De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 maart 2026 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van poging diefstal met braak van een fiets. Verdachte werd aangetroffen terwijl hij met een slijptol het slot van een fiets probeerde te openen. De officier van justitie stelde dat dit bewijs was voor poging diefstal.
De verdediging voerde aan dat verdachte eigenaar was van de fiets, die hij van een oude buurjongen had gekocht, en dat hij het slot wilde openen omdat hij zijn sleutel was verloren. Er was geen aangifte van diefstal of vermissing van de fiets en geen ander bewijs dat de fiets aan een ander toebehoorde.
De rechtbank oordeelde dat het tenlastegelegde niet bewezen kon worden omdat niet kon worden vastgesteld dat de fiets eigendom was van een ander dan verdachte. De verklaring van verdachte werd niet onaannemelijk geacht. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.
Daarnaast wees de rechtbank een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf af, omdat verdachte werd vrijgesproken. De inbeslaggenomen goederen werden in bewaring gegeven ten behoeve van de rechthebbende, omdat niet kon worden vastgesteld wie de eigenaar was.