ECLI:NL:RBAMS:2026:2918

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
13/281525-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen handel harddrugs, bezit vuurwapen en witwassen

Op 21 oktober 2025 werd verdachte staande gehouden in Amsterdam wegens het door rood fietsen. Bij controle werden meerdere telefoons, een groot bedrag contant geld en diverse hoeveelheden vermoedelijke verdovende middelen aangetroffen. Verdachte kon geen plausibele verklaring geven over zijn bestemming en het geld.

De politie vond bij een huiszoeking in de woning van verdachte nog meer verdovende middelen en contant geld. Verdachte werd beschuldigd van het voorbereiden van handel in harddrugs (MDMA en cocaïne), bezit van hennep, bezit van een pistool met munitie en witwassen van €6.650,-.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte voorbereidingshandelingen had getroffen voor handel in harddrugs, in bezit was van aanzienlijke hoeveelheden drugs en een vuurwapen, en dat het geld afkomstig was uit misdrijf. Verdachte had eerder soortgelijke veroordelingen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van tien maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 120 uur.

Daarnaast werden diverse inbeslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer of verbeurd verklaard. De straf houdt rekening met de ernst van de feiten, recidive en persoonlijke omstandigheden zoals de zorg voor een ernstig zieke moeder.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, en 120 uur taakstraf voor handel in harddrugs, bezit vuurwapen en witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/281525-25 (
Promis)
Datum uitspraak: 13 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd in: [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. de Haas, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. H.C.S. van Viegen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 oktober 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
het voorhanden hebben van vermoedelijk verdovende middelen, meerdere telefoons en een geldbedrag van € 6.650,- ten behoeve van de voorbereiding en/of bevordering van de handel in MDMA en cocaïne;
het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer:
- 99,80 gram MDMA;
- 192,10 gram MDMA, en/of
- 16,57 gram cocaïne.
3. het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 34,91 gram hennep en ongeveer 512,47 gram hennep;
4. het voorhanden hebben van een pistool van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie en zeven kogelpatronen;
5. het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 6.650,-.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het treffen van voorbereidingshandelingen van de handel in harddrugs door verdachte. Ten aanzien van de feiten ten laste gelegd onder feit 2, 3 en 4 en 5 heeft de officier van justitie eveneens gerekwireerd tot een bewezenverklaring. Daarbij heeft de officier van justitie met betrekking tot het ten laste gelegde witwassen onder feit 5 het standpunt ingenomen dat het zeer aannemelijk is dat het geldbedrag van in totaal € 6.650,- de opbrengst van handel in verdovende middelen betreft, gelet op de omstandigheden waaronder het is aangetroffen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat het voorhanden hebben van de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen ziet op toekomstige handel in verdovende middelen. Ook kan niet bewezen worden dat verdachte het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en het telen, bereiden, bewerken, verwerken en vervoeren van verdovende middelen heeft voorbereid dan wel bevorderd.
Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 is door de raadsvrouw geen verweer gevoerd.
Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte het geldbedrag van in totaal € 6.650,- voorhanden heeft gehad in de zin van artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) en dat er geen sprake is van ‘verhullen’ of ’verbergen’ in de zin van voornoemd wetsartikel.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Ten aanzien van feit 1 en 5:
Op 21 oktober 2025 rijden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] over de Stadhouderskade in Amsterdam, wanneer zij zien dat verdachte door rood fietst. De verbalisanten besluiten verdachte staande te houden. Wanneer verdachte zijn identiteitsbewijs aan verbalisant [verbalisant 1] overhandigt, ziet deze verbalisant dat verdachte aan het trillen is. Uit bevraging in de politiesystemen blijkt dat verdachte antecedenten heeft met betrekking tot handel in harddrugs en het bezit van softdrugs. Verbalisant [verbalisant 1] ziet dat verdachte gebruik maakt van één telefoon met hierop navigatie en dat verdachte in zijn linker jaszak nog een andere telefoon bij zich heeft. Op de vraag waar verdachte naartoe gaat, antwoordt verdachte dat hij onderweg is naar een vriend op de Overtoom, maar wanneer hem wordt gevraagd waar op de Overtoom, verklaart verdachte: “Oh nee, toch niet. Ik moet naar het AA-plein (de rechtbank begrijpt: August Allebéplein).” Verdachte kan de achternaam van de vriend “ [naam] ” niet geven, waarbij verbalisant [verbalisant 1] ziet dat verdachte steeds onrustiger wordt en om zich heen kijkt.
Als verdachte op verzoek van verbalisant [verbalisant 1] zijn navigatie op de telefoon laat zien, ziet verbalisant [verbalisant 1] dat de navigatie ingesteld staat op de [straat] . Geconfronteerd hiermee, verklaart verdachte: “Ja, ik wist het ook niet meer”, waarop verdachte steeds onrustiger wordt en begint te trillen.
Op grond van de voorgaande omstandigheden heeft verbalisant [verbalisant 1] bij verdachte uitlevering gevorderd van bij hem aanwezige verdovende middelen. Nadat verdachte eerst verklaart niks bij zich te hebben, wordt door verbalisanten aan verdachte verzocht om mee te lopen naar het dienstvoertuig om daar onderworpen te worden aan een fouillering, waarop verdachte verklaart dat hij verdovende middelen bij zich heeft in zijn tas. De politie treft daaropvolgend onder verdachte een geldbedrag van in totaal € 5.320,- (drie biljetten van € 5,-, vijf biljetten van € 10,- en 103 biljetten van € 50,-) aan en neemt deze in beslag. [2] Daarnaast treft de politie een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen aan bij verdachte die eveneens in beslag wordt genomen. Het betreffen zakken met pillen en poeder in verschillende hoeveelheden grammen. [3]
Naar aanleiding van de voorgaande bevindingen, doorzoekt de politie diezelfde dag de woning van verdachte. In de woning treft de politie in de slaapkamer van verdachte een cash geldbedrag van in totaal € 1.435,- aan (7 biljetten van € 5,-, veertien biljetten van € 10,00, 33 biljetten van € 20,- en 12 biljetten van € 50,-). Ook treft de politie in de slaapkamer en een kamer met persoonlijke spullen van verdachte opnieuw vermoedelijk verdovende middelen aan. [4]
Alle vermoedelijk verdovende middelen zijn verpakt in verschillende gripzakjes aangetroffen. [5]
Ten aanzien van feit 2:
De in beslag genomen middelen zijn deels getest. Het bleek te gaan om Tijdens de staande houding van verdachte op de fiets neemt de politie onder verdachte ook 192,10 gram MDMA in beslag. [6] Daarnaast treft de politie tijdens de doorzoeking van de woning in de slaapkamer van verdachte ook 99,80 gram MDMA [7] en 16,57 gram cocaïne aan. [8]
4.3.2
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1
Ter zitting heeft verdachte ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde geen inhoudelijke verklaring willen afleggen. Verdachte kon niet verklaren waar hij op het moment van zijn staande houding heen ging en hij kon ook niet verklaren waarom hij zoveel contant geld bij zich had op de fiets. Hij heeft voorts verklaard dat dit spaargeld zou zijn, dat hij heeft verdiend met diverse bijbanen.
De rechtbank is op grond van onder 4.3.1 ten aanzien van feit 1 uiteengezette feiten en omstandigheden van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen ten behoeve van de handel in MDMA en cocaïne. Daarbij overweegt de rechtbank dat de politie bij de staande houding van verdachte twee telefoons heeft aangetroffen, waarvan de navigatie op één van deze telefoons niet overeenkwam met de verklaring van verdachte omtrent waar hij naartoe ging. Ook had verdachte een grote hoeveelheid contant geld in kleine coupures bij zich op straat, was hij nerveus en kon hij de achternaam van de vriend waar hij naartoe onderweg zou zijn niet noemen. Verdachte bleek vervolgens in het bezit te zijn van diverse vermoedelijk verdovende middelen, waaronder in ieder geval MDMA en cocaïne. Het merendeel van de middelen die bij verdachte zijn aangetroffen, was verpakt in gripzakjes. Het is een feit van algemene bekendheid dat middelen die worden verhandeld, zijn verpakt op de wijze waarop ze bij verdachte zijn aangetroffen. Daarbij gaat het om een dusdanig grote hoeveelheid, dat de rechtbank het niet aannemelijk acht dat de middelen voor eigen gebruik zijn. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat drugs door klanten contant wordt betaald. De verkoper moet dus contant kunnen wisselen, waarvoor hij dient te beschikken over kleine coupures zoals verdachte deed. Daar komt nog bij dat verdachte eerder is veroordeeld voor de handel in drugs.
De hoeveelheid (grammen), de vorm (poeder en pillen), de kleur (gekleurd en wit) en de wijze van verpakking (in vele afzonderlijke gripzakjes) van de voorwerpen die bij verdachte zijn staande houding en in zijn slaapkamer zijn aangetroffen, en die niet zijn getest, staven naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat de voorwerpen die de politie heeft bestempeld als verdovende middelen, voorwerpen zijn waarvan inderdaad vermoed kan worden dat dit verdovende middelen betreffen.
Voornoemde omstandigheden tezamen, in onderlinge samenhang en naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gekwalificeerd dan dat verdachte de op de tenlastelegging vermelde goederen en het geld voorhanden heeft gehad ten behoeve van de handel in harddrugs, te weten MDMA en cocaïne, en dat verdachte in de gegeven omstandigheden ook wist dat deze goederen voor het plegen van dit feit bestemd waren. Dat een deel van de goederen die verdachte aanwezig heeft gehad goederen zijn waarvan slechts kan worden vermoed dat dit verdovende middelen betreffen, doet niet af aan de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, nu het aantreffen van deze goederen in onderlinge samenhang met de bij verdachte andere bij verdachte aangetroffen goederen moet worden bezien.
4.3.3
Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2
Op grond van de onder 4.3.1 ten aan van feit 2 uiteengezette feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eveneens bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde opzettelijk aanwezig hebben van 99,80 gram MDMA, 192,10 MDMA en 16,57 gram cocaïne. Uit de plek waar deze harddrugs zijn aangetroffen, namelijk in de tas van verdachte tijdens zijn staande houding, en in zijn slaapkamer, leidt de rechtbank af dat verdachte wetenschap had van en beschikkingsmacht had over deze verdovende middelen.
4.3.5
Ten aanzien van feit 3 en 4
De bewijsmiddelen
Aangezien verdachte feit 3 en feit 4 heeft bekend, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering met een opsomming van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 3 en feit 4:
De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
de bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2026;
een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2025265600-7 van 21 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde bladzijden 9 tot en met 14.
4.3.6
Bewijsoverweging feit 5
De rechtbank stelt vast dat de hoeveelheid contant geld, die in kleinere coupures van in totaal € 5.215,- en € 1.435,- bij verdachte is aangetroffen, en de combinatie met het onder feit 1, 2 en 3 bewezen geachte, maakt dat er een vermoeden bestaat dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van in totaal € 6.650,- uit misdrijf afkomstig is. Dat betekent dat van verdachte over de legale herkomst van het geld een verklaring mag worden verlangd die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.
Verdachte heeft pas ter terechtzitting een zeer summiere verklaring hierover afgelegd. Hij verklaarde dat het inbeslaggenomen geldbedrag zijn spaargeld betrof. Het geld had hij lang geleden verdiend met baantjes in het verleden. Hij bewaarde dit geld contant, om te voorkomen dat er beslag op gelegd zou worden in verband met zijn openstaande schulden. Verdachte kon niet verklaren waarom hij een groot deel van het aangetroffen geldbedrag, namelijk € 5.215,-, met zich mee had genomen op de fiets. Verder verklaarde verdachte dat hij in het verleden lang geen werk heeft gehad en hij heel vaak geen geld had.
De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat het aangetroffen geldbedrag van in totaal € 6.650,- een legale herkomst heeft onvoldoende concreet en verifieerbaar. Verdachte heeft zichzelf ter zitting tegengesproken door eerst te verklaren dat hij het geldbedrag door werkzaamheden in het verdere verleden heeft verdiend, maar later te verklaren dat hij in het verdere verleden vaak geen werk en geen geld had. Ook is de verklaring van verdachte zeer generiek en daardoor onvoldoende verifieerbaar.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van in totaal € 6.650,- (on)middellijk afkomstig is uit enig misdrijf en acht het onder feit 5 ten laste gelegde eenvoudig witwassen dan ook bewezen.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van feit 1:
op 21 oktober 2025 te Amsterdam, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren van MDMA en/of cocaïne, (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden de navolgende voorwerpen:
- (6725720) 14 stuks, 23,55 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725732) 5 stuks, 55,2 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725731) 10 stuks, 27,75 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725739) 3 stuks, 11,34 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725759) 10 stuks, 38,87 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725764) 10 stuks, 19.79 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725765) 1 stuk, 63,99 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725767) 20 gripzakjes, 34,18 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725780) 29 stuks, 49,24 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- (6725778) 30 stuks, 51 gram vermoedelijk verdovende middelen en
- meerdere telefoons en
- (6725714) een geldbedrag van 5215 euro en
- (6725717) een geldbedrag van 1435 euro,
voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en);
ten aanzien van feit 2:
op 21 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad
-(6725777) ongeveer 99,80 gram MDMA en
-(6725713) ongeveer 192,10 gram MDMA en
-(6725716) ongeveer 16,57 gram cocaïne,
zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
ten aanzien van feit 3:
op 21 oktober 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 34,91 gram hennep (hasjiesj) en ongeveer 512,47 gram hennep, zijnde hasjiesj en hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
ten aanzien van feit 4:
op 21 oktober 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Cryena Zastava, type M57, kaliber 7.62 x 25 mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool, en munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitie, te weten zeven kogelpatronen, Sellier & Bellot, van het kaliber 7.62 x 25 mm Tokarev, voorhanden heeft gehad;
ten aanzien van feit 5:
op 21 oktober 2025, te Amsterdam een geldbedrag zijnde in totaal 6650 euro, in elk geval een of meer geldbedragen, in elk geval
Sub b
voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte, wist dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

Door de raadsvrouw is het ten aanzien van feit 1 het standpunt ingenomen dat het ten laste gelegde niet te kwalificeren is als een strafbaar feit. De rechtbank zal dit verweer verwerpen nu de onder feit 1 bewezenverklaarde gedragingen naar het oordeel van de rechtbank, en zoals zojuist onder 4.3.2 overwogen, wel kunnen worden gekwalificeerd als een strafbare gedraging, namelijk voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
De bewezen geachte feiten zijn dan ook volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 32 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Ook heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte naast de algemene voorwaarden, ook de bijzondere voorwaarden worden opgelegd, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, gecombineerd met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Daarbij is door de raadsvrouw uitdrukkelijk verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, omdat zijn moeder ernstig ziek is en verdachte haar hulp en zorg wil bieden.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van vijf strafbare feiten: het treffen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot de handel in cocaïne en MDMA, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, MDMA en een meer dan wettelijk toegestane hoeveelheid hasj, het voorhanden hebben van een geladen vuurwapen, inclusief bijbehorende munitie, en tot slot het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 6.650,-.
De handel in drugs vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Met de internationale handel in drugs wordt daarnaast veel criminele winst behaald. Het op de markt brengen van de drugs vormt daarnaast een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en bevordert de toename van criminaliteit. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan het in stand houden van een markt voor deze drugs. Daarnaast vormt het witwassen van criminele gelden een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Tot slot vormt het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen en leidt dit tot sterke gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Er dient dan ook streng te worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.
Eéndaadse samenloop
Omdat het bewezenverklaarde witwassen van een geldbedrag van in totaal € 6.650,- (feit 5) onderdeel deel uitmaakt van het bewezenverklaarde treffen van voorbereidingshandelingen van de handel in harddrugs (feit 1), is sprake van ééndaadse samenloop. Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van deze twee feiten de voorbereidingshandelingen van de handel in harddrugs als vertrekpunt zal nemen voor de op te leggen straf.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 januari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren al eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, namelijk de handel in de harddrugs en het bezit van softdrugs. De rechtbank zal hier in strafverzwarende zin rekening mee houden bij het bepalen van de op te leggen straf.
De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om in strafmatigende zin rekening te houden bij het bepalen van de op te leggen straf en aan verdachte onder meer een deels voorwaardelijke gevangenisstraf straf op te leggen met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd. Daarbij houdt de rechtbank in het bijzonder rekening met de noodzaak die er naar het oordeel van de rechtbank is dat verdachte hulp en begeleiding vanuit de reclassering krijgt. Ook houdt de rechtbank bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de slechte en steeds meer achteruitgaande gezondheid van de moeder van verdachte, die mogelijk op een korte termijn zal komen te overlijden en aan wie verdachte hulp en zorg wil bieden.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat ook acht geslagen op de oriëntatiepunten straftoemeting die zijn vastgesteld in het binnen de organisatie van de Rechtspraak bestaande Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De LOVS nemen voor het aanwezig hebben van harddrugs met een gewicht van tussen de 200 tot 500 gram als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en voor het aanwezig hebben van softdrugs met een gewicht van tussen de 500 tot 2.500 gram een taakstraf voor de duur van 100 uur. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de woning en patronen van categorie III van de Wet wapens en munitie nemen de LOVS ten aanzien van het vuurwapen een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van vier maanden en ten aanzien van de munitie een geldboete van tussen de € 180,- tot € 420,- tot uitgangspunt.
Voor de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen en het witwassen zijn binnen de rechtspraak thans geen oriëntatiepunten ontwikkeld.
Gelet op de totale hoeveelheid en ernst van de strafbare feiten, de recidive en de schuldenproblematiek van verdachte, acht de rechtbank het opleggen van (onder meer) een geldboete niet passend.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 10 (tien) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk en daaraan verbonden de algemene voorwaarden en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel een proeftijd van 2 (twee) jaren verbinden. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 120 (honderdtwintig) uren opleggen.

9.Beslag

9.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht het onder verdachte inbeslaggenomen vuurwapen met bijbehorende munitie, het neppe balletjes pistool, de verdovende middelen, ketamine en medicijnen te onttrekken aan het verkeer. Ten aanzien van de tabak, de tas, de zak, het geld en de twee telefoons heeft de officier van justitie verzocht deze verbeurd te verklaren.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de onder verdachte inbeslaggenomen telefoons terug te geven aan verdachte. Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen goederen en het geld is door de raadsvrouw geen standpunt ingenomen.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De beslaglijst is als
bijlage IIaan dit vonnis gehecht. De rechtbank komt ten aanzien van het beslag tot het volgende oordeel.
Onttrekking aan het verkeer
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten onder 3, 4, 7 tot en met 14, 17 en 18, 20 tot en met 26 en 28 tot en met 37 op de beslaglijst, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezen geachte onder feit 1 2, 3, 4 en 5 is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
Verbeurdverklaring
De in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten onder 1, 2, 5, 6, 15, 16 en 19 op de beslaglijst, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het onder feit 1 en 5 bewezen geachte is begaan.
Teruggave
Het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen onder 27 op de beslaglijst, die aan verdachte toebehoort, dient aan hem te worden teruggegeven.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 55, 57, 420bis, de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en feit 5:
ééndaadse samenloop van:
om een feit, bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en eenvoudig witwassen.
ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 4:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen en munitie van categorie III.
Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekeringen in
voorlopige hechtenisis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in
minderinggebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte,
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf
niet tenuitvoergelegdzal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de verdachte gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde
bijzondere voorwaardenvoldoet:
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Locatiegebod (met elektronisch toezicht)
Veroordeelde is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en mede afhankelijk van de dagbesteding. Bij de start hoeft verdachte op doordeweekse dagen met dagbesteding een aaneengesloten blok van 12 uur niet op het verblijfadres te zijn. Op dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 2 uur. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van 4 uur per dag vrij te besteden. Veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [BRP-adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is
alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering de genoemde bloktijden veranderen of het locatiegebod laten vervallen.
Beperking recht Nederland te verlaten wegens elektronisch toezicht
Veroordeelde verlaat voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet zonder toestemming van de reclassering.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.
Andere voorwaarde het gedrag betreffende
Indien binnen het toezicht blijkt dat diagnostiek en eventueel hieruit voortkomende ambulante behandeling geïndiceerd is, verleent veroordeelde hier zijn medewerking aan.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
Verdachte verleent medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
120 (honderdtwintig) urenuren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
60 (zestig)dagen.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:
  • 1 STK Pistool (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725681, ZWART, merk: CRVENA ZASTAVA);
  • 1 DV Patroon (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725682);
  • 5 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725702, HENNEP 509,57 gr);
  • 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725712, Henep 2,90 gr.);
  • 27 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725713, XTC 227,84 gr);
  • 16 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725716, COCAINE CRACK 27,32);
  • 11 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725719, 174,78 gr);
  • 14 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725720, COCAINE CRACK 23,55);
  • 8 STK Medicijn (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725724, KAMAGRA 7,33 gram);
  • 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725727, HASHISH 1,86 gram);
  • 10 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725731, XTC7,75 gr);
  • 5 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725732, COCAINE CRACK 55,2 g);
  • 1 STK Medicijn (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725737);
  • 3 ZAK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725739, xtx 11,34 gram);
  • 1 STK Wapen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725749);
  • 2 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725750, ketamine 203,44 gr.);
  • 5 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725753, ketamine 577,33 gr);
  • 14 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725754, ketamine 77,34 gr.);
  • 10 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725759, MDMA 38,87 gr);
  • 7 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725762,
ONBEKENDE STOF);
10 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725764,
vermoedeljjk 2CB);
1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725765,
3MMC 63,99 gr);
20 ZAK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725767,
MDMA 34,18 gr);
  • 24 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725768, MDMA 85,64 gr);
  • 3 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725772, canabis 10,79 gr);
  • 4 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725777,
MDMA 406,21 gr);
30 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725778,
MDMA 51 GR);
18 ZAK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725779,
hashish 33,05 gr);
29 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725780,
mdma 49,24 gr).
Verklaart verbeurd:
de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:
  • 5.215,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725714 IBGN; 21-10-2025);
  • 1.430,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725717 IBGN; 21-10-2025);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6726053, GOOGLE);
  • 1 STK GSM (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6726054, apple);
  • 1 STK Zak (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725728);
  • 1 STK Tas (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725730, uber);
  • 1 STK Mes (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725734).
Gelast de teruggave aan verdachte van:
de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen:
5 STK Tabak (Omschrijving: PL1300-2025265600-G6725761, 8,38 gr rookwaar).
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mr. J. Thomas en mr. A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Zoetelief, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 februari 2026.
[--]

Voetnoten

1.[--]
2.[--]
3.[--]
4.[--]
5.[--]
6.[--]
7.[--]
8.[--]