ECLI:NL:RBAMS:2026:2860

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
AMS 26/946 en AMS 25/6061
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag semi-stadsvernieuwingsurgentie wegens niet voldoen aan vijfjaarsvereiste

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarde van vijf jaar onafgebroken inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) op het ouderlijk adres.

Eiser voerde aan dat hij vanwege medische noodzaak terugkeerde naar het ouderlijk huis en dat de hardheidsclausule toegepast had moeten worden. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder een strikt beleid voert bij het verlenen van urgentieverklaringen en dat persoonlijke omstandigheden, zoals medische redenen, niet leiden tot een uitzondering op het vijfjaarsvereiste.

Daarnaast faalde het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat de vergelijkbare situatie die eiser aanvoerde niet gelijkwaardig was. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing terecht was en wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor semi-stadsvernieuwingsurgentie is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 26/946 (voorlopige voorziening) en AMS 25/6061 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , verzoeker/eiser (hierna: eiser)

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M.E. Schuttenhelm).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eisers aanvraag voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 september 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening.
2.2.
Verweerder heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.
2.4.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen. [1]

Overwegingen

Achtergrond en besluitvorming
3.1.
Eiser woont op het adres [adres 1] . Met het besluit van 13 maart 2025 werd de peildatum voor het stadsvernieuwingsproject voor het complex [naam] met instemming van het stadsdeel Nieuw West vastgesteld op 14 maart 2025. Volgens de planning wordt gestart met de sloopwerkzaamheden op 1 oktober 2026. Het complex bevat 26 woningen en wordt bewoond door 24 reguliere huurders. Het complex betreft de volgende adressen: [adres 2] [huisnummers] (oneven).
3.2.
Om in aanmerking te komen voor een semi-stadsvernieuwingsurgentie heeft de gemeente Amsterdam een aantal voorwaarden opgesteld. Eén daarvan is dat de aanvrager op de peildatum vijf jaar zonder onderbreking onderdeel van het huishouden moet zijn geweest. De inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) is leidend voor het vaststellen of voldaan is aan deze voorwaarde. Uit de BRP blijkt dat eiser zich pas op 26 juli 2023 heeft ingeschreven op het adres van zijn moeder aan de [adres 1] . Daarvoor was eiser tussen 28 september 2018 en 26 juli 2023 ingeschreven aan de [adres 3] , waar hij een kamer huurde. Daarmee is de vereiste onafgebroken inschrijfduur niet aangetoond.
3.3.
Verweerder heeft het verzoek van eiser afgewezen omdat hij niet voldoet aan het vijfjaarsvereiste. Hoewel verweerder zich bewust is van de persoonlijke situatie van eiser, leidt dit niet tot een uitzondering op de regels. Eiser kan meeverhuizen met zijn moeder, ook zonder rekening te houden met woninggrootte. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule slaagt niet, omdat strikte toepassing van de regels noodzakelijk is gezien de krapte op de woningmarkt. Op grond van vaste rechtspraak geldt dat persoonlijke omstandigheden niet meewegen bij een semi-stadsvernieuwingsurgentie. De regeling houdt expliciet rekening met situaties zoals die van eiser.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Hardheidclausule
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op de peildatum niet vijf jaar onafgebroken op het adres in de BRP stond ingeschreven. Partijen verschillen van mening of verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Eiser voert aan dat hij noodgedwongen terug moest keren naar zijn ouderlijk huis vanwege ernstige gezondheidsproblemen. Tijdens deze periode was hij grotendeels afhankelijk van zijn moeders zorg en begeleiding. Eisers terugkeer was geen vrijwillige keuze, maar het gevolg van een medische noodzaak.
4.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder voor het verlenen van urgentieverklaringen een zeer strikt beleid voert. Dit beleid wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet onredelijk geacht. [2] Met een urgentieverklaring krijgt een persoon voorrang op andere personen die ook hard op zoek zijn naar een woning. Gelet op de enorme schaarste aan betaalbare huurwoningen in Amsterdam, past verweerder de hardheidsclausule zeer terughoudend toe. Deze wordt alleen toegepast als de weigering leidt tot een schrijnende situatie en er sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de Huisvestingsverordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor verlening zouden kunnen zijn.
4.2.
De voorzieningenrechter constateert dat eiser zijn medische situatie van destijds niet heeft onderbouwd. Weliswaar heeft eiser aangeboden om op verzoek inzage te geven in zijn medisch dossier, maar het had op zijn weg gelegen eventueel van belang zijnde medische gegevens te overleggen. De voorzieningenrechter ziet echter geen aanleiding om eiser daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen. Zelfs als zou vaststaan dat eiser om medische redenen is terugverhuisd naar de woning van zijn moeder, betekent dat nog niet dat verweerder een uitzondering had moeten maken op het vereiste van vijf jaar onafgebroken inschrijving in de BRP op het ouderlijk adres.
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder geen aanleiding hoefde te zien om de hardheidsclausule toe te passen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de afwijzing voor eiser lastig te accepteren is nu hij stelt dat hij niet vrijwillig is teruggekeerd naar zijn ouderlijk huis, maar dat het een gevolg is van een medische noodzaak. Echter, verweerder heeft op zitting terecht opgemerkt dat een semi-stadsvernieuwingsurgentie niet bedoeld is als oplossing voor de (woon)problematiek van eiser. Het doel van de regeling is de doorstroom te versnellen bij renovaties en niet om inwonende kinderen voorrang te geven op een woning. Eisers argument dat sprake is van een onvoorziene situatie volgt de voorzieningenrechter niet. De situatie van eiser is juist wel voorzien bij het opstellen van de verordening. Er is bewust gekozen voor een harde lijn van vijf jaar en het zou een glijdende schaal zijn als (kleine) afwijkingen daarvan geaccepteerd worden. Verweerder heeft de situatie van eiser niet bijzonder of schrijnend mogen vinden in de zin dat zijn situatie voorrang boven andere woningzoekenden rechtvaardigt. Eiser kan op eigen kracht proberen een woning te zoeken net als andere woningzoekenden. Dat dit gelet op de huidige woningmarkt moeilijk zal zijn begrijpt de voorzieningenrechter. Echter, niet is gebleken dat eiser zelf geen woning kan zoeken. Ook is niet gebleken dat er geen woningen zijn waar eiser wel met zijn moeder mee naartoe kan verhuizen. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet mee mag verhuizen naar seniorenwoningen. Maar uit het overzicht van aangeboden woningen aan zijn moeder blijkt dat er ook niet seniorenwoningen zijn aangeboden, waar kennelijk wel kinderen mee naartoe mogen verhuizen.
Gelijkheidsbeginsel
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem bekend is dat in een vergelijkbare situatie binnen hetzelfde complex aan een andere huurder wel een semi-stadsvernieuwingsurgentie is toegekend, terwijl ook daar niet werd voldaan aan het vijfjaarsvereiste.
5.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd waarom het een gelijk geval betreft. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat het niet om een gelijke situatie gaat. In het geval waar eiser naar verwijst was volgens verweerder sprake van een (tijdelijke) uithuisplaatsing van een minderjarige op last van de kinderrechter waarbij feitelijk geen sprake is geweest van een verhuizing naar een andere woonruimte maar naar een instelling alwaar dit kind werd behandeld. Dit is niet vergelijkbaar met de situatie van eiser die zelf het ouderlijk huis heeft verlaten en op een later moment (al dan niet om medische redenen) weer is terugverhuisd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2497.