Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2990

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
9810214 \ CV EXPL 22-5168
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:58 lid 2 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering Rabobank wegens ongeoorloofde debetstand zonder rentevergoeding

Rabobank vordert betaling van een ongeoorloofde debetstand op de betaalrekening van de gedaagde. De gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. Rabobank bracht de toepasselijke algemene voorwaarden in het geding, waaronder bepalingen over debetrente bij overschrijding en de mogelijkheid tot eenzijdige wijziging van rente.

De rechtbank oordeelt dat de datum van opeising niet samenvalt met het ontstaan van de debetstand, maar dat Rabobank het bedrag op 4 december 2019 heeft opgeëist. Rabobank heeft voldoende voortvarend gehandeld door de gedaagde tijdig aan te schrijven en heeft geen rente in rekening gebracht, wat de rechtbank positief meeneemt.

De rechtbank stelt vast dat het rente- en kostenbeding in de algemene voorwaarden oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EG, omdat Rabobank een onbeperkte en eenzijdige wijzigingsbevoegdheid heeft zonder transparantie. Hierdoor wordt het beding buiten toepassing gelaten en kan Rabobank geen wettelijke rente vorderen. De hoofdsom wordt toegewezen, de rentevordering afgewezen en de gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de hoofdsom toe, verklaart het rente- en kostenbeding oneerlijk en wijst de rentevordering af.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 9810214 \ CV EXPL 22-5168
Vonnis van 12 februari 2026
in de zaak van
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Rabobank,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 november 2025,
- de akte van Rabobank.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is Rabobank in de gelegenheid gesteld om alle op de overeenkomst van toepassing verklaarde sets voorwaarden in het geding te brengen, zodat kan worden beoordeeld welke rente en/of kosten verschuldigd raken bij een ongeoorloofde roodstand en zodat bedingen die aan de vordering ten grondslag (kunnen) liggen kunnen worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van Richtlijn 93/13 EG. Rabobank diende zich daarnaast uit te laten over de het moment van opeising en de vraag of en zo ja, welke rente er na opeising in rekening is gebracht.
2.2.
Rabobank heeft bij akte de voorwaarden in het geding gebracht. Rabobank verwijst naar artikel 5 van Pro hoofdstuk 7 van de ‘Algemene Voorwaarden voor betalen en online diensten 2019’ (hierna: de algemene voorwaarden), dat van toepassing is op de onderhavige situatie waarbij een roodstand is ontstaan op de betaalrekening, zonder krediet. In de algemene voorwaarden wordt verwezen naar het tarieven- en limietenoverzicht. In Hoofdstuk 3, artikel 24 van Pro de algemene voorwaarden staat dat dit overzicht onderdeel vormt van de overeenkomst. Zonder het tarieven- en limietenoverzicht is niet duidelijk wat de (destijds) voor [gedaagde] geldende tarieven en rentes zijn, omdat de tarieven niet in de overgelegde overeenkomst en voorwaarden staan.
2.3.
In voornoemd artikel 5 van Pro hoofdstuk 7 van de algemene voorwaarden is bepaald, dat bij een ongeoorloofde roodstand een variabele rente verschuldigd is, te weten de ‘debetrente bij overschrijding’. Verder bepaalt het artikel dat deze rente altijd door Rabobank eenzijdig kan worden gewijzigd, dat de consument bij een ongeoorloofde roodstand zonder ingebrekestelling in verzuim verkeert en dat het bedrag direct opeisbaar is.
2.4.
Rabobank beroept zich voor wat betreft de creditcard op de uitzonderingen als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro d van het Burgerlijk Wetboek (BW), dan wel op de uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder Pro e BW.
2.5.
De creditcard valt onder eerstgenoemde uitzondering.
2.6.
De onderhavige vordering betreft echter een ongeoorloofde debetstand op de betaalrekening van [gedaagde] . Zoals in het tussenvonnis reeds overwogen, kan een ongeoorloofde debetstand onder bepaalde omstandigheden vallen onder de werkingssfeer van Titel 2A van Boek 7 BW, bijvoorbeeld als Rabobank deze langdurig laat bestaan en in de voorwaarden is bepaald dat hierover een bepaalde rente wordt of kan worden gerekend.
2.7.
Rabobank stelt zich op het standpunt dat de datum van opeising 27 november 2019 is. Op die datum is de debetstand ontstaan, door de afschrijving van de creditcarduitgaven, terwijl in artikel 5 van Pro hoofdstuk 7 van de algemene voorwaarden is bepaald dat het debetsaldo direct opeisbaar is, aldus Rabobank.
2.8.
Rabobank wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de datum van het ontstaan van de debetstand ook de datum van opeising is. Weliswaar is in de algemene voorwaarden bepaald dat het bedrag direct opeisbaar is, maar het daadwerkelijk opeisen van het bedrag heeft Rabobank gedaan op 4 december 2019. Daarbij is aangezegd dat geen rente in rekening wordt gebracht, ook al had Rabobank op grond van de algemene voorwaarden wel rente in rekening kunnen brengen.
2.9.
Geoordeeld wordt dat Rabobank voldoende voortvarend heeft gehandeld, althans de ongeoorloofde debetstand niet zodanig lang heeft laten bestaan waardoor deze is aan te merken als kredietovereenkomst waarop de verplichtingen van Titel 2A van Boek 7 BW van toepassing zijn. Daarbij is van belang dat Rabobank [gedaagde] herhaaldelijk heeft aangeschreven, voor het eerst een week na het ontstaan van de ongeoorloofde debetstand. Van belang is ook dat Rabobank geen rente in rekening heeft gebracht, wat blijkt uit de specificatie die zij bij akte heeft overgelegd. Weliswaar zijn kosten in rekening gebracht voor het betaalpakket en de kosten voor de creditcard zelf, maar dat zijn kosten die geen verband houden met de ongeoorloofde debetstand. Die kosten zou [gedaagde] ook zijn verschuldigd zonder ongeoorloofde debetstand.
2.10.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom.
2.11.
Rabobank vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van betekening van de dagvaarding. Deze rente is niet toewijsbaar, omdat het beding dat aan deze vordering ten grondslag kan liggen als oneerlijk is aan te merken. Dat beding staat in eerdergenoemd artikel 5 van Pro hoofdstuk 7 van de algemene voorwaarden (zie overweging 2.3). Nog daargelaten wat de hoogte van de debetrente is ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, wat niet kan worden nagegaan bij gebreke van het tarieven- en limietenoverzicht, heeft Rabobank de bevoegdheid bedongen om op ieder moment eenzijdig alle (componenten van de) variabele rente te wijzigen, zonder dat inzichtelijk is op welke wijze dat gebeurt en ook zonder maximum. Dat zorgt voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen, ten nadele van [gedaagde] als consument.
2.12.
De kantonrechter zal daarom het beding buiten toepassing moeten laten. Gevolg daarvan is dat Rabobank ook geen aanspraak meer kan maken op wettelijke rente. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). Wat Rabobank hierover heeft aangevoerd in haar akte, kan ingevolge deze jurisprudentie niet tot een andere uitkomst leiden.
2.13.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
129,74
- griffierecht
487,00
- salaris gemachtigde
238,00
(1 punt × € 238,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
922,24

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Rabobank van € 2.911,22 aan hoofdsom,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 922,24, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
991