ECLI:NL:RBAMS:2026:3020

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
12030403 \ CV EXPL 25-17911
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 6 lid 1 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing consumentenrecht bij uitvaartovereenkomst met oneerlijke bedingen

Eiser, een besloten vennootschap, vordert betaling van een factuur voor verleende uitvaartdiensten. Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve of de overeenkomst voldoet aan consumentenrecht, met name de informatieplichten en de Richtlijn 93/13 EG over oneerlijke bedingen.

Eiser stelt dat de overeenkomst mondeling in een verkoopruimte is gesloten, maar deze stelling is te summier en moet nader worden toegelicht, mede omdat de overeenkomst meerdere locaties vermeldt. De prijs is duidelijk vermeld, waardoor verdere toetsing van het prijsbeding niet nodig is.

De algemene voorwaarden bevatten bedingen over rente, buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten. De rente- en buitengerechtelijke kostenbedingen zijn niet oneerlijk, maar het beding over gerechtelijke kosten is dat wel, omdat het alle kosten op de consument afwentelt. De kantonrechter verwijst naar recente jurisprudentie en stelt eisende partij in de gelegenheid zich hierover uit te laten. De zaak wordt aangehouden voor nadere toelichting en uitlatingen.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor nadere toelichting over informatieplichten en oneerlijke bedingen in de uitvaartovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12030403 \ CV EXPL 25-17911
Vonnis van 5 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiser],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 december 2025, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Eisende partij vordert veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 5.800,00 aan hoofdsom, € 782,69 aan buitengerechtelijke kosten en € 204,00 aan rente, verminderd met een betaling van € 363,00, met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. Eisende partij stelt diensten te hebben verleend, bestaande uit het verzorgen van een uitvaart. De daarvoor verstuurde factuur heeft gedaagde partij niet betaald.
2.2.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.3.
In het kader van de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte en dat de informatie als bedoeld in artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW) mondeling is verstrekt. Dat is te summier en onvoldoende concreet. Eisende partij wordt opgedragen haar stellingen op dit punt nader toe te lichten en te concretiseren.
2.4.
Daarbij is van belang dat de kantonrechter ambtshalve ermee bekend is dat veel overeenkomsten als de onderhavige worden gesloten bij (de nabestaanden van) de overledene thuis. Los daarvan vermeldt de onderhavige overeenkomst meerdere locaties: [locatie 1] , [locatie 2] en [locatie 3] , zodat moet worden toegelicht op welke locatie deze overeenkomst is gesloten, wie namens eisende partij met gedaagde partij in gesprek is geweest en hoe de informatie als bedoeld in artikel 6:230l BW is verstrekt.
2.5.
Nu de prijsbeding, het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, op duidelijke en begrijpelijke wijze in de voorlopige kostenopgave en opdracht tot uitvoering van de uitvaart is vermeld, is verdere toetsing van dat beding ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn niet aan de orde.
2.6.
Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Hierin staan bedingen die aan bepaalde onderdelen van de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, óók als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet haar vordering op dit punt worden afgewezen.
2.7.
In de algemene voorwaarden staan bedingen over rente, buitengerechtelijke kosten en gerechtelijke kosten (proceskosten).
2.8.
De bedingen over rente (artikel 10 onder Pro c) en over buitengerechtelijke kosten (artikel 10 onder Pro d) zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat ze voor consumenten verwijzen naar en aansluiten bij de wettelijke regelingen te dien aangaande.
2.9.
Het beding over gerechtelijke kosten (artikel 10 onder Pro e) luidt:
“Blijft betaling ook na voornoemde buitengerechtelijke incassohandelingen uit, zodat [eiser] genoopt is een gerechtelijke procedure te starten, dan komen alle gerechtelijke kosten voor rekening van de opdrachtgever, waaronder de kosten in rekening gebracht door externe deskundigen, gemachtigden en/of advocaten.”
2.10.
Dit beding wordt als oneerlijk aangemerkt. Het beding over gerechtelijke kosten geeft eisende partij immers de mogelijkheid om alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van een deurwaarders- of advocatenkantoor. Dat is normaal gesproken slechts voorbehouden aan zeer bijzondere omstandigheden, zoals misbruik van recht of onrechtmatig handelen. Een beding op grond waarvan alle gerechtelijke kosten bij de consument in rekening kunnen worden gebracht is als oneerlijk aan te merken. Dat is door de Hoge Raad bevestigd (ECLI:NL:HR:2025:820).
2.11.
Ondanks dat de Hoge Raad in het aangehaalde arrest de vraag over de gevolgen van een oneerlijk proceskostenbeding op zijn beurt heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, is de kantonrechter voornemens om de proceskosten af te wijzen, gelet op artikel 6 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13/EG en de vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de ‘terugvalleer’ (o.a. ECLI:EU:C:2021:68 en ECLI:EU:C:2022:971).
2.12.
Voordat de kantonrechter het beding over gerechtelijke kosten buiten toepassing laat en daaraan de hiervoor beschreven gevolgen verbindt, mag eisende partij zich daarover uitlaten.
2.13.
De zaak wordt verwezen naar de rol voor akte uitlating door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.3, 2.4 en 2.12.
2.14.
Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.15.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 5 maart 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van een akte door eisende partij over het bepaalde in overwegingen 2.3, 2.4 en 2.12,
3.2.
bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.14,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2026.
991