Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2976

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/13/772251 / HA ZA 25-1271
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 1 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt over opzegging en overnamefee bij duurovereenkomst kraamzorg

De zaak betreft een geschil tussen de kraamzorguitleners MM en DKA en het ziekenhuis OLVG over de opzegging van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd en de betaling van overnamefees voor kraamverzorgenden die door OLVG in dienst zijn genomen.

OLVG en de Uitleenbureaus werkten sinds 2019 samen op basis van een overeenkomst met een looptijd van 12 maanden en een opzegtermijn van drie maanden. OLVG besloot de overeenkomst per 17 april 2025 op te zeggen met ingang van 1 augustus 2025, waarna MM en DKA schadevergoeding vorderden wegens onrechtmatige opzegging en het onrechtmatig overnemen van werknemers.

De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst wel degelijk een tussentijdse opzegmogelijkheid bevatte en dat OLVG deze rechtsgeldig heeft uitgeoefend met inachtneming van de opzegtermijn. De vorderingen wegens onrechtmatige opzegging worden afgewezen. Wel is vastgesteld dat OLVG werknemers van MM en DKA in dienst heeft genomen, waarvoor zij een overnamefee verschuldigd is als de werknemer minder dan 2.000 uur voor OLVG heeft gewerkt. De rechtbank veroordeelt OLVG tot betaling van deze fees aan MM en DKA.

De rechtbank wijst de overige schadevergoedingsvorderingen en buitengerechtelijke kosten af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: OLVG mocht de overeenkomst tussentijds opzeggen maar is gehouden overnamefees te betalen voor kraamverzorgenden die minder dan 2.000 uur hebben gewerkt.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/772251 / HA ZA 25-1271
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van

1.MAMMAE MIA B.V.,

te Amsterdam,
2.
DE KLEINE AMSTERDAMMER B.V.,
te Amsterdam,
eisende partijen,
hierna te noemen: MM en DKA,
advocaat: mr. C. Erasmus,
tegen
STICHTING OLVG,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: OLVG,
advocaat: mr. B.T. Verdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van MM en DKA van 24 juni 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord van OLVG van 27 augustus 2025, met producties;
- het tussenvonnis van 24 september 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025, met de daarin genoemde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
OLVG is een ziekenhuis in Amsterdam, met een locatie in [locatie 1] en [locatie 2] . De kraamzorgafdeling van OLVG is sinds april 2014 geconcentreerd op [locatie 1] .
2.2.
MM, DKA en De Kraamvogel Nederland B.V. (hierna: De Kraamvogel; geen partij bij dit geschil) zijn ondernemingen die kraamverzorgenden inzetten, zowel in de klinische setting (het ziekenhuis) als in de thuissituatie. MM, DKA en De Kraamvogel zullen hierna tezamen worden aangeduid als de Uitleenbureaus. MM en DKA zijn uitsluitend actief in Amsterdam. De Kraamvogel is, onder de vlag van Regiozorg, een landelijk opererende onderneming.
2.3.
Vanaf 2015 huurde OLVG kraamverzorgenden voor [locatie 1] extern bij de Uitleenbureaus in om daarmee voldoende kraamzorgcapaciteit te genereren.
2.4.
Vanaf 2019 werkten OLVG en de Uitleenbureaus samen op grond van een samenwerkingsovereenkomst van 3 januari 2019 (hierna: de Oude Overeenkomst). De Oude Overeenkomst kende een looptijd van 24 maanden (artikel 7.1), een tussentijds opzegbeding met een opzegtermijn van zes maanden (artikel 7.3) en een bepaling dat deze niet (automatisch) stilzwijgend werd verlengd (artikel 7.2). Blijkens een bijlage bij de Oude Overeenkomst kende deze overeenkomst daarnaast een relatiebeding (artikel 9.1):

Relatiebeding: Leverancier[de rechtbank leest: de Uitleenbureaus]
mag geen personeel werven van OLVG en andersom mag OLVG geen personeel werven van Leverancier.”
2.5.
De Oude Overeenkomst is tweemaal verlengd door middel van addenda (in 2021 en 2022), waarin ook nadere afspraken zijn gemaakt over de omvang en capaciteit van de door de Uitleenbureaus te leveren kraamzorg. De exacte invulling van de kraamzorgcapaciteit verschilde door de jaren heen, maar nam vanaf 2021 af. In 2021 werd de inzet van de Uitleenbureaus verlaagd van een zogeheten 3-3-3-bezetting (dag-avond-nacht) naar een 3-2-2-bezetting, wat neerkwam op circa 80% van de benodigde capaciteit.
2.6.
In maart 2023 heeft OLVG een strategisch investeringsprogramma gelanceerd om de twee hoofdlocaties, [locatie 1] en [locatie 2] , ingrijpend te renoveren en deels te vervangen door nieuwbouw. [1]
2.7.
Per e-mail van 23 januari 2024 heeft DKA het volgende bericht aan OLVG verzonden:

(..) We willen graag de overeenkomst opnieuw bekijken en up-to-date maken, in de breedste zin van het woord. We hebben namelijk gister te horen gekregen dat het takenpakket/werkzaamheden van de kraamverzorgenden er anders uit gaan zien na de lateralisatie en dit heeft verschillende consequenties voor onze organisaties, zowel financieel als personeelsgerelateerd. (..)
2.8.
Per e-mail van 15 oktober 2024 stuurde DKA de uitgangspunten van de Uitleenbureaus voor een nieuwe overeenkomst naar OLVG. De hoofdpunten hiervan waren dat op de Uitleenbureaus (i) een inspanningsverplichting (en expliciet geen leveringsplicht) voor het leveren van kraamverzorgenden zou rusten en wel (ii) voor 70% van de overeengekomen diensten, tegen (iii) een tarief van 100% van de op dat moment geldende maximale vergoeding voor kraamzorg, zoals vastgesteld door de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: het Nza-tarief).
2.9.
Eind 2024 lanceerde OLVG het verbetertraject ‘
OLVG, elke dag Beter’, gericht op structurele kostenverlaging en efficiëntieverbetering. Voor 2024 moest ongeveer 4,5 miljoen euro bespaard worden en voor 2025 bedroeg de doelstelling 10 miljoen euro. [2]
2.10.
Bij brief van 30 oktober 2024 heeft OLVG het volgende aan de Uitleenbureaus bericht:

In voorbereiding op de onderhandelingen reageren wij met deze brief op jullie bericht van 15 oktober 2024 en verduidelijken wij onze aanvullende eisen ten aanzien van de overeenkomst. De situatie binnen OLVG en ontwikkelingen bij de zorgverzekeraar dwingen ons af te wijken van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Voor beide partijen is het wenselijk ruimte te creëren om zich voor te bereiden op veranderende marktomstandigheden. (..)
Vervolgens heeft OLVG de volgende concrete door OLVG gewenste aanpassingen (samengevat) benoemd:
  • geen inspanningsverbintenis voor de Uitleenbureaus, maar een leveringsplicht, te weten een garantie op de daadwerkelijke levering op de overeengekomen uren en een boete als dit niet wordt gehaald;
  • geen 100% van het geldende Nza-tarief, maar 90% (in lijn met de ziekenhuisbrede opgelegde focus op kostenvermindering);
  • niet langer een concurrentiebeding; omdat de Uitleenbureaus in september 2024 slechts 75% van de benodigde kraamzorguren hebben kunnen leveren, kon OLVG haar productieafspraken met de zorgverzekeraar (waarop de eigen exploitatie is gebaseerd) niet nakomen, “
  • het (wel) mogen uitlenen of detacheren van de kraamverzorgenden voor taken buiten de standaard moeder/kind-zorg;
  • een gewijzigde looptijd van de overeenkomst, te weten een overeenkomst voor de duur van zes maanden zonder opzegtermijn of een contract voor de duur van twaalf maanden met een opzegtermijn van drie maanden. “
2.11.
Per e-mail van 13 november 2024 hebben de Uitleenbureaus, voor zover hier relevant, als volgt gereageerd:

Hierbij ons tegenvoorstel (..)
  • Contract voor bepaalde tijd voor 12 maanden met een opzegtermijn van 3 maanden per opzegdatum.
  • Er blijft sprake van een inspanningsplicht (..)
  • Bekostiging: (..) De Kleine Amsterdammer en Mammae Mia bieden levering aan tegen: 90% NzA voor dagdiensten op doordeweekse dagen (zijnde geen feestdag), avond- en nachtdiensten alsmede dagdiensten in het weekend en/of op een feestdag 110% NZa. De Kraamvogel biedt levering aan tegen 100% NzA voor een dienst, ongeacht tijdstip of dag.
  • Concurrentiebeding: gedurende de looptijd van de overeenkomst mag personeel in loondienst bij de kraambureaus niet actief benaderd/geworven worden door (medewerkers van) het OLVG. Personeel in loondienst bij de kraambureaus welke er zelf voor kiezen om bij het OLVG in loondienst te gaan worden op basis van contractomvang in mindering gebracht op het overeengekomen aantal te leveren diensten. (..)
2.12.
Nadat partijen op 14 november 2024 over het vervolg van de samenwerking in overleg waren getreden, heeft OLVG op 18 november 2024, voor zover hier van belang, het volgende aan de Uitleenbureaus bericht:

Ik vat hier de afspraken zoals gemaakt zijn afgelopen donderdag kort samen. Zoals afgesproken sturen jullie ons omgaand dan de uren waarop jullie de inspanningsverplichting kunnen doen. (..)
De belangrijkste afspraken zijn als volgt:
  • Een contract voor bepaalde tijd van 12 maanden, met een opzegtermijn van 3 maanden per opzegdatum.
  • Een inspanningsverplichting voor de geoffreerde uren, te leveren tegen het NZA-maximale tarief.
  • OLVG zal proberen de niet-geleverde uren in te vullen met personeel in loondienst, waarbij zij zich onthoudt van actieve werving onder de gecontracteerde kraamzorgorganisaties.
  • Voordat er gebruik wordt gemaakt van de opzegtermijn, vindt er eerst overleg plaats tussen beide partijen om elkaars belangen te bespreken.
(..)
2.13.
Op 27 januari 2025 hebben OLVG en de Uitleenbureaus een nieuwe samenwerkingsovereenkomst (hierna: de Overeenkomst), die in lijn is met de afspraken zoals die zijn vastgelegd in de e-mail van 18 november 2024 (zie 2.12), ondertekend.
De Overeenkomst bevat, voor zover hier relevant, de volgende bepalingen:
“(..)
2. Ingang, duur, wijzigen en beëindigen
2.1
De overeenkomst treedt in werking per 1 januari 2024 en heeft een looptijd van één jaar.
2.2
Partijen zijn gerechtigd de overeenkomst schriftelijk per aangetekende brief op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, of zoveel langer als de zorgcontinuïteit geborgd dient te zijn.
2.3
Voordat er gebruik gemaakt wordt van de opzegtermijn, wordt eerst met elkaar overleg gevoerd waarbij ieders belangen worden uitgewisseld.
(..)
3. Dienstverlening
(..)
3.4
Er is een inspanningsverplichting voor de geoffreerde uren, te leveren tegen NZA-max tarief, zie Bijlage 3 In geval de Kraamzorgorganisaties niet aan de bezettingsgraad of afgesproken diensten kunnen voldoen, om welke reden dan ook, treden Partijen in overleg. De kraamzorgorganisaties spannen zich alsdan in om tot een passende overbruggingsmaatregel of alternatief te komen.
3.5.
OLVG gaat proberen de niet geleverde uren met personeel in loondienst in te vullen, waarbij zij niet actief gaat werven onder de gecontracteerde kraamzorgorganisaties.

4.Kwaliteit, transparantie en leveringscondities

(..)

4.5
OLVG is nadrukkelijk niet voornemens om een arbeidsovereenkomst te sluiten in de zin van artikel 7:610 van Pro het Burgerlijk Wetboek met de medewerker die wordt ingezet door de Kraamzorgorganisaties op basis van deze overeenkomst en binnen de termijn van deze overeenkomst. De samenwerking die beide partijen reeds hebben opgedaan in voorgaande jaren vraagt een intensieve samenwerking en vertrouwen. De medewerker die wordt ingezet, is in loondienst van de kraamzorgorganisatie. Mocht een werknemer van de kraamzorgorganisatie toch in dienst genomen worden door het OLVG, dan gelden de onderstaande voorwaarden:

Het OLVG is gerechtigd na 2.000 gewerkte uren een werknemer die vanuit dit contract is ingezet kosteloos in dienst te nemen.

Als OLVG de medewerker in dienst wil nemen voordat deze 2.000 uren gewerkt heeft, is een fee verschuldigd aan de kraamzorgorganisatie waar deze medewerker in dienst is.

Deze fee is 25% van het jaarsalaris incl. emolumenten en wordt berekend naar rato over deze 2.000 uur. Bij 1.000 uur is deze fee dus 50% van 25% van het jaarsalaris incl. emolumenten.
(..)

11.Overige bepalingen

11.1
Deze Samenwerkingsovereenkomst treedt in de plaats van alle voorgaande op het onderwerp van deze overeenkomst betrekking hebbende correspondentie, mondelinge of schriftelijke afspraken en overeenkomsten tussen de Partijen.
(..)”
2.14.
Omdat in de Overeenkomst per abuis de verkeerde aanvangsdatum (2024 in plaats van 2025) was opgenomen, hebben de betrokken partijen eind februari/begin maart 2025 een addendum getekend waarin dit is gecorrigeerd.
2.15.
Bij brief van 20 maart 2025, met als onderwerp “
Beëindiging lopende raamovereenkomst per 01-07-2025” heeft OLVG, voor zover hier van belang, het volgende aan de Uitleenbureaus bericht:

(..)
De afgelopen week hebben wij intern onze samenwerking tot nu toe geëvalueerd. We stellen vast dat jullie dit jaar tezamengemiddeld70% van de door ons benodigde diensten hebben geleverd. Gemiddeld, want er is sprake van een forse spreiding in het aantal diensten per dienst, per dag en per week. Dat tezamen leidt ertoe dat wij nog niet de gewenste stabiliteit hebben kunnen aanbrengen in onze eigen opnamecapaciteit en daarmee onze productieafspraak met de regio nog niet in voldoende mate kunnen nakomen.
(..)”.
Vervolgens heeft OLVG (samengevat) het volgende aan de orde gesteld:
  • dat zij heeft bemerkt dat er ontevredenheid heerst onder de medewerkers over de Uitleenbureaus en een aantal van de medewerkers van de Uitleenbureaus aan OLVG heeft gevraagd of er mogelijkheden zijn om bij OLVG in loondienst te komen;
  • dat zij heeft besloten om kraamverzorgenden in loondienst te gaan nemen: “(..)
  • dat zij met het opzeggen van de Overeenkomst de kraamzorg volledig in eigen hand kan nemen waarmee zij 100% van de benodigde diensten opgevuld krijgt en meer kraamverzorgenden kan behouden, maar dat daartegen pleit dat zij dan afscheid moet nemen van de Uitzendbureaus waar zij een goede relatie mee heeft opgebouwd en waar zij in de toekomst mogelijk nog mee wil samenwerken;
  • dat het actief werven van kraamverzorgenden door OLVG vóór 1 april 2025, als de Overeenkomst dan nog niet is opgezegd, het volgende betekent: (..)
  • dat zij benadrukt dat zij, als zij per 1 april 2025 overgaat tot opzegging van de Overeenkomst, dit zorgvuldig en met inachtneming van de lopende dienstverlening zal uitvoeren;
  • dat de Uitzendbureaus naar aanleiding van deze brief worden uitgenodigd voor een nader overleg.
2.16.
Bij e-mail van 26 maart 2025 hebben de Uitleenbureaus - kort samengevat - aan OLVG te kennen gegeven het oneens te zijn met de opzegging en de inhoud van de brief van OLVG. Hierop heeft OLVG aan de Uitleenbureaus laten weten dat de samenwerking met de brief van 20 maart 2025 nog niet formeel is opgezegd en dat de bedoeling van de brief was om met elkaar in gesprek te gaan.
2.17.
Nadat partijen op 2 april 2025 in overleg zijn getreden, heeft OLVG bij brief van 10 april 2025, voor zover hier relevant, het volgende aan de Uitleenbureaus laten weten:
“(..)
Gezien ons belang, zie hierna, zien wij op dit moment onvoldoende grond onze samenwerking in de huidige vorm voort te zetten. Daarbij is wat ons betreft wel ruimte om toekomstige samenwerkingsmogelijkheden in een andere vorm te verkennen.
Zoals tijdens het overleg toegelicht, heeft OLVG op basis van zijn bedrijfsvoering in de eerste maanden van dit jaar vastgesteld dat onze organisatorische en financiële continuïteit beter gewaarborgd wordt met het volledig in eigen beheer nemen van de kraamzorg. Wij willen dus vanaf nu streven naar de volledige inzet van kraamverzorgenden in loondienst van OLVG. De vacature voor klinisch kraamverzorgende is zoals bij u bekend begin april jl. door ons opengesteld.
In het licht van het hiervoor genoemde is ons voornemen onze vigerende raamovereenkomst per 18 april 2025 op te zeggen en aldus gebruik te maken van de opzegtermijn van 3 maanden conform artikel 2.2 van deze overeenkomst.(..)”
2.18.
Per e-mail van 16 april 2025 hebben de Uitleenbureaus OLVG bericht dat er geen overleg hoeft plaats te vinden, vanwege het ontbreken van een heldere en toekomstgerichte agenda voor dat gesprek en het gebrek aan aanknopingspunten voor een verdere samenwerking in de brief van OLVG.
2.19.
OLVG heeft per e-mail van 17 april 2025 de Overeenkomst per 1 augustus 2025 opgezegd.

3.Het geschil

3.1.
MM en DKA vorderen – na wijziging/vermindering van eis, samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. verklaart voor recht dat OLVG aansprakelijk is voor de door MM en DKA geleden schade, als gevolg van het voortijdig opzeggen van de samenwerkingsovereenkomst;
II. OLVG veroordeelt binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, te betalen aan MM:
- € 176.425,67 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
- € 2.539,26 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
III. OLVG veroordeelt binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis, te betalen aan DKA:
- € 142.433,60 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
IV. - € 2.199,34 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
V. OLVG veroordeelt in de proceskosten van MM en DKA.
3.2.
MM en DKA leggen het volgende aan hun vorderingen ten grondslag.
Primair: geen tussentijdse opzegging mogelijk
3.2.1.
De Overeenkomst kwalificeert als een duurovereenkomst voor bepaalde tijd. Duurovereenkomsten voor bepaalde tijd zijn in beginsel niet opzegbaar, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Dat is voor de Overeenkomst niet het geval. Artikel 2.2 van de Overeenkomst verschaft géén expliciete tussentijdse opzegmogelijkheid. Partijen hebben met dit artikel slechts bedoeld te bepalen dat zij (uiterlijk) drie maanden voor het einde van de Overeenkomst, in dit geval dus 31 december 2025, moeten opzeggen, om te bewerkstelligen dat de Overeenkomst per die datum zal eindigen, omdat deze anders (stilzwijgend) wordt verlengd. Dat partijen in het kader van een eerdere e-mailcorrespondentie wel hebben gesproken over een tussentijdse opzegmogelijkheid, maakt dit niet anders, gezien de in artikel 11.1 van de Overeenkomst overeengekomen
entire agreement clause.Voor zover wel acht op eerdere afspraken moet worden geslagen, geldt dat in de Oude Overeenkomst en de daarop gevolgde Addenda wél een expliciet overeengekomen tussentijdse opzegmogelijkheid was overeengekomen. Als partijen die mogelijkheid hadden willen handhaven, hadden ze in de Overeenkomst wel aansluiting bij de bewoordingen van de eerdere overeenkomsten gezocht. Gelet op de bewoordingen van het huidige artikel 2.2 is tussentijdse opzegging dus niet mogelijk, aldus MM en DKA.
Subsidiair: nadere eisen aan opzegging op grond van redelijkheid en billijkheid
3.2.2.
Voor zover geoordeeld zou worden dat de Overeenkomst wel in een tussentijdse opzegmogelijkheid voorziet, geldt volgens MM en DKA dat - op grond van de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 6:248 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) - in de eerste plaats een zwaarwegende grond voor opzegging was vereist en een langere opzegtermijn in acht had moeten worden genomen. OLVG is daarom een aanvullende schadevergoeding verschuldigd.
Schade door opzegging
3.2.3.
Vanwege de onrechtmatige opzegging door OLVG hebben MM en DKA schade geleden. Die schade bestaat uit gemiste marges vanwege het niet kunnen verlenen van kraamzorg in OLVG, reputatieschade en de kosten van werknemers die de planning van de diensten bij OLVG afstemden met de werkzaamheden van de kraamverzorgenden in de thuissituatie. Die schadeposten worden aan de zijde van MM begroot op € 85.319,98 en aan de zijde van DKA op € 47.107,56.
Handelen in strijd met de overeenkomst: overnemen werknemers
3.2.4.
Door te besluiten om kraamverzorgenden van MM en DKA rechtstreeks in dienst te nemen, heeft OLVG in strijd gehandeld met de Overeenkomst. Volgens MM en DKA moet artikel 4.5 van de Overeenkomst zo worden uitgelegd dat OLVG geen werknemers van MM en DKA in dienst mocht nemen. MM en DKA mochten er ook op vertrouwen dat OLVG dit niet zou doen. Mocht een werknemer van MM en DKA onverhoopt toch in dienst treden bij OLVG, dan is OLVG op grond van artikel 4.5 van de Overeenkomst een overnamefee verschuldigd als die kraamverzorgende nog geen 2.000 uren onder de Overeenkomst heeft gewerkt. OLVG heeft in totaal vier kraamverzorgenden van MM en vijf kraamverzorgenden van DKA in dienst genomen. Omdat geen van deze kraamverzorgenden vanaf de ingangsdatum van de Overeenkomst 2.000 uur voor OLVG heeft gewerkt, is OLVG voor alle negen kraamverzorgenden een overnamefee verschuldigd.
Schade door overnemen werknemers
3.2.5.
Doordat OLVG kraamverzorgenden van MM en DKA in dienst heeft genomen, hebben MM en DKA schade geleden. Die schade bestaat uit gemiste marges in de thuissituatie, kosten voor het aantrekken en opleiden van nieuwe werknemers en de overnamefees. Tezamen komen deze schadeposten aan de zijde van MM neer op een bedrag van € 91.105,69 en aan de zijde van DKA op een bedrag van € 95.326,04.
3.3.
OLVG voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van MM en DKA, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van MM en DKA, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van MM en DKA in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Tussentijdse opzegmogelijkheid
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat in hun onderlinge verhouding sprake is van elkaar opvolgende duurovereenkomsten. Evenmin is in geschil dat de duurovereenkomsten steeds zijn aangegaan voor bepaalde tijd. De (laatste) Overeenkomst zou eindigen één jaar na 1 januari 2025, dus 31 december 2025. Of en, zo ja, onder welke voorwaarden deze duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen.
4.2.
Partijen houdt, zoals uit het voorgaande blijkt, verdeeld of de Overeenkomst, gezien het bepaalde in artikel 2.2, voorziet in een mogelijkheid van tussentijdse opzegging. Met OLVG is de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.3.
Het antwoord op de vraag wat partijen zijn overeengekomen hangt af van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepaling mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).
4.4.
In het onderhavige geval is de tekst van de Overeenkomst helder. De Overeenkomst duurt een jaar (artikel 2.1.) en kan worden opgezegd “
met inachtneming van een termijn van drie maanden, of zoveel langer als de zorgcontinuïteit geborgd dient te blijven” (artikel 2.2); opzegging kan dus zolang genoemde opzegtermijn in acht wordt genomen. Voor de stelling van MM en DKA dat met artikel 2.2. slechts zou zijn beoogd te regelen hoe een stilzwijgende verlenging voorkomen kan worden (namelijk door drie maanden voor het einde van de Overeenkomst op te zeggen), biedt de Overeenkomst geen aanknopingspunten. Dat dat laatste de bedoeling zou zijn geweest van partijen sluit ook niet aan bij de correspondentie die aan het sluiten van de Overeenkomst vooraf is gegaan. In die e-mails wordt immers steevast gesproken van een opzegtermijn van drie maanden “per opzegdatum” en niet van een uiterste aanzegdatum. Ook kan uit diezelfde e-mailcorrespondentie worden afgeleid dat partijen destijds hebben onderhandeld over de looptijd van de Overeenkomst, de daarin opgenomen opzegtermijn, het concurrentiebeding en de te ontvangen vergoeding voor de door MM en DKA geleverde diensten. De Overeenkomst was in wezen een compromis tussen enerzijds de wens van OLVG om haar volledige capaciteit te kunnen benutten en anderzijds de wens van MM en DKA om op basis van een inspanningsverplichting aan OLVG te kunnen blijven leveren tegen betaling van een hogere vergoeding. Tijdens die onderhandelingen hebben MM en DKA welbewust gekozen voor een overeenkomst voor de duur van twaalf maanden met een opzegtermijn van drie maanden, in plaats van een overeenkomst van zes maanden zonder opzegtermijn. Gezien het voorgaande hebben MM en DKA hun stelling dat artikel 2.2 moet worden uitgelegd op de door hen voorgestane wijze, onvoldoende onderbouwd (en wordt aan het – overigens algemeen ingestoken – bewijsaanbod van MM en DKA op dit punt niet toegekomen).
4.5.
Dat partijen in de Overeenkomst een
entire agreement clause(artikel 11.1) hebben opgenomen, maakt het voorgaande niet anders. Een dergelijke clausule beoogt meestal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat er echter niet zonder meer aan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. [3] In dit geval bestaat geen aanleiding de correspondentie die tot het sluiten van de Overeenkomst, zijnde het resultaat van de in de e-mail van 18 november 2024 vervatte afspraken, bij de uitleg van artikel 2.2 buiten beschouwing te laten.
4.6.
De tussenconclusie is dan ook dat sprake is van een duurovereenkomst voor bepaalde tijd, waarin is voorzien in een regeling van tussentijdse opzegging.
Redelijkheid en billijkheid, nadere eisen aan de opzegging
4.7.
Ook als een duurovereenkomst voorziet in een regeling van opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW Pro meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen worden gesteld. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat de opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, een bepaalde opzegtermijn in acht wordt genomen of dat de opzegging gepaard gaat met een aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen op grond van artikelen 6:248 lid 2 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. [4]
4.8.
Volgens MM en DKA moeten er op grond van de redelijkheid en billijkheid dus nadere eisen worden gesteld aan de opzegging (artikel 6:248 lid 1 BW Pro). Voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid op de voet van artikel 6:248 lid 1 BW Pro is plaats indien een overeenkomst ter zake van een bepaald onderwerp, zoals in dit geval de contractuele opzeggingsregeling, een leemte bevat. Of de overeenkomst een leemte bevat moet worden bepaald door uitleg van de overeenkomst. Zoals hiervoor overwogen (zie 4.4.), is de Overeenkomst expliciet voorzien van een regeling van opzegging en een daarvoor geldende termijn. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een leemte in de opzeggingsregeling, zodat voor de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid hier geen plaats is.
4.9.
Voor zover MM en DKA zich op het standpunt stellen dat de opzegging onder de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW Pro), is de rechtbank van oordeel dat aan die - tot terughoudendheid nopende - maatstaf in dit geval niet is voldaan. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.10.
Hoewel er sprake was van een langdurige samenwerking tussen partijen, werd die samenwerking al vanaf 2019 niet stilzwijgend voortgezet. Partijen zijn steeds uitdrukkelijk overeengekomen dat aan het eind van de looptijd van elke overeenkomst overeenstemming over de voortzetting (en de voorwaarden van die voortzetting) moest worden bereikt. Van belang is dat bij de onderhandelingen die voorafgaand aan het sluiten van de Overeenkomst plaatsvonden, duidelijk was dat er een andere wind was gaan waaien: OLVG had een concrete bezuinigingsopdracht en nam alternatieven voor een voortzetting van de samenwerking in overweging. Dit heeft OLVG destijds aan de Uitleenbureaus concreet kenbaar gemaakt. Verder stellen MM en DKA weliswaar dat OLVG niet had hoeven
opzeggen, omdat ook op andere manieren kon worden bewerkstelligd dat OLVG de ruimte kreeg om zich voor te bereiden op de veranderende marktomstandigheden, maar uit de correspondentie tussen partijen kan juist worden afgeleid dat dit precies is wat OLVG heeft gedaan. Ze heeft andere oplossingen aan MM en DKA voorgelegd en dit heeft geresulteerd in het compromis: een overeenkomst van twaalf maanden mét een opzegtermijn en een inspanningsverplichting voor MM en DKA tegen een hogere vergoeding. OLVG stelt terecht dat de inschatting van MM en DKA dat OLVG uiteindelijk nooit daadwerkelijk tussentijds zou opzeggen, omdat zij dan over onvoldoende kraamverzorgenden zou beschikken, voor hun rekening en risico moet komen. Dit te meer, omdat ook voor MM en DKA duidelijk moest zijn dat OLVG anders zou gaan opereren dan voorheen: OLVG ging immers vacatures openstellen om zelf kraamverzorgenden in dienst te kunnen nemen en heeft dit ook aan MM en DKA kenbaar gemaakt. Voor wat betreft de stelling van MM en DKA dat zij financieel gezien in grote mate afhankelijk waren van de samenwerking met OLVG en dat dit voor OLVG kenbaar was, zodat opzegging om die reden onaanvaardbaar zou zijn, geldt dat OLVG deze stelling heeft betwist. OLVG heeft aangevoerd dat de samenwerking met OLVG maximaal een zesde van de omzet van MM en DKA opleverde. MM en DKA hebben dit niet weersproken. Daarmee is dus niet komen vast te staan dat van een grote mate van financiële afhankelijkheid sprake was. Tot slot hebben MM en DKA nog gewezen op de (onaanvaardbare) timing van de opzegging. Zij hebben naar voren gebracht dat OLVG haar wens om op te zeggen én kraamverzorgenden van MM en DKA te willen aannemen rond de zomerperiode heeft geuit, terwijl MM en DKA juist in die periode te maken hebben met beperkte inzetbaarheid van de kraamverzorgenden. Daarmee miskennen MM en DKA echter dat OLVG de Overeenkomst op grond van de opzeggingsregeling op ieder moment kon opzeggen (uiteraard wel met in achtneming van de opzegtermijn). Daarnaast heeft OLVG al voortijdig aan MM en DKA medegedeeld dat zij voornemens was de Overeenkomst te beëindigen. MM en DKA hadden zich daar dus op kunnen voorbereiden. Het voorgaande maakt dat de door MM en DKA aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn voor het oordeel dat OLVG zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op overeengekomen opzeggingsmogelijkheid had mogen beroepen.
4.11.
De conclusie is dan ook dat OLVG de Overeenkomst met MM en DKA op grond van de Overeenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden mocht opzeggen. Nu zij op 17 april 2025 tegen 1 augustus 2025 (3,5 maand) heeft opgezegd is die opzegging daarmee niet onrechtmatig. De schadevergoedingsvorderingen van MM en DKA die samenhangen met de opzegging van de Overeenkomst door OLVG zullen dan ook worden afgewezen.
Het overnemen van werknemers
4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat er werknemers van MM en DKA bij OLVG in dienst zijn getreden. Partijen houdt echter verdeeld of OLVG dit op basis van de Overeenkomst (artikel 4.5.) wel mocht doen. Met OLVG is de rechtbank van oordeel dat dit mogelijk was. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.13.
Ook de vraag wat partijen zijn overeengekomen ten aanzien van het in dienst nemen door OLVG van werknemers van MM en DKA, moet worden beoordeeld aan de hand van de Haviltex-maatstaf.
4.14.
Het standpunt van MM en DKA dat artikel 4.5. zo moet worden uitgelegd dat OLVG geen medewerkers van MM en DKA in dienst mocht nemen, valt niet te rijmen met de letterlijke tekst van de Overeenkomst. De daarin gebruikte bewoordingen: “
Mocht een werknemer van de kraamorganisaties toch in dienst genomen worden door OLVG” impliceren juist dat die mogelijkheid er wél was. Die lezing vindt bevestiging in de mailwisseling tussen partijen voorafgaand aan de Overeenkomst. Daaruit valt af te leiden dat MM en DKA weliswaar de bedoeling hadden te voorkomen dat OLVG actief onder hun werknemers zou werven, maar niet dat de mogelijkheid voor OLVG om werknemers van MM en DKA (al dan niet op eigen initiatief van die werknemers) in dienst te nemen volledig zou worden uitgesloten. In die mailwisseling spreken MM en DKA immers van “
personeel in loondienst bij de kraambureaus welke er zelf voor kiezen om bij het OLVG in loondienst te gaan”. Het enkel openstellen van vacatures kan daar niet onder worden verstaan. Gezien het voorgaande hebben MM en DKA hun stelling dat artikel 4.5. zo moet worden uitgelegd dat OLVG geen van hun werknemers in dienst mocht nemen, onvoldoende onderbouwd.
4.15.
De conclusie is dat de Overeenkomst voorziet in een mogelijkheid voor OLVG om werknemers van MM en DKA in dienst te nemen. Met OLVG is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat OLVG actief heeft geworden onder werknemers van MM en DKA, wat - naar ook niet in geschil is - wél in strijd zou zijn met de Overeenkomst. Daarmee is dus niet gebleken dat OLVG in strijd met de Overeenkomst heeft gehandeld. De daarop betrekking hebbende schadevergoedingsvorderingen van MM en DKA zullen dan ook worden afgewezen.
De overnamefee
4.16.
De vraag die dan nog resteert is of OLVG een overnamefee verschuldigd is voor de kraamverzorgenden van MM en DKA die bij OLVG in dienst zijn getreden. Tussen partijen is in geschil hoe de voorwaarden voor het al dan niet verschuldigd zijn van een overnamefee (artikel 4.5.) moeten worden uitgelegd. Met MM en DKA is de rechtbank van oordeel dat de Overeenkomst, met in achtneming van de eerdergenoemde Haviltex-maatstaf (zie r.o. 4.3), zo moet worden uitgelegd dat OLVG een overnamefee verschuldigd is voor kraamverzorgenden die nog geen 2.000 uur
onder de Overeenkomstvoor OLVG hebben gewerkt. In dit kader wordt het volgende overwogen.
4.17.
Partijen hebben in de Overeenkomst opgenomen dat “
het OLVG is gerechtigd na 2.000 gewerkte uren een werknemer die vanuit dit contract is ingezet kosteloos in dienst te nemen”. Ter discussie staat of bij de berekening van het aantal door de werknemer voor OLVG gewerkte uren, ook de voor OLVG gewerkte uren voorafgaand aan de Overeenkomst moeten worden betrokken. Volgens OLVG is dit het geval. Zij voert daartoe aan dat het doel van de regeling was dat MM en DKA de voor de overgenomen werknemers gemaakte opleidingskosten konden terugverdienen. Vanuit dat oogpunt is het volgens OLVG dan ook begrijpelijk dat partijen aansluiten bij het aantal uren dat de werknemer gedurende de gehele samenwerking voor OLVG gewerkt heeft. Daarnaast heeft OLVG naar voren gebracht dat het onhaalbaar is om binnen de Overeenkomst – die maximaal een jaar zou duren – 2.000 uren te werken. MM en DKA hebben daartegenover gesteld dat alle werknemers die bij OLVG werden ingezet bij het aangaan van de Overeenkomst al meer dan 2.000 uur voor OLVG als kraamverzorgenden hadden gewerkt. Als de door OLVG voorgestane uitleg zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat OLVG al die werknemers al bij het sluiten van de Overeenkomst kosteloos in dienst kon nemen. Dat het mogelijk niet haalbaar was om de urennorm van 2.000 uur binnen één jaar te bereiken, staat volgens MM en DKA niet aan de door hen voorgestane uitleg in de weg, omdat duidelijk was dat partijen, toen de Overeenkomst werd aangegaan, nog aan een voortzetting daarvan dachten. Na voortzetting zou het dan op een goed moment, namelijk na 2.000 uur werkzame uren van de betreffende kraamverzorgende in het OLVG, wél mogelijk zijn deze kosteloos over te nemen, aldus MM en DKA.
4.18.
De rechtbank stelt vast dat OLVG niet heeft betwist dat kraamverzorgenden die door MM en DKA bij OLVG werden ingezet vrijwel allemaal al 2.000 uur in het OLVG hadden gewerkt toen de Overeenkomst werd ondertekend. Met MM en DKA is de rechtbank van oordeel dat het niet voor de hand ligt om aan te nemen dat MM en DKA zouden instemmen met een regeling die erin zou voorzien dat OLVG hun kraamverzorgers álle kosteloos zou kunnen overnemen. Die regeling zou dan namelijk geen enkele betekenis hebben. Dit te meer, nu MM en DKA hebben verklaard dat zij werken met een hecht team, waarvan steeds dezelfde kraamverzorgenden bij OLVG werden ingezet. Onder die omstandigheden had OLVG kunnen en moeten begrijpen dat de bedoeling van MM en DKA bij het sluiten van de Overeenkomst was dat OLVG hun werknemers uitsluitend in dienst mocht nemen tegen betaling van een overnamefee en dat dit pas anders zou worden als die werknemers
onder de Overeenkomst2.000 uur zouden hebben gewerkt. Dat het mogelijk niet haalbaar was om de urennorm van 2.000 uur binnen één jaar te bereiken, maakt het, mede gezien de uitleg die MM en DKA daarbij hebben gegeven, niet anders.
4.19.
Partijen zijn het erover eens dat OLVG vier werknemers van MM en vier werknemers van DKA in dienst heeft genomen. Aan de zijde van MM en DKA wordt daarnaast nog een overnamefee gevorderd voor een negende werknemer: mevrouw [naam] . In de Overeenkomst (artikel 4.5) is expliciet opgenomen dat de overnameregeling van toepassing is op “
een werknemer die vanuit dit contract is ingezet”. Tussen partijen is niet in geschil dat mevrouw [naam] weliswaar in dienst was bij DKA, maar dat zij gedurende de samenwerking tussen partijen nooit door OLVG is ingeleend. Daarmee valt mevrouw [naam] niet onder de bepaling in artikel 4.5 van de Overeenkomst. OLVG is dus geen overnamefee voor haar verschuldigd.
4.20.
De conclusie is dat OLVG zowel aan MM als aan DKA een overnamefee verschuldigd is voor vier werknemers. OLVG heeft de door MM en DKA overgelegde berekeningen van de overnamefees per werknemer niet betwist, zodat zij aan MM een bedrag van € 28.242,66 en aan DKA een bedrag van € 26.321,64 moet voldoen. Het restant van de door MM en DKA gevorderde overnamefees zal worden afgewezen.
Wettelijke rente
4.21.
MM en DKA hebben wettelijke handelsrente over genoemde bedragen gevorderd vanaf 17 april 2025. Aan de daarvoor geldende eisen als opgenomen in artikel 6:119a BW is evenwel niet voldaan. De wettelijke handelsrente kan dus niet worden toegewezen. Daarom moet de rechtbank beoordelen of de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komt. Niet gebleken is dat OLVG al voor de wijziging van eis van MM en DKA ten aanzien van het betalen van de overnamefees in verzuim is geraakt. Dit leidt tot de conclusie dat OLVG eerst vanaf 9 december 2025, de datum waarop de vordering op dit punt (middels de akte houdende eiswijziging) is ingesteld, wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro aan MM en DKA verschuldigd is.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.22.
Verder hebben MM en DKA buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Naar het oordeel van de rechtbank hebben MM en DKA onvoldoende gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Daarnaast is niet aan de eisen van de uitzondering uit artikel 6:96 lid 4 BW Pro voldaan. Dit maakt dat OLVG geen buitengerechtelijke incassokosten aan MM en DKA verschuldigd is.
Proceskosten
4.23.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren, gelet op het feit dat beide partijen over en weer in het gelijk (en ongelijk) zijn gesteld. Partijen dragen dus ieder de eigen kosten.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt OLVG om aan MM te betalen een bedrag van € 28.242,66, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 december 2025,
5.2.
veroordeelt OLVG om aan DKA te betalen een bedrag van € 26.321,64, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vanaf 9 december 2025,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Scheijde, rechter, bijgestaan door mr. M.A. van Eerde, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Voetnoten

1.
2.
3.HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101 (Lundiform/Mexx)
4.HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, onder verwijzing naar HR 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1134