ECLI:NL:RBAMS:2026:2882

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/4784
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende verblijfplaatsinformatie en medewerking

Eiser heeft op 18 maart 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd die door verweerder is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van bijstandsbehoefte en onduidelijkheid over zijn verblijfplaats. Uit onderzoek bleek dat eiser meerdere verblijfplaatsen had, waaronder een werkruimte en een auto, maar hij was niet aantoonbaar aanwezig tijdens onaangekondigde controles en was telefonisch niet bereikbaar.

Verweerder baseerde het besluit op een zorgvuldig administratief en locatieonderzoek, waarbij eiser niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht. Eiser stelde dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de aanvraag werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat verweerder voldoende had gemotiveerd waarom het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.

De rechtbank verwierp het beroep van eiser en oordeelde dat de aanvraag terecht was afgewezen. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de bijstandsuitkering wegens onvoldoende medewerking en onduidelijkheid over de verblijfplaats van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/4784

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,verweerder
(gemachtigde: mr. D. Ahmed).

Procesverloop

1.1.
Eiser heeft op 18 maart 2025 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) aangevraagd. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 4 april 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vooraf ging aan het bestreden besluit
2.1.
Eiser heeft eerst op 6 februari 2025 een bijstandsuitkering aangevraagd. Met een besluit van 17 februari 2025 is zijn aanvraag afgewezen, omdat zijn inkomsten per maand hoger of gelijk zijn aan de bijstandsnorm die voor hem geldt.
2.2.
Op 18 maart 2025 heeft eiser een aanvraag levensonderhoud op grond van de Pw gedaan bij de afdeling Bijzondere doelgroepen. Hij heeft op deze aanvraag ingevuld dat hij in zijn auto slaapt in de [adres 1] . Naar aanleiding hiervan is een onderzoek opgestart naar de juistheid van de door eiser verstrekte verblijfslocatie.
2.3.
Uit het rapport Administratief onderzoek van 19 maart 2025 volgt dat eiser verschillende verblijfslocaties heeft. Hij verblijft vier dagen per week bij zijn broer. Het gaat om een werkruimte aan het [adres 2] van 22:00 uur tot en met 08:00 uur.
Eiser verblijft twee à drie dagen per week in de auto van een vriend. Het gaat om een grijze Seat Ibiza met kenteken [kenteken] . De auto parkeert hij in de [adres 1] . Eiser heeft verweerder verzocht om, bij controle op het adres van zijn broer, telefonisch contact met hem op te nemen in plaats van aan te bellen.
2.4.
Uit het rapport van bevindingen aanvraag Bijzondere Doelgroepen van 4 april 2025 volgt onder meer dat de betreffende handhavingsmedewerkers een administratief vooronderzoek hebben gedaan en dossieronderzoek hebben verricht. Naar aanleiding hiervan is besloten om huis- en locatiebezoeken af te leggen. De rapporteur concludeert dat eiser niet is aangetroffen bij onaangekondigde, herhaalde bezoeken en telefonisch niet bereikbaar was. De medewerkers van de afdeling Handhaving hebben niet kunnen vaststellen of eiser tot de doelgroep Bijzondere Doelgroepen behoort en hebben daarom geadviseerd om de aanvraag af te wijzen.
3. Verweerder heeft de bevindingen uit de genoemde onderzoeken overgenomen. Met het primaire besluit is de aanvraag van eiser afgewezen omdat hij geen volledige inlichtingen heeft gegeven. Eiser is niet aangetroffen tijdens meerdere onaangekondigde bezoeken en hij heeft verzuimd verweerder te informeren waar hij wel verbleef. Het recht op bijstand kan daarom niet worden vastgesteld.
4. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder verwijst in zijn motivering naar de waarnemingen en locatiebezoeken die hebben plaatsgevonden. Volgens verweerder is de aanvraag van eiser terecht afgewezen. Bijstand wordt alleen verstrekt als duidelijk is dat iemand bijstandsbehoeftig is. Op eiser rust een medewerkingsplicht. Eiser moet meewerken en de juiste gegevens verstrekken die nodig zijn voor het bepalen van het recht op bijstand. De bewijslast ligt daarbij op eiser. In de situatie van eiser heeft verweerder niet kunnen vaststellen dat eiser op de door hem opgegeven adressen verbleef en hij was telefonisch niet bereikbaar. Het recht op bijstand kan niet met zekerheid worden vastgesteld nu de verblijfplaats van eiser niet duidelijk is en hij onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Volgens eiser heeft verweerder een te beperkt en onzorgvuldig onderzoek verricht naar zijn verblijfsadressen. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn aanvraag om een bijstandsuitkering is afgewezen. Per uitgevoerde controle, voert hij het volgende aan:
25 maart 2025 om 09:28 uur:
Het [adres 2] is bezocht. Op verzoek van eiser is er niet aangebeld maar hebben verbalisanten met eiser gebeld. De telefoon ging een paar keer over en ging daarna naar de voicemail. Volgens eiser was de afspraak dat hij zich tot 08:00 uur op de opgegeven locatie zou bevinden.
26 maart 2025 om 06:51 uur:
Volgens de rapporteurs is de auto niet aangetroffen in de [adres 1] op genoemde datum en tijdstip. Er is echter niet onderzocht of de auto in de omgeving van de [adres 1] stond. Volgens eiser kan het voorkomen dat de auto in de omgeving staat als er geen parkeerplaats vrij is in de [adres 1] . Verder heeft verweerder eiser niet opgedragen gedurende de periode waarin het onderzoek werd verricht te allen tijde op een van de adressen te verblijven.
26 maart om 07:34 uur:
Het [adres 2] is bezocht. Er is telefonisch contact opgenomen met eiser. Eiser verbleef op dat moment in [plaats 2] bij een vriend. Eiser heeft de telefonische verbinding niet verbroken. De verbinding was niet goed. Hij kon niet terugbellen, omdat er anoniem is gebeld. De rapporteurs hebben vervolgens niet teruggebeld. Eiser heeft daarnaast kenbaar gemaakt dat hij op 27 maart 2025 op het [adres 2] aanwezig zou zijn. Hij is toen niet bezocht.
1 april 2025 om 06:43 uur:
De auto is niet aangetroffen in de [adres 1] , terwijl wel de hele straat is doorgereden.
1 april 2025 om 07:14 uur:
Het [adres 2] is bezocht. Dat eiser zijn telefoon niet heeft beantwoord, betekent niet dat hij niet op dit adres verbleef. Als hij eenmaal slaapt, kan het zijn dat hij zijn telefoon niet hoort. Hij is kortdurend anoniem gebeld. Hij kon dus niet terugbellen. Verweerder heeft niet betwist dat eiser anoniem is gebeld. Eiser vindt deze werkwijze in zijn geval onredelijk. Hij is vermoeid en zijn slaap is verstoord doordat hij in een auto moet slapen en in een bedrijfspand. Verweerder had niet anoniem mogen bellen en zijn bezoeken moeten aankondigen.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank moet beoordelen of verweerder de aanvraag om een bijstandsuitkering terecht heeft afgewezen. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de te beoordelen periode in dit geval van 18 maart 2025 (datum melding voor het doen van een aanvraag) tot en met 4 april 2025 (de datum van het afwijzingsbesluit) loopt.
7. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) moet een aanvrager van een bijstandsuitkering de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die tot toewijzing van die aanvraag kunnen leiden. Dit betekent dat de aanvrager de nodige duidelijkheid moet verschaffen over de van belang zijnde feiten en omstandigheden, waaronder zijn woon- en verblijfplaats. [1] Volgens de Raad kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn, worden gevraagd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. [2] Het ligt vervolgens op de weg van verweerder om in het kader van zijn onderzoeksplicht te controleren of de door de aanvrager verstrekte inlichtingen juist en volledig zijn. Als de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting [3] voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Was het onderzoek onzorgvuldig?
8. Op de zitting heeft verweerder erkend dat de controle op 25 maart 2025 na 08.00 uur in de ochtend - en daarom te laat - heeft plaatsgevonden. De bevindingen van deze controle worden niet ten grondslag gelegd aan de afwijzing van de aanvraag.
9. Uit het rapport van bevindingen volgt dat de opgegeven locaties op twee verschillende momenten (26 maart 2025 en 1 april 2025) zijn bezocht binnen de door eiser opgegeven tijden. Ook zonder het bezoek van 25 maart 2025 blijven er naar het oordeel van de rechtbank daarom voldoende momenten over waarop eiser niet is aangetroffen op de afgesproken locaties. Wat betreft de controle op 26 maart 2025 had eiser verweerder vooraf moeten informeren over zijn verblijf in [plaats 2] . Dat eiser niet wist dat hij verplicht was om in de onderzoeksperiode te verblijven op de door hem opgegeven locaties, volgt de rechtbank niet. Uit het rapport van bevindingen volgt duidelijk dat eiser bij de aanvraag erop is gewezen dat hij op de opgegeven locaties gecontroleerd kan worden, hij verklaard heeft hier te verblijven en dat hij iedere wijziging met betrekking tot zijn woon- en leefsituatie moet doorgeven. Voor zover eiser aanvoert dat verweerder hem nog een herstelmogelijkheid had moeten bieden, volgt de rechtbank dat evenmin omdat het hier gaat om een aanvraagsituatie. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd, maakt niet dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.
Is het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel?
10. De rechtbank oordeelt dat het motiveringsbeginsel niet is geschonden. Het bestreden besluit is gebaseerd op een voldoende zorgvuldig onderzoek en verweerder heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
11. Gelet op de voorgaande overwegingen, oordeelt de rechtbank dat de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering terecht is afgewezen.

Conclusie

12. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4257.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15.
3.Artikel 17, eerste en tweede lid, van de Pw.