ECLI:NL:RBAMS:2026:2922

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
13/170451-25 (A), 13/220032-25 (B), 13/159177-25 (C), 13/253231-24 (D), 13/133414-25 (E) en 13/134081-25 (F) (gevoegd)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot gevangenisstraf wegens mishandeling, bedreiging en gebiedsverbod overtredingen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens meerdere strafbare feiten gepleegd in Amsterdam in 2024 en 2025. De bewezenverklaring omvat poging tot zware mishandeling, bedreiging, mishandeling, schennis van de eerbaarheid, belediging van politieambtenaren, verzet bij aanhouding en overtreding van gebiedsverboden.

De feiten betreffen onder meer het gooien van een baksteen tegen het hoofd van een aangever, het mishandelen van een zwangere vrouw door tegen haar buik te trappen, het beledigen van politieagenten met grove taal, het verzetten tegen aanhouding en het niet naleven van gebiedsverboden in overlastgebieden in Amsterdam. De rechtbank sprak verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling in één zaak, maar achtte de subsidiaire mishandeling bewezen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de openbare aard van de geweldsincidenten en de recidive van verdachte. Uit psychologisch onderzoek bleek dat verdachte lijdt aan schizofrenie, een ernstige stoornis in cocaïnegebruik en een verstandelijke beperking, waardoor zijn toerekeningsvatbaarheid sterk verminderd is. Daarom werd de straf gematigd en bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder behandeling, begeleid wonen, meldplicht en middelenbeheersing, die dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard om recidive te voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/170451-25 (A), 13/220032-25 (B), 13/159177-25 (C), 13/253231-24 (D), 13/133414-25 (E) en 13/134081-25 (F) (gevoegd)
Datum uitspraak: 18 maart 2026 (Promis)
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd te: [P.I.] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.C. Bennis, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. F.M.M.M. Vogels, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
In zaak A:
op 2 juni 2025 in Amsterdam:
poging tot zware mishandeling van [aangever 1] door een steen tegen zijn hoofd, althans tegen zijn lichaam, te gooien en hem te slaan. Subsidiair zijn deze handelingen ten laste gelegd als mishandeling;
bedreiging van [aangever 1] door een baksteen in zijn richting te gooien.
In zaak B:
op 27 juli 2025 in Amsterdam:
mishandeling van [aangever 2] door hem in zijn gezicht te slaan;
poging zware mishandeling van [aangeefster] door tegen haar buik te trappen terwijl zij acht maanden zwanger is. Subsidiair is deze handeling ten laste gelegd als mishandeling;
schennis van de eerbaarheid door zijn broek naar beneden te trekken en zich te bevredigen;
belediging van politieagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;
In zaak C:
op 22 mei 2025 in Amsterdam:
overtreding van het verbod om zich in het overlastgebied Zuidoost te begeven;
belediging van politieagenten [agent 1] en [agent 2] ;
met geweld verzetten tegen aanhouding door de politie.
In zaak D:
overtreding van het verbod om zich in het overlastgebied Oost te begeven op 7 augustus 2024 in Amsterdam.
In zaak E:
op 30 april 2025 in Amsterdam:
belediging van politieagenten [hoofdagent] en [agent 1] ;
overtreding van het verbod om zich in het overlastgebied Zuidoost te begeven.
In zaak F:
overtreding van het verbod om zich in het overlastgebied Zuidoost te begeven op 1 mei 2025 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
Bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle (primair) ten laste gelegde feiten.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van zaak A op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de baksteen die hij gooide, aangever daadwerkelijk heeft geraakt. Daarnaast kan het gooien van een baksteen over iemand heen niet worden gekwalificeerd als bedreiging in de zin van artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Ten aanzien van de overige zaken heeft de raadsman geen inhoudelijke verweren gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A
Op basis van de aangifte van [aangever 1] , de verklaring van getuige [getuige 1] en het door de politie ter plaatse geconstateerde letsel stelt de rechtbank vast dat de baksteen die verdachte richting [aangever 1] heeft gegooid, hem op zijn wang geraakt heeft. Door een baksteen tegen het hoofd van [aangever 1] te gooien, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [aangever 1] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot zware mishandeling.
Ook levert het gooien van een baksteen in de richting van aangever bedreiging met zware mishandeling op. Door aldus te handelen kan bij [aangever 1] de redelijke vrees zijn ontstaan dat hij door deze geweldshandeling zwaar lichamelijk letsel zal oplopen. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hij aangever op deze manier bang wilde maken.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de verweren van de raadsman.
Ten aanzien van zaak B onder 2
Op basis van de aangifte van [aangeefster] en de verklaring van getuige [getuige 2] stelt de rechtbank vast dat verdachte [aangeefster] , die op dat moment acht maanden zwanger was, tegen haar buik heeft getrapt. Anders dan de officier van justitie, acht de rechtbank daarmee de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen. Immers kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen dat door het handelen van verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor [aangeefster] heeft bestaan. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
Bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
In zaak A:
1
op 2 juni 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- een baksteen tegen het hoofd, van die [aangever 1] heeft gegooid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
op 2 juni 2025 te Amsterdam, [aangever 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, door een baksteen in de richting van die [aangever 1] te gooien.

In zaak B:

1
op 27 juli 2025 te Amsterdam, [aangever 2] heeft mishandeld, door die [aangever 2] tegen het gezicht te slaan;
2
op 27 juli 2025 te Amsterdam [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] tegen de buik te trappen;
3
op 27 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk in het openbaar, te weten op de Oudezijds Achterburgwal handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten zijn broek en onderbroek naar beneden te trekken en zichzelf te bevredigen;
4
op 27 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “kankerlijers” en “nazi’s”.
In zaak C:
1
op 22 mei 2025 19:30 uur te Amsterdam, opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied Zuidoost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden;
2
op 22 mei 2025 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren te weten [agent 1] , agent Eenheid Amsterdam Politie en [agent 2] , agent Eenheid Amsterdam Politie, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “jullie kanker moeders”.
3
op 22 mei 2025 te Amsterdam, zich met geweld en bedreiging met geweld, heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [agent 1] , agent Eenheid Amsterdam Politie en [agent 2] , agent Eenheid Amsterdam Politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte, door:
-weg te lopen, en
-met zijn armen te zwaaien, en
-met tegenwaardse druk zijn arm los te trekken, en
-zijn linkerarm telkens weg te trekken.
In zaak D:
op 7 augustus 2024 te 07:50 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied Oost, te verwijderen en zich daar gedurende 1 maand niet meer te bevinden.
In zaak E:
1
op 30 april 2025 te Amsterdam, opzettelijk ambtenaren, te weten [hoofdagent] (hoofdagent bij de Eenheid Amsterdam) en/of [agent 1] (agent bij de Eenheid Amsterdam), gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “tabon dia meck, kanker flikkers” en “kanker neger, jullie hebben niks te doen”.
2
op 30 april 2025 te 19:35 uur te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied Zuidoost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
In zaak F:
op 1 mei 2025 te Amsterdam opzettelijk niet heeft voldaan aan een krachtens artikel 2.9 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, namens de burgemeester van Amsterdam (zijnde een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast) gegeven bevel, inhoudende – zakelijk weergegeven – om zich uit het overlastgebied Zuidoost, te verwijderen en zich daar gedurende 3 maanden niet meer te bevinden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De officier van justitie heeft verzocht aan deze voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden te verbinden die de reclassering heeft geadviseerd en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden te bevelen.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank, gelet op de aard en ernst van de feiten, verzocht de strafeis te matigen en in overweging te nemen om de bijzondere voorwaarden aan een kleiner voorwaardelijk strafdeel of aan een voorwaardelijke geldboete te verbinden.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermaals overtreden van een aan hem opgelegd gebiedsverbod, het beledigen van verschillende politieagenten en het met geweld verzetten tegen zijn aanhouding. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven geen ontzag en respect te hebben voor de autoriteiten die belast zijn met het houden van toezicht en het handhaven van de openbare orde in de stad.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid, de mishandeling van meerdere personen, bedreiging en poging tot zware mishandeling. Dat zijn ernstige strafbare feiten. De geweldsincidenten vonden plaats in het openbaar en zijn door veel omstanders gezien. Aangever [aangever 1] kwam verdachte tegen op de fiets en kreeg toen een baksteen tegen zijn hoofd geworpen en aangevers [aangever 2] en [aangeefster] bevonden zich nietsvermoedend (op een terras) in het centrum van Amsterdam toen zij door verdachte uit het niets respectievelijk geslagen en geschopt werden. Ook heeft hij tegenover [aangeefster] en haar gezin met jonge kinderen zijn geslachtsdeel getoond en zichzelf bevredigd. Met zijn handelen heeft de lichamelijke integriteit en het veiligheidsgevoel van de slachtoffers aangetast. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor belediging van een ambtenaar in functie, bedreigingen en poging tot zware mishandeling. Er is dus sprake van recidive. Ook blijkt uit het strafblad dat verdachte voor het laatst op 22 juli 2025 is veroordeeld door de politierechter in Amsterdam. Dat betekent dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van 18 december 2025, opgemaakt door dhr. R.A. Sterk, psycholoog. Hieruit volgt dat verdachte kampt met schizofrenie, een ernstige stoornis in cocaïnegebruik en een verstandelijke beperking. Verdachte vindt het moeilijk om tegenslagen en pijnlijke gevoelens te hanteren en dempt deze veelal met het gebruik van verdovende middelen. Ook is verdachte door zijn beperkingen niet in staat zijn leven zelfstandig vorm te geven en is hij afhankelijk van externe zorg. De psycholoog concludeert dat het gedrag van verdachte ten tijde van de in zaak A en B ten laste gelegde feiten het gevolg zijn van een tekortschietende realiteitstoetsing die zowel lijkt samen te hangen met zijn psychotische kwetsbaarheid door de ziekte schizofrenie, maar vooral ook het overmatige drugsgebruik. Dit overmatige middelengebruik lijken ook te hebben geleid tot verhoogd ontremd gedrag met betrekking tot agressieve en seksuele impulsen. Er is dus sprake van doorwerking van deze psychische problematiek op het gedrag van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten. Verdachte moet verstandelijk in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van zijn handelen in te zien, maar door de geconstateerde psychische problematiek is hij niet goed in staat om zijn wil overeenkomstig voornoemd inzicht geheel in vrijheid te bepalen. Daarom wordt geadviseerd hem de feiten in sterk verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze conclusies over en zal de in zaak A en B bewezenverklaarde feiten in sterk verminderde mate aan verdachte toerekenen.
Uit de rapportage blijkt verder dat met betrekking tot de geconstateerde psychische problematiek behandeling en begeleiding na detentie geïndiceerd is. De behandeling dient zich te richten op schizofrenie, met name middels medicatie, en de stoornis in cocaïnegebruik. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de intellectuele beperkingen van verdachte. Behandeling zou plaats kunnen vinden door een forensisch factteam. Het is van belang dat verdachte in een beschermde woonsetting terecht komt waarbij hij geen middelen kan gebruiken
.Hij is immers niet goed in staat om zijn middelengebruik te hanteren, met name wanneer hij tegenslagen heeft of pijnlijke gevoelens ervaart, zoals bij het overlijden van zijn moeder. Tevens dient aandacht uit te gaan naar dagbesteding. Wanneer het zorgpakket goed is afgestemd op verdachte en hij geen middelen gebruikt vertoont hij nauwelijks gedragsproblemen. Teneinde verdachte optimaal te motiveren voor voornoemde behandeling en begeleiding wordt geadviseerd om deze op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 19 februari 2026, opgemaakt door mw. [naam] , waarin wordt geadviseerd aan verdachte bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een meldplicht, ambulante behandeling, verblijven in begeleid woonsetting, meewerken aan dagbesteding en beheersing van middelengebruik als bijzondere voorwaarden. Daarnaast blijkt uit het rapport dat de reclassering kijkt naar mogelijkheden voor plaatsing van verdachte in een abstinente woonvorm buiten Amsterdam, maar dit lastig blijkt gelet op de multiproblematiek van verdachte en het feit dat hij enkel sinds zijn detentie abstinent is van verdovende middelen. Ook als dit niet lukt voordat de detentie eindigt, kan binnen het reclasseringstoezicht alsnog worden toegewerkt naar een abstinente woonplek.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van de feiten, de straffen die daarvoor in vergelijkbare zaken worden opgelegd en het feit dat verdachte al eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld, acht de rechtbank een gevangenisstraf aan de orde. Daarbij heeft de rechtbank ook oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid en zijn belang om hulp en begeleiding te krijgen om zichzelf en zijn middelengebruik onder controle te krijgen en toekomstig delictgedrag te voorkomen.
Nu de rechtbank – anders dan de officier van justitie – verdachte vrijspreekt van de in zaak B onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en enkel tot bewezenverklaring komt van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling, bestaat aanleiding bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Alles overwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijven die zijn gericht tegen/gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.
Gelet op de psychische problematiek van verdachte en de stoornis in het middelengebruik, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan, als hij na detentie niet direct de behandeling en begeleiding ontvangt die hij nodig heeft. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 57, 63, 180, 184, 254b, 266, 267, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak B onder 2 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, B, C, D, E en F ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A onder 1 primair en onder 2:
eendaadse samenloop van: poging tot zware mishandeling en
bedreiging met zware mishandeling.
Ten aanzien van zaak B onder 1 en onder 2 subsidiair:
telkens: mishandeling.
Ten aanzien van zaak B onder 3:
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten.
Ten aanzien van zaak B onder 4, zaak C onder 2 en zaak E onder 1:
telkens: eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van zaak C onder 1, zaak D, zaak E onder 2, zaak F:
telkens: opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift, gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast.
Ten aanzien van zaak C onder 3:
wederspannigheid.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
10 (tien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn;
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname
Veroordeelde laat zich behandelen door FAZ Inforsa Amsterdam of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslaving en delictgedrag. Het gebruik van medicatie kan onderdeel zijn van de behandeling.
Indien sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en/of zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft gedurende de proeftijd, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en/of de dossierhouder van de WLZ-indicatie. Het verblijf start zo snel als mogelijk. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding met een vaste structuur.
Beheersing middelengebruik
Veroordeelde werkt mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I, lijst II en lijst IA van de Opiumwet. De controles kunnen bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. R.A. Overbosch en A.L. op ‘t Hoog rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en S. Kwiyasse, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 maart 2026.
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]
[--]

[--]

[--]
[--]
[--]
[--]
[--]