Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2991

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
10614240 \ CV EXPL 23-9907
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:58 lid 2 BWTitel 2A Boek 7 BWRichtlijn 2008/48 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging kredietovereenkomsten wegens ontbreken kredietwaardigheidstoets en terugbetaling hoofdsom

In deze zaak vorderde eiser betaling van bedragen uit kredietovereenkomsten gesloten met gedaagde. Gedaagde verscheen niet, waardoor verstek werd verleend. De rechtbank stelde vast dat eiser geen akte had genomen ondanks gelegenheid daartoe, en dat de kredietovereenkomsten onder de werkingssfeer van Richtlijn 2008/48 EG en Titel 2A van Boek 7 BW vielen.

De rechtbank constateerde dat eiser niet had voldaan aan de verplichtingen uit Titel 2A van Boek 7 BW, waaronder het uitvoeren van een kredietwaardigheidstoets. Dit leidde tot vernietiging van de kredietovereenkomsten. Gedaagde is slechts gehouden tot terugbetaling van het uitgeleende bedrag zonder bijkomende rente of kosten.

De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de gedeeltelijke gelijkheid van partijen in het ongelijk en het feit dat twee kredietovereenkomsten zonder kredietwaardigheidstoets waren gesloten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Kredietovereenkomsten worden vernietigd en gedaagde moet alleen het uitgeleende bedrag van €660,00 terugbetalen zonder rente of kosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10614240 \ CV EXPL 23-9907
Vonnis van 6 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
h.o.d.n. [bedrijf],
wonende en kantoorhoudende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Rosmalen Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 5 december 2025.
1.2.
[eiser] heeft, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, geen akte genomen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag of de kredietovereenkomsten vallen onder de werkingssfeer van Richtlijn 2008/48 EG, waarbij [eiser] in diende te gaan op de bedongen kosten van de kredieten. Verder is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen tot vernietiging van de kredietovereenkomsten, omdat geen kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd.
2.2.
Nu [eiser] geen akte heeft genomen, zal vanwege de consumentenbescherming die voornoemde richtlijn beoogt te bewerkstelligen, uit moeten worden gegaan van de toepasselijkheid van Titel 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), omdat van een uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 BW Pro niet is gebleken.
2.3.
Gesteld noch gebleken is dat [eiser] aan de verplichtingen voortvloeiend uit Titel 2A van Boek 7 BW heeft voldaan. Evenmin is een kredietwaardigheidstoets uitgevoerd.
2.4.
De kantonrechter zal daarom, zoals aangekondigd, overgaan tot vernietiging van de kredietovereenkomsten. Gevolg hiervan is dat [gedaagde] uitsluitend het uitgeleende geldbedrag aan [eiser] dient terug te betalen, zonder bijkomende rente of kosten.
2.5.
Vanwege de uitkomst van de procedure, waarbij partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd. Bij die beslissing is in aanmerking genomen de omstandigheid dat twee kredietovereenkomsten zijn gesloten met [gedaagde] als consument, zonder dat vooraf is getoetst of zij voldoende kredietwaardig was om die overeenkomsten aan te gaan.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 660,00 aan hoofdsom,
3.2.
compenseert de proceskosten,
3.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
991