ECLI:NL:RBAMS:2026:3025

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
13-001834-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren verdedigingsrechten en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 19 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een Poolse verdachte op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank in Gdańsk. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen van in totaal vier jaar.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure die tot het vonnis van 10 februari 2022 leidde en daardoor zijn verdedigingsrechten niet kon uitoefenen. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was en dat hij onzorgvuldig was met correspondentie, waardoor toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet aan de orde was.

Verder stelde de verdediging dat de medische toestand van de verdachte (ernstige hartproblemen en botbreuken) een individueel gevaar voor schending van grondrechten in detentie oplevert. De rechtbank stelde vast dat er geen algemeen reëel gevaar is voor onmenselijke behandeling in Poolse gevangenissen en dat onvoldoende is onderbouwd dat de medische zorg ontoereikend zou zijn.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering kan worden toegestaan. De uitspraak is gedaan door drie rechters en is onherroepelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks bezwaren over verdedigingsrechten en medische omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-001834-26
Datum uitspraak: 19 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 december 2025 door
the Regional Court in Gdańsk,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, M.A.J. van Dam, waarnemend voor mr. M.D.A. Stam, beiden advocaat in Gouda, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt twee vonnissen:
Een vonnis van
the District Court Gdańsk-North in Gdańskvan 8 november 2021 (II K 934/21)
Een vonnis van
the District Court Gdańsk-North in Gdańskvan 10 februari 2022 (II K 1570/21)
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van twee vrijheidsstraffen voor de duur van in totaal vier jaar (twee jaar voor elk vonnis), door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Inleiding
Op 30 januari 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit onder andere de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) Re. 3 and 3.1 [opgeëiste persoon] was interrogated as a suspect on 09/09/2021 in the course of the pre-trial proceedings. For the purposes of the interrogation record, [opgeëiste persoon] provided the following address as his place or residence: [adres 2]. He also stated that the above address was also his address for service. At the stage of the proceedings before the court one trial session was held. During that session, the entire evidential proceedings were conducted and the judgement was issued. The summons to the trial was sent to [opgeëiste persoon] to the address he had provided in the pre-trial proceedings, [adres 2].
In the course of the interrogation held on 09/09/2021, [opgeëiste persoon] was cautioned of his rights and obligations as a suspect in criminal proceedings, which he confirmed with his own signature. The caution includes the information that the suspect is obliged e.g. to:
- name the addressee (i.e. a person or institution having address data) for the service of correspondence in Poland or another member state or the European Union, failing which any letter sent to the last known address in Poland or another member state of the European Union is deemed effectively served (s. 138 or the Code or Criminal Procedure);
- provide his new address any time his place or residence or stay changes, also if the change is a consequence or being detained in another case (provisional detention, detention at a penitentiary facility for the purposes of serving a sentence), or any time his post box address changes or is 110 longer used: otherwise, any letter sent to the last known address (including the address of the specified post box) will be deemed effectively served (s. 139 of the Code or Criminal Procedure); (…)”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon in de procedure die tot het vonnis van 10 februari 2022 heeft geleid niet zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. De opgeëiste persoon was namelijk niet op de hoogte van deze procedure, hij is niet bij de zitting aanwezig geweest en heeft de dagvaarding niet in persoon ontvangen. De opgeëiste persoon heeft volgens de aanvullende informatie van 30 januari 2026 een adres-instructie ondertekend, maar die heeft hij niet begrepen. Daarom kan niet worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het vonnis van 8 november 2021 op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is omdat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting op 6 september 2021. Ten aanzien van het vonnis van 10 februari 2022 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is, maar dat kan worden afgezien van toepassing van deze weigeringsgrond omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces en stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij heeft immers een adres-instructie ondertekend en diende daarom de post op het opgegeven adres in de gaten te houden.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het vonnis vanthe District Court Gdańsk-North in Gdańskvan 8 november 2021 (II K 934/21)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op
6 september 2021 in persoon is opgeroepen, waarbij hij is geïnformeerd over de datum, het tijdstip en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.
Ten aanzien van het vonnis vanthe District Court Gdańsk-North in Gdańskvan 10 februari 2022 (II K 1570/21)
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 30 januari 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon op 9 september 2021 is verhoord als verdachte. Tijdens het verhoor heeft de opgeëiste persoon het adres
[adres 2]opgegeven als correspondentieadres en een adres-instructie ondertekend. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat dit het adres van zijn moeder is. De oproep voor de zitting is volgens de aanvullende informatie van 21 januari 2026 naar dat adres verstuurd. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om uitleg te vragen aan de Poolse autoriteiten over de adres-instructie als hij deze niet begreep. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot brieven die op zijn correspondentieadres bezorgd werden, terwijl zorgvuldigheid van hem verwacht mocht worden aangezien hij redelijkerwijs rekening ermee moest houden dat er een procedure zou volgen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Het verweer wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd.

5.Artikel 11 OLW Pro

5.1
Artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest)
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
5.2
Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden, omdat mogelijk sprake is van een individueel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft namelijk ernstige hartproblemen, een gebroken been en een gebroken arm. Op korte termijn is medisch ingrijpen noodzakelijk. Er dienen nadere vragen aan de Poolse autoriteiten te worden gesteld om vast te stellen of de opgeëiste persoon adequate medische zorg kan krijgen in de gevangenis waar hij zal worden gedetineerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen algemeen gevaar van een schending van grondrechten is vastgesteld voor gedetineerden met medische problemen. Daarom wordt niet toegekomen aan de beoordeling van een mogelijk individueel gevaar op schending van grondrechten in detentie. De raadsvrouw heeft niet onderbouwd dat de medische problematiek van de opgeëiste persoon zodanig specifiek of complex is dat de benodigde medische zorg in Polen niet kan worden geboden.
Oordeel van de rechtbank
De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 Handvest Pro voor veroordeelde gedetineerden in Polen die kampen met medische problemen. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over dergelijke gegevens. Nu geen sprake is van een algemeen gevaar, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het gestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer wordt verworpen.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Gdańsk, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (