ECLI:NL:RBAMS:2026:3040

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
13-000232-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29, tweede lid, OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Heropening onderzoek Europees aanhoudingsbevel wegens onduidelijkheid omzettingsbeslissing vrijheidsstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 februari 2026 een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Polen voor de overlevering van een opgeëiste persoon ter uitvoering van een vrijheidsstraf van 182 dagen. De straf was opgelegd als vervanging van een taakstraf die niet was uitgevoerd.

De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon geen adresinstructie had ondertekend en niet op de hoogte was van de omzettingsprocedure, terwijl de officier van justitie stelde dat de opgeëiste persoon wel degelijk op de hoogte was gesteld en onzorgvuldig had gehandeld door geen adreswijzigingen door te geven. De rechtbank constateerde dat de informatie onvoldoende was om te beoordelen of de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) van toepassing was op de omzettingsbeslissing van 14 juni 2019.

De rechtbank oordeelde dat het vonnis van 24 mei 2018 niet onder de weigeringsgrond viel omdat de opgeëiste persoon correct was gedagvaard. Voor de omzettingsbeslissing van 14 juni 2019 was echter onduidelijk of deze deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling en of de Poolse rechter beoordelingsbevoegdheid had gehad. Daarom werd het onderzoek heropend en de officier van justitie opgedragen nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende autoriteit over de kennis van de opgeëiste persoon omtrent de omzettingsprocedure.

De zaak wordt opnieuw op zitting gebracht uiterlijk 24 maart 2026, waarbij de opgeëiste persoon en een Poolse tolk worden opgeroepen. Tegen deze tussenuitsprak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank heropent het onderzoek en beveelt nadere vragen aan de Poolse autoriteiten over de omzettingsprocedure, met een nieuwe zitting uiterlijk 24 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-000232-26
Datum uitspraak: 12 maart 2026
TUSSENUITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 november 2025 door
the Circuit Court in Poznań (Sąd Okręgowy W Poznaniu),Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op 8 september 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [de penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E. Boskma, advocaat in Alkmaar, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
decision of 14 June 2019 of the Poznań – Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań (VIII Ko 965/19) with the order to impose a substitutive custodial sentence of 182 days for [de opgeëiste persoon] to replace the penalty of one year of restriction of liberty handed down in the judgment of 24 May 2018 of the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań (VIII K 343/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 182 dagen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van
the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznańvan 14 juni 2019.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

4.1
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat er geen aanleiding is om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro. De opgeëiste persoon verklaart immers dat hij geen adresinstructie heeft ondertekend. Het is aan de Poolse autoriteiten om aan te tonen dat de opgeëiste persoon daadwerkelijk heeft getekend voor het in ontvangst nemen van de adresinstructie. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon géén adres kunnen doorgeven aan de Poolse autoriteiten, omdat hij in Polen geen adres had en hij zich in Nederland niet kon inschrijven op het adres waar hij verbleef.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie is ten aanzien van het vonnis van 24 mei 2018 met kenmerk VIII K 343/18 sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Ten aanzien van de beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het in dit geval niet nodig is om nog informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit of de rechter in dit geval over beoordelingsruimte heeft beschikt omdat dit niet tot weigering van de overlevering kan leiden. Ten aanzien van de beslissing van 14 juni 2019 kan namelijk afgezien worden van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Uit de aanvullende informatie van 3 februari 2026 blijkt immers dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, welke gold tot en met de executie van de straf en waarbij hij ook op de hoogte is gesteld van het niet nakomen ervan. De opgeëiste persoon heeft vervolgens aan de Poolse autoriteiten geen adreswijzigingen doorgegeven. Daarmee heeft hij onzorgvuldig gehandeld dan wel stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten.
4.2
Oordeel van de rechtbank
Uit het EAB blijkt dat aan de opgeëiste persoon aanvankelijk bij vonnis van 24 mei 2018 met kenmerk VIII K 343/18 een straf van één jaar
restriction of libertyis opgelegd in de vorm van een taakstraf. Omdat de opgeëiste persoon geen contact heeft opgenomen met de reclassering en niet is gestart met deze taakstraf, is bij beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19 de omzetting van de taakstraf in een vervangende gevangenisstraf van 182 dagen bevolen.
4.2.1
Vonnis van 24 mei 2018 met kenmerk VIII K 343/18
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot deze beslissing heeft geleid.
In het EAB is in onderdeel D onder 1.a aangegeven dat de opgeëiste persoon op 2 mei 2018 in persoon is gedagvaard en daarbij is geïnformeerd over de datum en plaats van de procedure die heeft geleid tot het vonnis, alsmede dat een vonnis zou kunnen worden gewezen als hij niet in de procedure zou verschijnen. De rechtbank stelt daarom vast dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Dat betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is ten aanzien van dit vonnis.
4.2.2
Beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 23 maart 2023 volgt dat een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf, in beginsel geen beslissing vormt die valt onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [4] Daarnaast volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 9 oktober 2025 [5] (
Abbottly) dat van een beslissing inzake de tenuitvoerlegging of toepassing van een eerder uitgesproken vrijheidsstraf in ieder geval geen sprake is indien – kort gezegd – aan de betrokkene, ter vervanging van een vrijheidsbeperkende straf, een vrijheidsbenemende straf wordt opgelegd waartoe hij nog niet eerder, ook niet in voorwaardelijke zin, was veroordeeld en waarbij de rechter heeft beschikt over een beoordelingsbevoegdheid (om de vrijheidsbeperkende straf om te zetten in een vrijheidsbenemende straf).
Uit het EAB blijkt niet of de opgelegde vrijheidsstraf van 182 dagen bij niet uitvoeren van de taakstraf reeds deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling van 24 mei 2018 zodat bij de beslissing van 14 juni 2019 slechts sprake was van een “kale omzetting” waarbij de tenuitvoerlegging van de vervangende vrijheidsbenemende straf is bevolen.
Indien de vrijheidsbenemende straf deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling, dan is volgens het
Abbottly-arrest geen sprake van een wijziging van de aard of mate van de oorspronkelijk opgelegde straf. [6] De latere beslissing tot omzetting kan dan worden aangemerkt als een beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde vrijheidsstraf, welke niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro valt. Indien de vrijheidsbenemende straf geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling – en een nieuwe vrijheidsstraf is – dan moet ook worden bezien of de rechter beoordelingsbevoegdheid heeft gehad.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij zich onvoldoende voorgelicht acht om een beslissing te kunnen nemen over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro ten aanzien van de beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19.
Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de navolgende vragen ook nu nog relevant. De nu voorhanden informatie in het EAB en de aanvullende informatie van 3 februari 2026 en 23 februari 2026 is naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet voldoende om, veronderstellenderwijs ervan uitgaand dat de Poolse rechter over beoordelingsruimte heeft beschikt en de beslissing van 14 juni 2019 dus aan artikel 12 OLW Pro zou moeten worden getoetst, af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. In dit verband geldt dat uit die informatie wel blijkt dat de opgeëiste persoon op 22 maart 2018 een adresinstructie heeft ontvangen en dat die gold tot de executie van de straf maar daaruit blijkt niet dat hij op de hoogte was of moet zijn geweest van de (mogelijke) omzettingsprocedure. Uit de vermelding in de aanvullende informatie van 3 februari 2026, dat de reclasseringsambtenaar de opgeëiste persoon op de hoogte heeft gesteld van de omzetting van de vrijheidsbeperking in een vervangende gevangenisstraf van 182 dagen kan dit niet worden afgeleid, aangezien deze mededeling kennelijk ziet op de uitkomst van de omzettingsprocedure die dan al heeft plaatsgevonden.
De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek ter zitting te heropenen en de officier van justitie te verzoeken om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
1.
Kunt u aangeven of de vrijheidsbenemende straf van 182 dagen, die is opgelegd bij beslissing van the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19, reeds deel uitmaakte van de oorspronkelijke veroordeling waarbij de opgeëiste persoon bij vonnis van the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań van 24 mei 2018 met kenmerk VIII K 343/18 een vrijheidsbeperkende straf in de vorm van een taakstraf opgelegd heeft gekregen? Indien u vraag 1 ontkennend beantwoord, kunt u dan de volgende vragen beantwoorden?
2.
Heeft de rechter die de beslissing van the Poznań — Grunwald and Jeżyce District Court in Poznań van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19 heeft gewezen beoordelingsbevoegdheid genoten ten aanzien van de beslissing of de vrijheidsbeperkende straf werd omgezet in een vrijheidsbenemende straf?
3.
Heeft diezelfde rechter beoordelingsbevoegdheid genoten met betrekking tot het bepalen van de duur van de vrijheidsstraf?
Indien u vraag twee en/of drie bevestigend beantwoordt, kunt u dan nader toelichten of, en zo ja, hoe, de opgeëiste persoon op de hoogte was van de omzettingsprocedure die heeft geleid tot de beslissing van 14 juni 2019 met kenmerk VIII Ko 965/19, dan wel op de hoogte moet zijn geweest van de (mogelijke) omzettingsprocedure?

5.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en verbreking, terwijl het feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige
SCHORSINGvoor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de uitvaardigende justitiële autoriteit nader te bevragen zoals in paragraaf 4 is overwogen.
BEPAALTdat de zaak zo snel mogelijk, maar in ieder geval zeven dagen voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op
24 maart 2026, opnieuw op zitting wordt aangebracht.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de datum en tijdstip van de volgende zitting.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 9 oktober 2025, C-798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (
6.HvJ EU 9 oktober 2025, C798/23, ECLI:EU:C:2025:763 (