Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3087

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
12037571 \ EA VERZ 25-1546
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 288 RvArt. 5.10 cao Kinderopvang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Leer-werkovereenkomst beëindigd door einde opleiding, loon over wachtdagen moet worden uitbetaald

In deze zaak stond centraal of de overeenkomst tussen verzoekster en verweerster kwalificeert als een arbeidsovereenkomst of een leer-werkovereenkomst, of het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd en of het loon over ingehouden wachtdagen terecht is ingehouden.

Verzoekster volgde een mbo-opleiding Pedagogisch Werk en was in dienst bij verweerster als pedagogisch medewerker in opleiding op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd. De opleiding eindigde voortijdig op 1 november 2025, waarna verweerster stelde dat de overeenkomst automatisch eindigde. Verzoekster stelde dat sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de beëindiging een onrechtmatig ontslag op staande voet was, met vorderingen tot schadevergoeding en loonbetaling.

De kantonrechter oordeelde dat de overeenkomst kwalificeert als een leer-werkovereenkomst, omdat de werkzaamheden vooral dienden ter voorbereiding op de opleiding en niet als productieve arbeid konden worden aangemerkt. Het dienstverband eindigde rechtsgeldig door het beëindigen van de opleiding, waardoor geen sprake was van ontslag op staande voet.

Wel werd geoordeeld dat de cao Kinderopvang voorschrijft dat zieke werknemers recht hebben op 100% loonbetaling gedurende de eerste zes maanden ziekte, waardoor het inhouden van loon over de wachtdagen onrechtmatig was. Verweerster werd veroordeeld tot uitbetaling van het ingehouden loon, vermeerderd met wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging. De overige vorderingen werden afgewezen.

Uitkomst: De leer-werkovereenkomst eindigde automatisch door het stoppen van de opleiding; loon over ingehouden wachtdagen moet worden uitbetaald met rente en wettelijke verhoging.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 12037571 \ EA VERZ 25-1546
Beschikking van 19 maart 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. A.J. Butter,
tegen
[verweerster] (handelend onder de naam [handelsnaam] ),
wonende te [woonplaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. A.P. Jhanjhan (ARAG).

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoekschrift met producties ingediend, ingekomen ter griffie op 30 december 2026. [verweerster] heeft geen verweerschrift ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Namens [verzoekster] is de gemachtigde verschenen. Namens [verweerster] is [naam] (directeur) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. De gemachtigde van [verweerster] heeft voorafgaand aan de zitting spreekaantekeningen overgelegd, die op de zitting zijn behandeld. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die in het dossier zijn gevoegd.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op 1 mei 2025 is [verzoekster] gestart met de mbo-opleiding Pedagogisch Werk aan het ROC Midden Nederland (hierna: de school), voor het behalen van het certificaat ‘Pedagogisch klimaat in de kinderopvang’. Op het bewijs van inschrijving is als einddatum van de opleiding 10 november 2025 vermeld.
2.2.
[verzoekster] is in het kader van haar opleiding op 1 mei 2025 in dienst getreden van [verweerster] in de functie van pedagogisch medewerker in opleiding (BBL) op basis van een overeenkomst voor bepaalde tijd (hierna: de overeenkomst). Boven deze overeenkomst staat: “
Leer-arbeidsovereenkomst bepaalde tijd”.
2.3.
In de overeenkomst staat dat deze van rechtswege eindigt op 31 december 2025. Daarnaast staat vermeld dat [verzoekster] een aanstelling had voor 27 uur per week, tegen een loon van € 2.031,75 bruto per maand.
Verder staat in artikel 5 van Pro de overeenkomst voor zover relevant: “
Op het moment dat de Beroeps Praktijk Overeenkomst voortijdig door leerling, dan wel school (al dan niet in overleg met of aangeven van werkgever) wordt beëindigd, eindigt de onderhavige overeenkomst per dezelfde datum.
In artikel 19 van Pro de overeenkomst is bepaald dat de werknemer per ziekteperiode de eerste twee dagen van de ziekte geen recht heeft op loon (zogeheten wachtdagen).
Op de overeenkomst is de cao Kinderopvang (hierna: de cao) van toepassing verklaard.
2.4.
[verzoekster] , [verweerster] en de school hebben een praktijkovereenkomst gesloten, gedateerd op 12 mei 2025. In deze overeenkomst wordt [verweerster] het leerbedrijf genoemd. Verder staat in de praktijkovereenkomst onder meer dat de praktijk ingaat op 1 mei 2025 en eindigt op 10 november 2025.
2.5.
[verzoekster] heeft zich op 17 september 2025 ziekgemeld. [verweerster] heeft daarom twee ‘wachtdagen’ (in totaal € 320,42 bruto) op het loon van [verzoekster] ingehouden.
2.6.
De school heeft met de e-mail van 6 november 2025, voor zover relevant, het volgende aan [verzoekster] geschreven: “
Gezien het feit dat er nog weinig tot geen scholing heeft plaatsgevonden en geen werkprocessen zijn geëxamineerd is er in overleg besloten je per direct uit te schrijven en geen factuur toe te sturen.
2.7.
[verweerster] heeft bij e-mail en bij brief van 12 november 2025 aan [verzoekster] medegedeeld dat, vanwege de beëindiging van de opleiding bij de school, de overeenkomst van rechtswege per 1 november 2025 is beëindigd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekster] verzoekt, samengevat, een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen een arbeidsovereenkomst is en [verweerster] te veroordelen tot betaling van:
€ 4.727,84 bruto aan gefixeerde schadevergoeding,
€ 2.500,- bruto aan billijke vergoeding,
€ 320,42 bruto aan ingehouden wachtdagen, met 50% wettelijke verhoging,
e wettelijke rente over de onder a. tot en met c. gevorderde bedragen,
de kosten van deze procedure.
3.2.
[verzoekster] legt aan haar verzoek ten grondslag dat zij geen begeleiding heeft gekregen, steeds met het minimum vereiste aantal medewerkers (inclusief [verzoekster] ) op de groep stond en geen opleidingsactiviteiten heeft verricht. Daarom kwalificeert de overeenkomst niet als leer-werkovereenkomst, maar als arbeidsovereenkomst. De opzegging moet worden gezien als een ontslag op staande voet met terugwerkende kracht, maar er is geen dringende reden en opzegging met terugwerkende kracht is niet mogelijk. [verweerster] moet daarom vergoedingen aan [verzoekster] betalen. Daarnaast heeft [verweerster] twee wachtdagen ingehouden toen [verzoekster] zich ziekmeldde. En dat is op grond van de cao niet toegestaan, aldus steeds [verzoekster] .
3.3.
[verweerster] voert verweer. Het dienstverband is niet geëindigd door een ontslag op staande voet, maar doordat de opleiding – op initiatief van [verzoekster] – op 1 november 2025 is geëindigd. Verder betwist [verweerster] dat [verzoekster] zelfstandig werkte. [verzoekster] is steeds begeleid door een pedagogische medewerker en zij mag niet zelfstandig worden ingezet zolang zij haar opleiding niet heeft afgerond. Daarnaast blijkt uit meerdere verslagen dat er wel opleidingsactiviteiten zijn verricht. De twee wachtdagen mochten ingehouden worden omdat de cao geen uitputtende regeling is, zo stelt [verweerster] .

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst of een leer-werkovereenkomst. Daarnaast gaat het om de vraag of het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd en of [verweerster] het loon over de wachtdagen mocht inhouden. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een leer-werkovereenkomst en dat het dienstverband door het beëindigen van de opleiding automatisch is geëindigd. [verweerster] hoeft daarom de verzochte vergoedingen niet te betalen. Het loon over de ingehouden wachtdagen moet zij wel uitbetalen. Dat wordt hierna uitgelegd.
Kwalificatie van de overeenkomst
4.2.
Een overeenkomst moet als arbeidsovereenkomst aangemerkt worden als is voldaan aan de elementen ‘loon’, ‘gezag’ en ‘arbeid’ (artikel 7:610 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)). Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval en de manier waarop partijen invulling hebben gegeven aan de overeenkomst. Voor de kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat sprake was van loon en gezag, zodat alleen nog beoordeeld hoeft te worden of sprake was van het element ‘arbeid’. Om te bepalen of dat zo is moet beoordeeld worden of de werkzaamheden die [verzoekster] heeft verricht in overwegende mate in het belang waren van de voltooiing van de opleiding die zij volgde. Daarvoor is relevant of de werkzaamheden vooral bedoeld waren om de eigen kennis en ervaring van [verzoekster] te vergroten – stage lopen – of dat er sprake is van reële arbeid met een productieve arbeidsprestatie van [verzoekster] (Hoge Raad 9 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2015:3019 (
Logidex)). Het is hierbij aan [verzoekster] om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat sprake was van een productieve arbeidsprestatie.
4.4.
Tussen partijen staat vast dat [verzoekster] , als pedagogisch medewerker in opleiding, de overeenkomst met [verweerster] heeft gesloten om haar opleiding tot pedagogisch medewerker te kunnen voltooien. Het leeraspect van de overeenkomst blijkt ook uit de door partijen met de school gesloten praktijkovereenkomst. Dat de overeenkomst in de praktijk anders is uitgevoerd, doordat [verzoekster] alleen heeft gewerkt en niet heeft geleerd, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden vastgesteld. [verweerster] heeft namelijk ter zitting verklaard dat [verzoekster] een praktijkbegeleider en een examinator had en dat zij nooit alleen op de locatie is geweest. Dat heeft [verzoekster] niet betwist. Dat [verzoekster] soms slechts met één andere collega is geweest, komt volgens [verweerster] doordat het aantal medewerkers dat aanwezig is wordt bepaald aan de hand van het aantal aanwezige kinderen. Bovendien mag [verzoekster] pas zelfstandig als pedagogisch medewerker werken als zij haar opleiding heeft afgerond. Verder blijkt uit de door [verweerster] overgelegde terugkoppelingen van de school dat de werkzaamheden bij [verweerster] dienden ter voorbereiding op de examens. Uit die terugkoppelingen blijkt daarnaast dat [verzoekster] literatuur heeft aangeschaft en gelezen, wat wijst op scholing.
4.5.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerster] had het op de weg van [verzoekster] gelegen om verder te onderbouwen dat zij een productieve arbeidsprestatie heeft verricht. Dat heeft zij naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gedaan, waardoor niet kan worden vastgesteld dat sprake was van het element ‘arbeid’. Dat de opleiding volgens de praktijkovereenkomst al vóór het einde van de overeenkomst zou eindigen maakt dat, anders dan [verzoekster] betoogt, niet anders. [verweerster] heeft ter zitting namelijk toegelicht dat de reden daarvoor is dat leerlingen vaak langer over de opleiding doen. Door de overeenkomst later te laten eindigen, wil [verweerster] voorkomen dat zij steeds nieuwe overeenkomsten moet sluiten. Ook de omstandigheid dat de school bij e-mail van 6 november 2025 heeft verklaard dat er weinig tot geen scholing heeft plaatsgevonden en geen werkprocessen zijn geëxamineerd, maakt de overeenkomst nog geen arbeidsovereenkomst. Uit het voorgaande is namelijk gebleken dat de werkzaamheden die [verzoekster] voor [verweerster] heeft verricht bedoeld waren ter voorbereiding op de examens. Dat [verzoekster] die examens nooit heeft gemaakt, maakt niet dat plotseling sprake is van een arbeidsovereenkomst.
4.6.
De overeenkomst kwalificeert dan ook als een leer-werkovereenkomst (hierna: de leer-werkovereenkomst). Niet als een arbeidsovereenkomst. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
Het einde van de leer-werkovereenkomst
4.7.
Ten aanzien van het eindigen van de leer-werkovereenkomst oordeelt de kantonrechter dat die per 1 november 2025 van rechtswege is geëindigd. [verzoekster] heeft niet betwist dat zij per 1 november 2025, op haar initiatief, is gestopt met de opleiding. Door het eindigen van de opleiding is de ontbindende voorwaarde uit de leer-werkovereenkomst ingetreden. En daardoor is de leer-werkovereenkomst automatisch geëindigd. Dat de leer-werkovereenkomst eindigt op de datum waarop de opleiding eindigt volgt ook uit artikel 8.6.1 sub d van de cao. Van een (onterecht) ontslag op staande voet is dan ook geen sprake.
4.8.
Uit het voorgaande volgt dat [verweerster] de leer-werkovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd. Omdat [verweerster] niet in strijd met de wet heeft opgezegd, hoeft zij geen gefixeerde schadevergoeding of billijke vergoeding aan [verzoekster] te betalen. Die vorderingen worden afgewezen.
Wachtdagen
4.9.
[verweerster] moet wel het ingehouden loon over de wachtdagen aan [verzoekster] betalen. In de cao is namelijk bepaald dat zieke werknemers tijdens de eerste zes maanden recht hebben op 100% doorbetaling van hun loon (artikel 5.10 lid 1 cao). En de cao heeft een standaardkarakter (artikel 1.6 cao), waardoor niet afgeweken mag worden van de bepalingen in de cao als dat niet specifiek in die bepalingen staat. Dit laatste betwist [verweerster] ook niet langer. Hoewel in de leer-werkovereenkomst is bepaald dat [verweerster] de eerste twee ziektedagen geen loon hoeft te betalen, had [verweerster] het loon over die dagen dus niet mogen inhouden. [verweerster] moet het ingehouden bedrag van in totaal € 320,42 bruto daarom alsnog aan [verzoekster] uitbetalen. Die vordering wordt dan ook toegewezen.
4.10.
Omdat [verweerster] het loon over de eerste twee ziektedagen te laat heeft betaald wordt ook de gevorderde wettelijke verhoging toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding om het maximum van de verhoging te matigen tot 25%.
4.11.
Ook de gevorderde wettelijke rente over het ingehouden loon en de wettelijke verhoging wordt toegewezen. [verweerster] heeft het loon namelijk te laat betaald en is daarom automatisch in verzuim getreden. De rente wordt toegewezen vanaf de dag van opeisbaarheid.
Proceskosten
4.12.
[verzoekster] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verweerster] worden begroot op: € 649,- bestaande uit het salaris van de gemachtigde (€ 577,-) en nakosten (€ 72,-).
Uitvoerbaar bij voorraad
4.13.
Het belang van [verzoekster] om uitbetaling van haar loon te verkrijgen weegt naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder dan het belang van [verweerster] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten. Datzelfde geldt andersom voor de betaling van de proceskosten. De kantonrechter verklaart deze beschikking dan ook ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad (artikel 288 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).

5.De beslissing

De kantonrechter
4.14.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen € 320,42 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro tot een maximum van 25%, vanaf de dag van opeisbaarheid totdat het bedrag is voldaan,
4.15.
veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het onder 5.1. genoemde bedrag, vanaf de dag van opeisbaarheid totdat het bedrag is voldaan,
4.16.
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten, aan de zijde van [verweerster] begroot op € 649,-, eventueel te vermeerderen met de kosten van betekening, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.17.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
4.18.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 19 maart 2026.
64183