ECLI:NL:RVS:2021:2497
Raad van State
- Hoger beroep
- J.TH. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering urgentieverklaring voor woningzoekende moeder met kinderen
Appellante vroeg op 3 juni 2020 een urgentieverklaring aan omdat zij met twee jonge kinderen in een tijdelijke huurwoning woonde en in verwachting was van een derde kind. Na afloop van het huurcontract werd een ontruimingsprocedure gestart en werd de woning ontruimd. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op grond van de algemene weigeringsgronden in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, omdat er geen urgent huisvestingsprobleem was en de situatie voorzienbaar en verwijtbaar was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de hardheidsclausule niet van toepassing was omdat de situatie niet uniek of onvoorzien was en geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische problemen samenhingen met de woonsituatie en dat de rechtbank ten onrechte de verklaring van haar psychiater had genegeerd.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank en het college terecht de hardheidsclausule niet toepasten, omdat de situatie van appellante niet voldeed aan de strenge criteria voor urgentie, mede vanwege de schaarste aan sociale huurwoningen en de noodzaak tot eerlijke verdeling onder woningzoekenden. De voorzienbaarheid en verwijtbaarheid van de situatie speelden een doorslaggevende rol. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de weigering van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.