ECLI:NL:RBAMS:2026:3080

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/4966 & 25/5007
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet-naleving informatieplicht parkeerbelasting

Eiser kreeg twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd voor parkeren op 25 en 28 juni 2025 zonder betaling. De heffingsambtenaar handhaafde deze aanslagen na bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank behandelde het beroep op 27 februari 2026, waarbij eiser afwezig was.

De kern van het geschil betrof de vraag of de heffingsambtenaar voldoende had voldaan aan zijn informatieplicht om de parkeerbelasting kenbaar te maken. De rechtbank oordeelde dat het eerste parkeerzonebord zich op meer dan 100 meter afstand bevond en dat er ter plaatse geen zichtbare parkeerautomaten waren. De aanwezige automaten waren uitsluitend in een naastgelegen woonwijk gesitueerd, buiten het zicht en de rijroute van eiser.

De rechtbank stelde vast dat de onderzoeksplicht van eiser niet zo ver reikte dat hij buiten zijn zichtveld en rijroute moest zoeken naar parkeerautomaten. Bovendien was het parkeerzonebord inmiddels verplaatst naar een betere locatie, wat bevestigde dat de eerdere plaatsing onvoldoende duidelijk was. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en kreeg eiser het betaalde griffierecht terug. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht aan eiser moet vergoeden wegens niet-naleving van de informatieplicht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/4966 & 25/5007
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam.

Inleiding

1. Met de besluiten van 26 juni 2025 en 2 juli 2025 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een tweetal naheffingsaanslagen parkeerbelasting (de naheffingsaanslagen) opgelegd.
2. Met de uitspraken op bezwaar (de bestreden uitspraken) van 1 augustus 2025 en 4 augustus 2025 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar eiser ongegrond verklaard.
3. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De heffingsambtenaar is verschenen in de persoon van mr. H. Oderkerk.

Feiten en omstandigheden

5. De heffingsambtenaar heeft de naheffingsaanslagen aan eiser opgelegd omdat de auto met kenteken [kenteken] op 25 juni 2025 om 17:51 uur en op 28 juni 2025 om 10:11 uur geparkeerd stond op de [locatie] ter hoogte van [locatie] terwijl daarvoor geen parkeerbelasting was voldaan.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij zijn voertuig heeft geparkeerd buiten een parkeerzone. Eiser voert aan dat het eerste parkeerzonebord meer dan 100 meter voor hem was. Verder waren er geen parkeerautomaten in zicht. Inmiddels is het bord “begin parkeer zone” verplaatst naar de juiste plek, ruim voor de parkeerplek. Om die reden betwist eiser de rechtmatigheid van de opgelegde naheffingsaanslag.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak rust op de heffingsambtenaar de plicht om ter plaatse kenbaar te maken dat parkeerbelasting verschuldigd is (de informatieplicht). Van een parkeerder mag worden verwacht dat hij bij aanvang van het parkeren voldoende onderzoekt of parkeerbelasting verschuldigd is. [1] Uit de rechtspraak volgt ook dat de onderzoeksplicht inhoudt dat iemand zich vooraf informeert (door een geschikte website te raadplegen), dan wel op de parkeerlocatie moet nagaan of parkeerbelasting betaald moet worden. [2]
9.1.
Toegepast op het deze situatie oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht. Daarbij is van belang dat het eerste parkeerzonebord zich op een afstand van meer dan 100 meter voor eiser bevond, bezien vanuit zijn rijrichting, hetgeen door de heffingsambtenaar niet is betwist. Voorts waren er ter plaatse geen parkeerautomaten zichtbaar. Hoewel uit de overgelegde stukken blijkt dat zich in de omgeving parkeerautomaten bevinden, ziet de rechtbank dat deze automaten uitsluitend zijn gesitueerd in de naastgelegen woonwijk en niet langs de doorgaande weg waar eiser heeft gereden en geparkeerd. Gelet hierop strekte de onderzoeksplicht van eiser niet zover dat van hem verwacht mocht worden dat hij buiten zijn rijroute en zichtveld, in een naastgelegen woonwijk, zou nagaan of daar parkeerautomaten aanwezig zijn. Het oordeel van de rechtbank wordt versterkt door de omstandigheid dat niet in geschil is dat het parkeerzonebord inmiddels is verplaatst naar een locatie voorafgaand aan de betreffende parkeerplaats. Hieruit volgt ook dat de eerdere plaatsing van het bord kennelijk onvoldoende duidelijk was om de belastingplicht ter plaatse kenbaar te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht terug. Aangezien eiser in beide zaken griffierecht heeft betaald, heeft hij recht op € 106,-.
11. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 106,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. van der Maas, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 25 maart 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Gerechtshof Amsterdam 8 januari 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:90.
2.Gerechtshof Amsterdam 11 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1033.