ECLI:NL:RBAMS:2026:3036

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
13/266726-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentieomstandigheden in België

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen. De verdachte wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie, fraude, witwassen en vervalsing van documenten in het kader van grootschalige BTW-carrouselfraude.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende concreet was en dat de overlevering moest worden geweigerd vanwege de slechte detentieomstandigheden in België, met name in de gevangenis van Nieuw Dendermonde. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldoende specifiek was, met een duidelijke omschrijving van de betrokkenheid van de verdachte en de pleegperiode. Tevens werd de individuele detentiegarantie van België, waarin werd toegezegd dat de verdachte onder humane omstandigheden zal worden vastgehouden, als voldoende beoordeeld.

De rechtbank verwierp het verweer van de raadsman dat de detentiegarantie onvoldoende was, ondanks verwijzingen naar rapporten en nieuwsartikelen over slechte omstandigheden en personeelstekorten. De overlevering werd toegestaan en tevens werd de afgifte van in beslag genomen voorwerpen bevolen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan België toe en beveelt de afgifte van in beslag genomen goederen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/266726-25
Datum uitspraak: 17 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 oktober 2025 door een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] (Afghanistan),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 10 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.A.R. Newoor, advocaat in Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Zitting 5 maart 2026
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting , in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.A.R. Newoor.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een afzonderlijk bevel tot aanhouding bij verstek van 7 oktober 2025 met referentie OR kabinet 4 ref. 2025/149, dat is gegeven door een onderzoeksrechter.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

4.Genoegzaamheid

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB niet genoegzaam is. De genoemde pleegperiode vanaf 1 januari 2018 tot aan de datum van aanhouding is erg lang en algemeen. Daarnaast is de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten niet nader geconcretiseerd. Er wordt alleen melding gemaakt dat er aanwijzingen van schuld zijn en dat is onvoldoende. Er is ook geen enkele noodzaak om de opgeëiste persoon vast te zetten in België en vanuit hechtenis pas het gesprek aan te gaan. De opgeëiste persoon is bereid aan het onderzoek mee te werken; dat kan mogelijk ook via een verhoor op Nederlands grondgebied. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om nadere vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Het EAB moet worden gelezen in samenhang met het A-formulier en uit het A-formulier blijkt dat de rol van de opgeëiste persoon is omschreven als dader. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in deze zaak gekozen voor het uitvaardigen van een EAB in plaats van een Europees Opsporingsbevel (EOB). Het staat de uitvaardigende justitiële autoriteit vrij om die route te kiezen. De evenredigheid is getoetst door de rechter die het EAB heeft uitgevaardigd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Het EAB maakt melding van het bedrijf [bedrijf B.V.] dat sinds 2018 zou handelen in smartphones en elektronica. [bedrijf B.V.] zou deel uitmaken van een goed gestructureerde criminele organisatie, die gebruik maakt van vennootschappen in België en Nederland in het kader van grootschalig opgezette BTW carrouselfraude. Deze B.V. zou fungeren als doorstroomvennootschap. De opgeëiste persoon is tot op heden de bestuurder en vertegenwoordiger van [bedrijf B.V.] en beslist over de betalingen. Het A-formulier, dat gelezen wordt in samenhang met het EAB, vermeldt bij de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon “dader” en noemt als pleegperiode 1 januari 2018 tot en met 17 juni 2022.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een genoegzame omschrijving van de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht. Voldoende duidelijk is in welke mate de opgeëiste persoon hierbij betrokken zou zijn geweest. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB; het strafrechtelijk onderzoek loopt nog. De precieze gang van zaken met betrekking tot de feiten waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering wordt verzocht en is de naleving van het specialiteitsbeginsel voldoende gewaarborgd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gekozen om een EAB en niet een EOB uit te vaardigen. De rechtbank ziet in dit concrete geval geen taak voor zichzelf weggelegd om de dialoog met de uitvaardigende justitiële autoriteit aan te gaan over de vraag of met een minder vergaand middel dan een EAB kan worden volstaan.
Gelet op het vorenstaande wijst de rechtbank het verzoek om aanhouding dan ook af.

5.Strafbaarheid: feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven;
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België telkens een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De gedelegeerd Europese procureur in Brussel heeft op 9 februari 2026 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees Aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverd onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] /1984.
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland wordt overgebracht teneinde deze straf of maatregel aldaar te ondergaan.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [5]
Bij brief van 9 februari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Nieuw Dendermonde indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie het algemene gevaar van schending van grondrechten niet wegneemt. Vanwege de slechte detentieomstandigheden is het niet altijd meer mogelijk om de verstrekte garanties na te leven. De raadsman heeft daarbij verwezen naar een zaak met het parketnummer 13-320118-24 waarin de afgegeven detentiegarantie niet zou zijn nageleefd. Daarnaast heeft de raadsman verwezen naar het rapport van 29 november 2022 van
the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) en heeft hij meerdere stukken overgelegd, waaronder een e-mail van een Belgische advocaat, nieuwsartikelen en een brief van de Federale overheidsdienst Justitie. Ook heeft de raadsman verwezen naar uitspraken van de rechtbank van 3 en 10 februari 2026 over de gevangenis in Mechelen. [6] Uit het voorgaande volgt dat de detentieomstandigheden in alle gevangenissen penibel zijn en dat in de gevangenis in Nieuw Dendermonde sprake is van structurele personeelstekorten en overbevolking. Hierdoor loopt de opgeëiste persoon het risico dat hij in detentie in de gevangenis in Nieuw Dendermonde onmenselijk of vernederend zal worden behandeld. De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering daarom niet kan worden toegestaan. Subsidiair heeft hij verzocht om aanhouding van de zaak om nadere informatie over de omstandigheden in Nieuw Dendermonde op te vragen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de individuele detentiegarantie het algemene gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon wegneemt. De door de raadsman overgelegde stukken zijn geen objectieve, nauwkeurige, betrouwbare en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit geconcludeerd zou kunnen worden dat de individuele garantie niet kan worden nageleefd.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 9 februari 2026. [7] De rechtbank is, gelet op de daarin gedane toezeggingen van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
De verwijzing naar het rapport van het CPT uit 2022 leidt niet tot een ander oordeel. Het is namelijk juist naar aanleiding van dit rapport dat de rechtbank een algemeen gevaar heeft aangenomen. De overgelegde nieuwsartikelen leiden evenmin tot een ander oordeel. Deze gegevens bevestigen het eerder door deze rechtbank vastgestelde algemene gevaar dat gedetineerden in België worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling. Juist vanwege dat algemene gevaar vraagt de rechtbank, voordat de overlevering kan worden toegestaan, om een individuele detentiegarantie waarmee het algemene gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Het krantenartikel van 9 januari 2026 dat de raadsman heeft overgelegd, maakt melding van een bezettingsgraad van 106% in de gevangenis van Nieuw Dendermonde. De rechtbank is van oordeel dat de overbevolking in deze gevangenis niet zodanig hoog is, dat dit bij voorbaat twijfels oproept over de vraag of de verstrekte individuele detentiegarantie kan worden nageleefd. Daarnaast blijkt uit dit overgelegde krantenartikel niet dat de stakingen op structurele basis plaatsvinden. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet de rechtbank uitgaan van de informatie en de garanties die door de Belgische autoriteiten worden gegeven. De raadsman heeft niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat in het specifieke geval van de opgeëiste persoon de gegeven detentiegarantie niet meer zal kunnen worden nageleefd.
Artikel 11 OLW Pro staat niet aan overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en wijst het verzoek om aanhouding af.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
Hieruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7, 49 en 50 OLW.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan een onderzoeksrechter bij de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEVEELTde afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit, te weten:
- Apple Smartwatch (PL1700-2025399801-7072789)
- Goudkleurige iPhone (PL1700-2025399801-7072791)
- Grijze iPhone (PL1700-2025399801-7072805)
- Witte iPhone (PL1700-2025399801-7072798)
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.