstaande bedrag in mindering gebracht, en zij hebben de te veel betaalde btw verrekend. Na verrekening was er sprake van een tegoed aan de zijde van [gedaagden] : zij hadden € 1.221,64 inclusief btw te veel betaald.
4.8.
Voor zover [gedaagden] bij akte van 2 januari 2026 stellen dat het bedrag dat [eiser 1] in verband met de geannuleerde cinewall in mindering heeft gebracht te laag is, gaat de kantonrechter aan deze stelling voorbij. Dat [eiser 1] van een te laag bedrag is uitgegaan is niet onderbouwd, en daarvoor zijn ook geen aanwijzingen. [gedaagden] hebben bovendien niet eerder dan in de procedure bezwaar gemaakt tegen het bedrag van € 1.600,00 dat door [eiser 1] in mindering is gebracht.
Meerwerk
4.9.
Nadat de geannuleerde werkzaamheden op het verschuldigde bedrag in mindering waren gebracht, heeft [eiser 1] nog drie facturen gestuurd in verband met door haar gesteld meerwerk. Partijen verschillen van inzicht over de vraag of bepaalde posten als meerwerk moeten worden aangemerkt of onder de vaste aanneemsom vallen. Uitgangspunt is dat een aannemer op grond van artikel 7:755 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) alleen een verhoging van de prijs kan vorderen ter zake van meerwerk indien hij de opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van een uit het meerwerk voortvloeiende prijsverhoging heeft gewaarschuwd. Dit kan anders zijn als de opdrachtgever de noodzaak van prijsverhoging uit zichzelf had moeten begrijpen.
Factuur [nummer 1]
4.10.
Op deze factuur van 3 november 2024 heeft [eiser 1] extra stukadoorwerkzaamheden en kosten voor extra werkzaamheden in de periode van 15 oktober t/m 3 november 2024 in rekening gebracht, in totaal voor een bedrag van € 8.774,95 inclusief btw. Een specificatie van de werkzaamheden heeft [eiser 1] als bijlage bij haar e-mail van 3 november gestuurd, zie onder 2.6.
4.11.
Tussen partijen staat vast dat de parkeerkosten van € 161,80 (punt 8) op voornoemd bedrag in mindering moeten worden gebracht. Met betrekking tot de andere posten doet [eiser 1] een beroep op Whatsappcorrespondentie waaruit zou blijken dat de extra werkzaamheden zijn overeengekomen. [gedaagden] stellen zich primair op het standpunt dat geen sprake is van meerwerk, maar dat de kostenposten behoorden tot de gemaakte afspraken. Subsidiair stellen zij dat zij niet gehouden zijn het meerwerk te betalen, nu zij daarmee niet uitdrukkelijk hebben ingestemd.
4.12.
In de overgelegde Whatsappcorrespondentie is te zien dat [eiser 1] op verschillende momenten werkzaamheden en de bijbehorende kosten stuurt in een Whatsappgroep met [gedaagden] met de naam ‘Extra’s’. De kostenposten zoals genoemd op de specificatie van factuur [nummer 1] onder de punten 1 t/m 4, 6, 7, 9 en 10 komen één op één overeen met de Whatsappberichten van [eiser 1] . De werkzaamheden en de bijbehorende kosten zijn daarmee tijdig en duidelijk met [gedaagden] gecommuniceerd. Door [gedaagden] is niet betwist dat zij de berichten hebben ontvangen. Hoewel zij niet op elk bericht uitdrukkelijk akkoord hebben gegeven, is van (tijdig) geuite bezwaren tegen de kosten geen sprake, met uitzondering van punt 7 (de stalen deuren). Naar het oordeel van de kantonrechter hebben [gedaagden] het genoemde meerwerk daarmee stilzwijgend aanvaard. Ten aanzien van de stalen deuren stellen [gedaagden] dat [eiser 1] de deuren foutief heeft ingemeten, en dat zij de verkeerde maat deuren heeft besteld en geïnstalleerd. Volgens [gedaagden] voldoen de deuren niet aan de vergunningsvoorwaarden en moeten zij de deuren vervangen. [eiser 1] stelt dat de deuren iets kleiner zijn dan de oorspronkelijke deuren omdat de juiste maat ten tijde van het bestellen niet beschikbaar was. Volgens [eiser 1] heeft zij dit met [gedaagden] besproken en hebben [gedaagden] te kennen gegeven dat dit akkoord was. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eiser 1] een verklaring van de heer [naam] overgelegd. Vervolgens heeft [eiser 1] de link van de website met de stalen deuren en de bijbehorende maten in de hiervoor genoemde Whatsapp-groep gestuurd.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser 1] voldoende onderbouwd dat [gedaagden] op de hoogte waren van de (kleinere) maat van de deuren en dat zij hiermee (al dan niet stilzwijgend) akkoord zijn gegaan. Van vergunningsvoorwaarden is niet gebleken. Dat leidt tot de conclusie dat [gedaagden] de kostenposten zoals genoemd op de specificatie van factuur [nummer 1] onder de punten 1 t/m 4, 6, 7, 9 en 10 aan [eiser 1] moeten betalen, in totaal een bedrag van € 6.357,00 inclusief btw.
4.13.
Met betrekking tot het meerwerk zoals genoemd onder 11 t/m 13 overweegt de kantonrechter als volgt. In haar e-mail van 27 december 2024 (zie onder 2.7) schrijft de voormalig gemachtigde van [gedaagden] (samengevat) dat deze kostenposten betaald zullen worden na ontvangst van betaalbewijzen en/of facturen. Daarmee hebben zij de verschuldigdheid van dit meerwerk erkend. Het meerwerk is door [eiser 1] voldoende gespecificeerd en zoveel mogelijk met facturen onderbouwd. Dit blijkt uit het volgende.
Bij e-mail van 2 februari 2025 heeft [eiser 1] uitgelegd dat de kosten van de extra tegelzetter (punt 11) op de eindfactuur zijn doorbelast en dat het niet de bedoeling is dat [gedaagden] de interne afspraken met haar samenwerkingspartijen zouden inzien. De extra tegelzetter moest worden ingezet omdat [gedaagden] te zware tegels hadden besteld. De kantonrechter acht een bedrag van € 600,00 voor een tegelzetter gedurende twee dagen redelijk, zodat [gedaagden] dit bedrag aan [eiser 1] dienen te betalen. Met betrekking tot de materiaalkosten van lichtknoppen en schakelaars inclusief arbeidskosten (punt 12) heeft [eiser 1] in haar e-mail van 2 februari 2025 uitgelegd dat de materialen door de elektricien zelf zijn aangeschaft, waardoor [eiser 1] de onderliggende facturen niet kan overleggen. [eiser 1] heeft wel een overzicht van de gebruikte materialen en de kosten daarvan overgelegd. Daarop is te zien dat de materiaalkosten in totaal € 229,59 bedragen. De arbeidskosten van € 650,00 voor twee elektriciens gedurende 1 dag acht de kantonrechter redelijk, zodat ook deze kosten (samen € 879,59 inclusief btw) door [gedaagden] betaald dienen te worden. Met betrekking tot de kosten zoals genoemd in punt 13 heeft [eiser 1] bij e-mail van 2 februari 2025 facturen overgelegd van LEDdirect en Intoled. De factuur van LEDdirect ziet op de dubbele inbouwarmaturen en bedraagt € 539,76 inclusief btw. Op de factuur van Intoled staat een bedrag van € 189,60 exclusief btw voor 48 GU10 ledspotjes (= € 229,42 inclusief btw). Die bedragen, samen € 769,18 (inclusief btw), moeten door [gedaagden] aan [eiser 1] betaald worden.
4.14.
Conclusie van het voorgaande is dat [gedaagden] op 3 november nog een bedrag van € 8.605,77 inclusief btw (factuur [nummer 1] ) - € 1.221,64 inclusief btw (tegoed [gedaagden] ) = € 7.384,13 inclusief btw verschuldigd waren.
Factuur [nummer 2]
4.15.
[eiser 1] stelt dat er ook na 3 november 2024 in opdracht van [gedaagden] nog verder meerwerk is verricht. Om onduidelijkheid te voorkomen hebben zij factuur [nummer 1] volledig gecrediteerd en een nieuwe factuur opgesteld (factuur [nummer 2] ). Op deze nieuwe factuur stonden het bedrag van factuur [nummer 1] en twee nieuwe posten vermeld. Deze nieuwe posten betroffen ‘€ 176,15 inclusief btw (meerprijs kitwerk en extra armaturen/spotjes)’ en ‘€ 455,00 inclusief btw (extra loodgieterswerkzaamheden)’.
4.16.
Met betrekking tot de eerste kostenpost is niet in geschil dat [gedaagden] akkoord hebben gegeven op de meerprijs van het kitwerk (€ 80,00 inclusief btw). Ten aanzien van de kosten voor extra armaturen en spotjes heeft de voormalig gemachtigde van [gedaagden] in haar e-mail van 27 december 2024 (zie onder 2.7) geschreven dat deze kostenposten betaald zullen worden na ontvangst van betaalbewijzen en/of facturen. De onderliggende facturen heeft [eiser 1] bij e-mail van 2 februari 2025 aan de voormalig gemachtigde van [gedaagden] verstuurd. [gedaagden] moeten deze kostenpost van € 176,15 inclusief btw daarom aan [eiser 1] betalen.
4.17.
Met betrekking tot de tweede kostenpost (extra loodgieterswerkzaamheden) stelt [eiser 1] dat de loodgieter een tweede keer moest terugkomen omdat niet alle door [gedaagden] bestelde sanitaire goederen geleverd waren toen de loodgieter er voor het eerst was. De kantonrechter overweegt als volgt. Niet is gebleken dat [gedaagden] akkoord zijn gegaan met deze extra kosten. Ook kan naar het oordeel van de kantonrechter niet van [gedaagden] worden verwacht dat zij uit zichzelf hadden moeten begrijpen dat extra kosten werden gemaakt. Daarbij is van belang dat uit het door [gedaagden] overgelegde deskundigenrapport volgt dat de loodgieter sowieso nog een keer moest terugkomen om bepaalde goederen die al wel geleverd waren te monteren en kitten, en [eiser 1] hier onvoldoende tegenover hebben gesteld. De kosten voor de extra loodgieterswerkzaamheden blijven daarom voor rekening van [eiser 1] .
Factuur [nummer 3]
4.18.
[eiser 1] maakt eveneens aanspraak op betaling van een bedrag van € 800,00 inclusief BTW in verband met het aanleveren en aanbrengen van 35 zakken zand-cement. Deze kosten zaten niet in de oorspronkelijke offerte en zijn door [eiser 1] op 28 oktober 2024 aan [gedaagden] medegedeeld in de Whatsapp-groep ‘Extra’s’, zodat ook deze kosten verschuldigd zijn.
Conclusie van het voorgaande
4.19.
Gelet op het voorgaande moeten [gedaagden] het volgende bedrag aan [eiser 1] betalen: € 7.384,13 + € 176,15 + € 800,00 =
€ 8.360,28 inclusief btw. Dit bedrag zal worden toegewezen.
Verklaring voor recht
4.20.
Omdat [gedaagden] niet aan hun betalingsverplichting hebben voldaan zijn zij tekortgeschoten in de nakoming van hun verbintenis uit de overeenkomst met [eiser 1] . De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.21.
[eiser 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagden] consumenten zijn. Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser 1] heeft aan [gedaagden] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Uit vaste rechtspraak volgt dat een aanmaningsbrief ook in digitale vorm mag worden verzonden, zoals [eiser 1] heeft gedaan. [1] Het gevorderde bedrag is lager dan het bedrag dat op grond van het Besluit toewijsbaar is bij een hoofdsom van € 8.360,28. Daarom wordt het gevorderde bedrag van € 776,13 toegewezen.
Wettelijke rente
4.22.
De wettelijke rente wordt toegewezen over de toegewezen hoofdsom.
Proceskosten
4.23.
[gedaagden] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.527,21
in reconventie
Kosten hotel en huur
4.24.
[gedaagden] stellen dat [eiser 1] de overeengekomen werkzaamheden niet binnen de oplevertermijn heeft opgeleverd. Volgens [gedaagden] zijn zij met [eiser 1] overeengekomen dat de werkzaamheden op 25 november 2024 gereed zouden zijn. Zij maken aanspraak op de schade die zij hebben geleden als gevolg van de niet-tijdige nakoming bestaande uit kosten voor hotelovernachtingen en huur. Deze vorderingen worden afgewezen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opleverdatum een aantal keer is verschoven en uiteindelijk op 25 november 2024 is gesteld. Van een fatale termijn, dat is een harde deadline waarbinnen de werkzaamheden moesten zijn afgerond, is niet gebleken. Dit leidt tot de conclusie dat [eiser 1] niet in verzuim is komen te verkeren. [eiser 1] is daarom niet aansprakelijk voor de gestelde kosten.
De vloer in de badkamer en de tweede temperatuurregelaar
4.25.
[gedaagden] vorderen schadevergoeding omdat [eiser 1] de tegels in de badkamer op de tweede verdieping niet heeft gelegd, en omdat [eiser 1] geen tweede temperatuurregelaar heeft geïnstalleerd. [eiser 1] heeft gemotiveerd betwist dat deze werkzaamheden zijn overeengekomen en naar het oordeel van de kantonrechter blijkt dit ook niet uit de stukken. Uit de stukken blijkt enkel dat afspraken zijn gemaakt over het egaliseren en betegelen van wanden (in de offerte), en het uitbikken en afvoeren van de badkamervloer (zie onder 2.6, punt 4). De vorderingen worden daarom afgewezen.
In ontvangst nemen van de badkamer
4.26.
Ter onderbouwing van haar stelling dat [eiser 1] de badkamerspullen die op 4 november 2024 bij de woning werd afgeleverd in ontvangst zou nemen, hebben [gedaagden] een verklaring van een winkelverkoper overgelegd. De verkoper verklaart dat de aannemer van [gedaagden] heeft aangegeven dat hij aanwezig zou zijn om alles in ontvangst te nemen. [eiser 1] betwist dat deze toezegging is gedaan. Zij wijst op haar offerte waarop staat: “
Wastafelkranen incl. inbouwdelen, badmeubelset incl. wasbak, afvoerdelen voor de wasbak en het ligbad, spiegelkast, douchkraanset, douchwand, kraan voor het ligbad, ligbad, toiletpot en drukknop dient door jullie uitgekozen, besteld en op de locatie aangeleverd te worden.”
4.27.
De kantonrechter wijst de vordering van [gedaagden] tot schadevergoeding in verband met het niet in ontvangst nemen van de badkamerspullen af. Vast staat dat [gedaagden] de offerte hebben ontvangen waarop staat dat zij zelf verantwoordelijk zijn voor het afleveren van de badkamer-onderdelen. Uit de uitgebreide correspondentie tussen partijen blijkt niet dat partijen daarover andere afspraken hebben gemaakt. De verklaring van de verkoopmedewerker is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.
Stalen deuren
4.28.
De gevorderde schadevergoeding in verband met de geleverde stalen deuren wordt afgewezen gelet op hetgeen is overwogen onder 4.12.
Voordeur
4.29.
De gevorderde schadevergoeding voor de defecte voordeur wordt afgewezen omdat onvoldoende blijkt dat deze schade door [eiser 1] is veroorzaakt. De enkele stelling dat de voordeur goed functionerend was voordat [eiser 1] aan haar werkzaamheden begon, en daarna niet meer, is niet voldoende om aan te nemen dat de schade door [eiser 1] is veroorzaakt. Dit geldt te meer nu vast staat dat in ieder geval één andere door [gedaagden] ingeschakelde externe partij ook toegang had tot de woning in dezelfde periode.
Niet uitgevoerde werkzaamheden
4.30.
[gedaagden] vorderen [eiser 1] te veroordelen tot betaling van € 9.408,72 in verband met te veel betaalde btw en niet-uitgevoerde werkzaamheden, namelijk de cinewall, het schilderwerk en het verlaagd plafond toilet. De vordering wordt afgewezen, nu de kosten voor die werkzaamheden al door [eiser 1] in mindering zijn gebracht op de totale aanneemsom (zie onder 4.7).
Matiging van de aanneemsom
4.31.
[gedaagden] vorderen in reconventie matiging van de aanneemsom en voeren aan dat de door [eiser 1] gehanteerde prijzen onredelijk en buitenproportioneel zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat echter geen aanleiding om de door [eiser 1] gehanteerde prijzen te toetsen op marktconformiteit. [gedaagden] hebben bij aanvang van de werkzaamheden akkoord gegeven op de aanneemsom en zijn pas na afronding van de werkzaamheden daarover gaan klagen, hetgeen te laat is. De vordering wordt afgewezen.
Opheffing conservatoir beslag
4.32.
Gelet op het voorgaande overweegt de kantonrechter dat [eiser 1] terecht beslag heeft gelegd. Van de ondeugdelijkheid van de geldvordering van [eiser 1] of van het onnodige van het bestreden beslag is niet gebleken. De vordering tot opheffing wordt afgewezen. Het gelegde beslag zal van rechtswege overgaan in executoriaal beslag omdat de vordering in conventie wordt toegewezen (704 Rv).
Proceskosten
4.33.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
(2 punten × factor 0,5 × € 577,00)
Totaal
577,00

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 8.360,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagden] om aan [eiser 1] te betalen een bedrag van € 776,13 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 1.527,21, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagden] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten van € 577,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, mr. L.W. Oosthoek, op 13 maart 2026.
64443

Voetnoten

1.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 5 december 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:5389 r.o. 4.5.2. en Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405 r.o. 3.6.