ECLI:NL:RBAMS:2026:3114

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
11888628 \ CV EXPL 25-12939
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • G.J. Boeve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:611a BWArt. 7:625 BWArt. 7:632 lid 2 BWArt. 6:96 lid 2 sub c BWArt. 6:96 lid 6 BW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing studiekostenbeding bij beëindiging arbeidsovereenkomst assistent accountant

De werknemer, een ervaren assistent accountant, beëindigde zijn arbeidsovereenkomst bij Borrie Accountants. Borrie vorderde terugbetaling van studiekosten, waaronder overgenomen kosten van de vorige werkgever, en leaseautokosten. De werknemer stelde dat de RA-opleiding noodzakelijke scholing was, waardoor het studiekostenbeding nietig zou zijn, en betwistte de leaseautokosten.

De rechtbank oordeelde dat de RA-opleiding geen noodzakelijke scholing was voor de functie van ervaren assistent accountant, zodat het studiekostenbeding niet nietig was. Wel was het beding onvoldoende evenredig en onduidelijk over de verrekening van overgenomen studiekosten, waardoor de terugvordering slechts gedeeltelijk werd toegewezen. De vordering tot betaling van leaseautokosten werd afgewezen wegens gebrek aan grondslag en de incassokosten werden afgewezen vanwege het ontbreken van een veertiendagenbrief.

De rechtbank veroordeelde de werknemer tot betaling van een bedrag van €4.143,42 aan studiekosten, vermeerderd met wettelijke rente, en compenseerde de proceskosten tussen partijen, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Gedeeltelijke toewijzing van studiekosten terugvordering, afwijzing leaseautokosten en incassokosten, met compensatie van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11888628 \ CV EXPL 25-12939
Vonnis van 20 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
BORRIE ACCOUNTANTS B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Borrie,
gemachtigden: mr. N.C. Six en mr. M. Dubbeldam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Degelink.

1.Zaak in het kort

[gedaagde] heeft zijn arbeidsovereenkomst met Borrie opgezegd. Borrie vordert onder andere terugbetaling van voor [gedaagde] gemaakte studiekosten, voor zover die niet zijn verrekend met zijn laatste loon. [gedaagde] voert onder meer aan dat hij noodzakelijke scholing volgde en dat daarmee sprake is van een nietig studiekostenbeding. Bij wijze van tegeneis vordert hij daarom onder andere betaling van het verrekende loon en van het ingehouden loon over studiedagen. Het studiekostenbeding is niet nietig. Evenwel worden de door Borrie gevorderde studiekosten slechts gedeeltelijk toegewezen. Enerzijds omdat het studiekostenbeding onvoldoende rekening houdt met de mate waarin Borrie baat heeft gehad bij de door [gedaagde] tijdens zijn studie verworven kennis en vaardigheden. Anderzijds omdat in het studiekostenbeding onvoldoende duidelijk is uiteengezet dat met de overname van de studieschuld van de vorige werkgever van [gedaagde] de termijn waarop die overgenomen kosten verminderden, opnieuw zou aanvangen. De verder door Borrie gevorderde betaling van resterende leasetermijnen wordt wegens gebrek aan grondslag afgewezen. De door haar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen, omdat de vereiste veertiendagenbrief ontbreekt. Aangezien partijen over en weer (op onderdelen) in het ongelijk zijn gesteld, moet iedere partij de eigen kosten dragen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 20 producties van 9 september 2025;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie met 8 producties;
- het tussenvonnis van 4 november 2025;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 21-23;
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling van 20 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, zijn partijen en hun gemachtigden verschenen. Voor Borrie is tevens verschenen een van haar partners, de heer [naam 1] . Voor [gedaagde] is tevens verschenen zijn vader, de heer [naam 2] . De gemachtigden van Borrie hebben spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd en de gemachtigde van [gedaagde] heeft een pleitnotitie voorgedragen en overgelegd. Allen hebben de zaak verder toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] (geboortejaar 1999) heeft zijn middelbare school afgerond met een vwo-diploma. Op 1 mei 2020 is hij in dienst gekomen van CROP registeraccountants (hierna: CROP) in de functie van
junior staff assurance. [gedaagde] kreeg de beschikking over een leaseauto. Verder is hij op 1 september 2020 gestart met de duale opleiding
Bachelor of Science in Accountancyaan Nyenrode Business Universiteit, als onderdeel van zijn opleiding tot registeraccountant (hierna: RA-opleiding). Het duale karakter van deze opleiding hield onder andere in dat [gedaagde] onderwijs volgde en werkte. In het algemeen volgde [gedaagde] in iedere onderwijsweek één dag onderwijs en werkte hij de overige dagen bij CROP. De arbeidsovereenkomst met CROP bevatte een studiekostenbeding, op basis waarvan [gedaagde] bij beëindiging van die overeenkomst gehouden kon zijn de door CROP gemaakte en vergoede studiekosten aan haar terug te betalen met inachtneming van de volgende staffel:

Gemaakte studiekosten werknemer:
Terugbetaling aan werkgever:
 1 tot en met 12 maanden voor de ontslagdatum
Volledig
 13 tot en met 24 maanden voor de ontslagdatum
Voor 2/3 deel
 25 tot en met 36 maanden voor de ontslagdatum
Voor 1/3 deel;”
3.2.
Borrie heeft [gedaagde] in 2023 benaderd en hem gevraagd of hij bij haar in dienst wilde komen. Borrie heeft hem toen aangeboden dat zij de studieschuld bij CROP en de leaseauto van CROP zou overnemen. [gedaagde] zou zijn duale opleiding voortzetten. [gedaagde] is op dit aanbod ingegaan.
3.3.
Bij aanbiedingsbrief van 22 september 2023 heeft Borrie onder meer aan [gedaagde] bevestigd dat zij aan hem een leaseauto ter beschikking zou stellen overeenkomstig hoofdstuk 10 van de bij die brief gevoegde Algemene arbeidsvoorwaarden voor het personeel werkzaam bij Borrie (hierna: de algemene arbeidsvoorwaarden). Tevens staat in die brief dat zij bereid is zijn studieschuld aan zijn vorige werkgever te vergoeden en dat hierop de terugbetalingsregeling van toepassing is zoals die is opgenomen in de eveneens bij die brief gevoegde studiekostenovereenkomst. [gedaagde] heeft deze brief voor akkoord ondertekend.
3.4.
Eveneens op 22 september 2023 hebben partijen een arbeidsovereenkomst ondertekend, op basis waarvan [gedaagde] per 1 november 2023 voor onbepaalde tijd in dienst zou komen bij Borrie in de functie van ervaren assistent accountant. In de functiebeschrijving hiervan staat onder andere dat deze functie een doorgroeifunctie betreft, maar dat deze functie ook gezien kan worden als een eindfunctie. Tevens staat daarin bij opleiding vermeld: ‘HBO AC/WO AC of Nyenrode’.
3.5.
Op de arbeidsovereenkomst zijn de algemene arbeidsvoorwaarden van toepassing. In deze voorwaarden is onder andere bepaald:

Hoofdstuk 10
REGELING MET BETREKKING TOT (LEASE)AUTO’S EN HIERMEE VERBONDEN KOSTEN
(…)
7. Tussentijdse beëindiging leaseovereenkomst
Bij beëindiging van de dienstbetrekking met een nog lopend leasecontract zal het leasecontract door de vertrekkende werknemer (of door zijn nieuwe werkgever) moeten worden overgenomen c.q. de door de leasemaatschappij aan werkgever in rekening te brengen beëindigingsvergoeding van het leasecontract moeten voldoen aan Borrie.”
3.6.
Eveneens op 22 september 2023 hebben partijen een zogenoemde ‘
STUDIEKOSTENOVEREENKOMST betreft: RA opleiding aan de Universiteit Nyenrode’ ondertekend. Daarin is onder andere bepaald:
“[partijen] verklaren, in overeenstemming met hoofdstuk 7, studiekostenregeling, van de Algemene Arbeidsvoorwaarden, te zijn overeengekomen als volgt:
Artikel 1 Vergoeding Pro studiekosten
1.1
Werkgever is bereid om de studieschuld aan de vorige werkgever van werknemer te vergoeden. Deze vergoeding zal plaatsvinden tegen overlegging van een factuur.
1.2
Studiekosten zullen door de werkgever worden vergoed tegen overlegging van facturen en betalingsbewijzen.
Onder studiekosten wordt verstaan inschrijf-, college- en examengelden alsmede de aanschaf van verplichte studieboeken.
(…)
Artikel 2 Gedeeltelijke Pro aanpassing van het salaris
Onder door de werkgever te bepalen voorwaarden kan aan de werknemer verlof worden toegestaan tot het volgen van lessen tijdens werktijden. (…)
Een (gedeeltelijke) aanpassing van het salaris zal deel uitmaken van die voorwaarden.
Gedurende de periode dat de werknemer verplichte colleges volgt aan de Universiteit Nyenrode, zal op het salaris een korting worden toegepast van 7%.
(…)
Artikel 6 Terugbetalingsregeling
  • Indien de studie op verzoek van de werknemer wordt gestopt zonder dat de volledige studie met succes is afgerond (…): de volledige door de werkgever voor die studie betaalde kosten.
  • Indien het dienstverband wordt beëindigd binnen 12 maanden na betaling door de werkgever van de voor vergoeding in aanmerking genomen kosten: de volledige door de werkgever binnen twaalf maanden voor het einde van het dienstverband voor die studie betaalde kosten.
  • Indien het dienstverband wordt beëindigd binnen 24 maanden na betaling door de werkgever van de voor vergoeding in aanmerking genomen kosten: twee/derde deel van de door de werkgever binnen vierentwintig maanden voor het einde van het dienstverband voor die studie betaalde kosten.
  • Indien het dienstverband wordt beëindigd binnen 36 maanden na betaling door de werkgever van de voor vergoeding in aanmerking genomen kosten: één/derde deel van de door de werkgever binnen zesendertig maanden voor het einde van het dienstverband voor die studie betaalde kosten.
Terugbetaling op grond van deze regeling geschiedt voor zover mogelijk middels verrekening met het laatst uit te betalen salaris en voor een eventueel restant door werknemer binnen 1 kalendermaand na beëindiging van het dienstverband.
Deze studiekostenovereenkomst maakt onderdeel uit van de per 1 november 2023 afgesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.”
3.7.
Bij e-mail van 12 oktober 2023 heeft [gedaagde] een overzicht van zijn studieschuld aan CROP met Borrie gedeeld. Uit dit overzicht blijkt dat deze studieschuld € 15.629,42 bedraagt. Tevens blijkt daaruit dat de door CROP voor [gedaagde] gemaakte studiekosten in de periode van 4 december 2020 tot en met 27 oktober 2021 voor 1/3 deel zijn doorbelast, in de periode van 1 december 2021 tot en met 24 oktober 2022 voor 2/3 deel zijn doorbelast en in de periode van 16 december 2022 tot en met 4 september 2023 voor 3/3 delen (volledig) zijn doorbelast aan [gedaagde] . Borrie heeft deze factuur betaald.
3.8.
Borrie heeft de leaseauto waarover [gedaagde] bij CROP beschikte eveneens overgenomen. Het leasecontract had een oorspronkelijke einddatum in juli 2025. Borrie heeft het leasecontract met twee jaren verlengd. Daarvan was [gedaagde] niet op de hoogte.
3.9.
[gedaagde] heeft op 7 januari 2025 zijn diploma WO Bachelor Accountancy aan Nyenrode behaald.
3.10.
Bij e-mail van 26 februari 2025 aan Borrie heeft [gedaagde] bevestigd dat hij zijn arbeidsovereenkomst heeft opgezegd per 1 april 2025, omdat hij een opleiding tot piloot zou gaan volgen.
3.11.
Bij brief van 6 maart 2025 heeft Borrie aan [gedaagde] de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst bevestigd en aanspraak gemaakt op onder meer terugbetaling van de door haar voor hem gemaakte studiekosten, die in die brief zijn begroot op een totaal van
€ 17.294,05. Blijkens het daarbij gevoegde overzicht zijn onderdeel van dit totaalbedrag de door Borrie aan CROP betaalde studiekosten. In dit overzicht staat dat Borrie dit bedrag op 31 oktober 2023 aan CROP heeft betaald. Deze overgenomen studiekosten zijn daarin voor 66,67% doorbelast aan [gedaagde] . Dat is volgens het overzicht gelijk aan een bedrag van € 10.419,33. Verder zijn in dat overzicht opgenomen de door Borrie voor [gedaagde] rechtstreeks aan Nyenrode betaalde studiekosten en een door Borrie aan [gedaagde] betaalde declaratie van studieboeken. Voor zover de betaaldatum daarvan volgens het overzicht ligt in de periode van 30 november 2023 tot en met 1 maart 2024, zijn deze kosten voor 66,67% doorbelast aan [gedaagde] . Voor zover de betaaldatum volgens het overzicht ligt in de periode van 15 mei 2024 tot en met 15 september 2024, zijn deze kosten voor 100% aan [gedaagde] doorbelast.
3.12.
In voornoemde bevestiging van Borrie van de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt verder ten aanzien van de leaseauto verwezen naar de algemene arbeidsvoorwaarden en opgemerkt:
“Indien het leasecontract niet wordt overgenomen dan zal de door de leasemaatschappij aan ons in rekening te brengen beëindigingsvergoeding voor zover mogelijk worden verrekend met het laatst uit te betalen salaris (…).”
3.13.
Bij brief van 29 april 2025 heeft Borrie de eindafrekening van het dienstverband aan [gedaagde] gestuurd. Daarin staat onder meer:
“Thans staat er aan studieschuld nog een bedrag open ad € 14.162,36, te specificeren als volgt:
(…) studieschuld € 17.294,05
Af: verrekening salaris maart 2025 € 3.057,21
Af: verrekening eindafrekening [niet genoten vrije dagen] € 74,48
(…)
Restantbedrag studieschuld € 14.162,36
Daarnaast staat er aan autokosten nog een bedragen open ad € 1.798,86, zijnde doorbelasting van de kale leaseprijs per maand ad € 599,62 tot 1 juli 2025.
In totaal staat er derhalve een bedrag open ad € 15.961,22, te specificeren als volgt:
Restantbedrag studieschuld: € 14.162,36
Autokosten: € 1.798,86
Totaal openstaande schuld € 15.961,22
3.14.
Na daartoe strekkend bericht van [gedaagde] , heeft Borrie over de maand maart 2025 alsnog aan [gedaagde] het voor hem geldende minimumloon van € 1.350,76 netto betaald, gelet op het bepaalde in artikel 7:632 lid 2 BW Pro. Bij brief van 15 mei 2025 heeft Borrie haar vordering in verband met de studieschuld met dit bedrag verhoogd tot € 15.513,12.
3.15.
Bij e-mail van 30 juni 2025 heeft Borrie toegegeven dat de kale leaseprijs € 581,45 bedroeg en haar vordering in verband met de autokosten verlaagd tot € 1.744,35. Borrie sommeerde [gedaagde] in deze e-mail tot betaling van het totaalbedrag van € 17.257,47 op uiterlijk 4 juli 2025.
3.16.
Bij e-mail van 3 juli 2025 heeft [gedaagde] aan Borrie laten weten dat hij zijn aanvankelijke aanbod om de studiekosten met een afbetalingsregeling te betalen introk en dat hij zich in de te starten gerechtelijke procedure op het standpunt zal stellen dat sprake was van een verplichte beroepsopleiding, waardoor het studiekostenbeding nietig is. Verder heeft hij opgemerkt niet bereid te zijn de autokosten te betalen, omdat zijn situatie niet in de algemene arbeidsvoorwaarden is geregeld. Daarnaast maakte hij aanspraak op (terug)betaling van het bedrag aan studiekosten dat op zijn loon is ingehouden.

4.Het geschil

in conventie
4.1.
Samenvattend vordert Borrie dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van € 15.513,12 aan studiekosten, € 1.744,35 aan leaseautokosten, € 947,57 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, deze bedragen te vermeerderen met rente.
4.2.
Volgens Borrie is [gedaagde] op grond van het studiekostenbeding gehouden tot terugbetaling van de studiekosten. Bij de berekening van de hoogte daarvan is rekening gehouden met de in dat beding opgenomen staffel. Ten aanzien van de autokosten heeft Borrie aangevoerd dat zij het niet redelijk acht om [gedaagde] aan het verlengde leasecontract te houden. Voor de berekening van de volgens Borrie verschuldigde beëindigingsvergoeding als bedoeld in artikel 7 van Pro hoofdstuk 10 van de algemene arbeidsvoorwaarden sluit zij daarom aan bij de resterende looptijd van het oorspronkelijke leasecontract na de beëindigingsdatum van de arbeidsovereenkomst. Dit komt volgens Borrie neer op drie leasetermijnen van elk € 581,45 per maand. De door haar gesteld gemaakte buitengerechtelijke incassokosten heeft Borrie gevorderd op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro en begroot overeenkomstig het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Als de in het ongelijk te stellen partij moet [gedaagde] volgens Borrie de proceskosten betalen.
4.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Borrie, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Borrie in de proceskosten. [gedaagde] stelt dat het studiekostenbeding nietig is op grond van artikel 7:611a lid 4 BW. Voor zover dit beding niet nietig is op deze grondslag, is het volgens [gedaagde] nietig omdat het niet aan de vereisten voldoet waaraan een studiekostenbeding volgens rechtspraak moet voldoen. In dit verband heeft [gedaagde] onder meer aangevoerd dat het studiekostenbeding geen duidelijke tijdspanne vaststelt waarin Borrie baat heeft (gehad) bij de door hem gevolgde opleiding, evenredig waaraan zijn terugbetalingsverplichting afneemt. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat hem onvoldoende inzichtelijk was welke financiële consequenties aan de studie verbonden zijn. Ten aanzien van de autokosten betwist [gedaagde] dat daarvoor een (contractuele) grondslag bestaat.
in reconventie
4.4.
Samenvattend vordert [gedaagde] dat Borrie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van i) het bij wijze van verrekening ingehouden loon over maart 2025, ii) het ingehouden loon wegens het volgen van lessen tijdens werktijden, iii) de wettelijke verhoging van 50% over deze inhoudingen, al deze bedragen te vermeerderen met rente, en iv) de proceskosten.
4.5.
Primair legt [gedaagde] aan zijn vorderingen ten grondslag dat het studiekostenbeding en het beding dat betrekking heeft op de gedeeltelijke aanpassing van zijn salaris (artikel 2 studieovereenkomst Pro) nietig zijn op grond van artikel 7:611a lid 4 BW, omdat zijn opleiding noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn functie als bedoeld in het eerste lid van dit wetsartikel, zodat deze scholing op grond van het tweede lid van dat wetsartikel kosteloos aan hem had moeten worden aangeboden door Borrie én wordt beschouwd als arbeidstijd. Daarom is volgens [gedaagde] ten onrechte loon verrekend en ingehouden in verband met het volgen van zijn opleiding. Wegens de daarmee ontstane vertraging in de betaling van dit loon vordert [gedaagde] de verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW Pro. Subsidiair legt [gedaagde] aan zijn vordering tot betaling van het verrekende loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en rente, ten grondslag dat het studiekostenbeding nietig is, omdat het niet aan de vereisten voldoet waaraan dit beding volgens rechtspraak moet voldoen. Als de in het ongelijk te stellen partij moet Borrie volgens [gedaagde] de proceskosten betalen.
4.6.
Borrie concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure, omdat er volgens haar geen sprake is van noodzakelijke scholing of een nietig studiekostenbeding.

5.De beoordeling in conventie en in reconventie

Studiekosten
Geen noodzakelijke scholing
5.1.
De eerste vraag die in conventie en reconventie beantwoording behoeft is of sprake is van scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie, zoals bedoeld in artikel 7:611a lid 1 BW. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord.
5.2.
Uitgangspunt tussen partijen is dat [gedaagde] de RA-opleiding volgde en dat dit de voor deze beoordeling relevante scholing is. Verder staat vast dat [gedaagde] voor onbepaalde tijd in dienst was gekomen in de functie van ervaren assistent accountant. Dit was de functie die hij (aanvankelijk) uitoefende (na verloop van tijd is hij doorgegroeid naar de functie van zelfstandig assistent accountant). Voor de uitoefening van deze functie was niet noodzakelijk dat [gedaagde] over een afgeronde RA-opleiding beschikte. Tussen partijen is immers niet in geschil dat [gedaagde] in deze functie is aangenomen met zijn vwo-diploma en dat die functie ook een eindfunctie kan zijn. Weliswaar staat in de beschrijving van de functie van ervaren assistent accountant als opleiding genoemd ‘HBO AC/WO AC of Nyenrode’, maar Borrie heeft toegelicht dat dit een gewenste opleiding is en dat meerdere van haar medewerkers die functie (blijven) uitoefenen zonder die opleiding te volgen, al dan niet nadat zij voortijdig met die opleiding zijn gestopt. [gedaagde] heeft dit onvoldoende betwist, zodat aan zijn stelling dat hij niet langer in dienst van Borrie zou kunnen blijven als hij zijn opleiding niet succesvol doorliep, voorbij wordt gegaan. Uit zijn arbeids- en studieovereenkomst volgt die consequentie ook niet. Daarbij komt dat in door Borrie overgelegde functiebeschrijvingen separaat wel de RA-opleiding (voor bijvoorbeeld accountant medewerker) wordt genoemd, maar dat in de functiebeschrijving van ervaren assistent accountant deze opleiding niet wordt genoemd. Ook daaruit valt af te leiden dat de RA-opleiding niet noodzakelijk is voor de uitoefening van deze functie. Hieraan doet niet af dat veel werknemers van Borrie in deze functie de RA-opleiding wel zouden volgen, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd, omdat een gebruikelijke opleiding nog geen noodzakelijke opleiding is.
5.3.
Veeleer lijkt het volgen van de RA-opleiding in de verhouding tussen partijen gericht op het vergroten van de doorgroeimogelijkheden van [gedaagde] bij Borrie, zoals ook uit zijn eigen stellingen valt af te leiden. In de functiebeschrijving van partner staat, voor zover van belang, dat daarvoor een afgeronde RA-opleiding is vereist. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze opleiding moet zijn afgerond voorafgaand aan het in die functie treden. Een afgeronde RA-opleiding voorafgaand aan die functie-uitoefening is in zoverre noodzakelijk, maar heeft dan veeleer als een startkwalificatie voor die functie te gelden. Dergelijke scholing is in de regel niet noodzakelijk voor de functie-uitoefening als bedoeld in artikel 7:611a lid 1 BW (vgl. HR 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1386, r.o. 3.2.6 en 3.4.2). Voor zover het de bedoeling of het einddoel was dat [gedaagde] partner van en registeraccountant bij Borrie zou worden, zoals hij heeft aangevoerd, brengt dit dus evenmin mee dat de RA-opleiding noodzakelijk zou zijn voor die functie-uitoefening als bedoeld in dat wetsartikel.
5.4.
De slotsom van het voorgaande is dat de RA-opleiding voor [gedaagde] nodig kan zijn voor het kunnen zetten van een functiestap bij Borrie, maar het is geen noodzakelijke scholing voor de uitoefening van de functie van ervaren assistent accountant of partner/registeraccountant als bedoeld in artikel 7:611a lid 1 BW. Het studiekostenbeding is daarom niet nietig op grond van het vierde lid van dit artikel.
Onvoldoende evenredig en onvoldoende duidelijk studiekostenbeding
5.5.
Als geen sprake is van noodzakelijke scholing voor de uitoefening van de functie, zijn partijen in beginsel vrij om een beding overeen te komen waarbij de kosten van de scholing worden verhaald op of verrekend met het loon van de werknemer. Wel is in rechtspraak een kader ontwikkeld waaraan een dergelijk studiekostenbeding moet voldoen. Deze rechtspraak voert vooral terug op het arrest HR 10 juni 1983, ECLI:NL:HR:1983:AC2816 (
Muller/Van Opzeeland). Hoewel het in dit arrest ging om de terugbetaling van verkregen loon en niet om betaalde studiekosten zoals in onderhavige zaak, is dit beoordelingskader wel toegepast op bedingen die zien op dergelijke studiekosten. Beide partijen hebben hierop ook een beroep gedaan. Ook de kantonrechter zal bij dat kader aansluiten. Uit het arrest
Muller/Van Opzeelandvolgt dat de door de werkgever gemaakte studiekosten in evenredigheid moeten staan tot de mate en periode waarin de studiewerkzaamheden mede ten bate van de werkgever hebben kunnen strekken. Ook volgt daaruit dat als een studiekostenregeling bij beëindiging van het dienstverband een verplichting tot terugbetaling van studiekosten wil meebrengen, deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem zal moeten zijn uiteengezet. Een studiekostenbeding dat met deze uitgangspunten in strijd is, is in zoverre niet geldig, zo is uit het arrest af te leiden.
5.6.
In onderhavige zaak ligt in de stellingen van partijen besloten dat [gedaagde] met het behalen van zijn diploma WO Bachelor Accountancy op 5 januari 2025 zijn studie heeft afgerond, althans dat hij niet voortijdig met zijn opleiding is gestopt. Borrie heeft ter zitting ook bevestigd dat haar vordering is gebaseerd op het tweede en derde gedachtestreepje van artikel 6 van Pro de studieovereenkomst en dat zij geen beroep doet op het eerste gedachtestreepje daarvan. Anders dan in het geval dat leidde tot het arrest
Muller/Van Opzeeland(zie daarover Rechtbank Middelburg 13 januari 1982, ECLI:NL:RBMID:1982:AC2815), kan echter niet gezegd worden dat Borrie ook pas na de afronding van de studie baat heeft gehad of kon hebben van de studiewerkzaamheden van [gedaagde] . Hij ontving immers minder loon voor studiedagen die op werkdagen vielen en hij studeerde duaal, wat onder andere betekende dat hij doorgaans vier dagen per week werkte bij Borrie. Borrie had dan ook vrijwel meteen baat van zijn studiewerkzaamheden. Dit lijkt [naam 1] ter zitting ook te hebben bevestigd, waar hij heeft gezegd dat (hij ervan uitgaat dat) de terugbetaaltermijn aanvangt op de datum van indiensttreding. Met deze baat houdt het studiekostenbeding in artikel 6 van Pro de studieovereenkomst onvoldoende rekening, omdat de terugbetalingsverplichting van [gedaagde] op basis daarvan pas vermindert na afloop van een termijn van twaalf maanden na betaling van de kosten door Borrie. Daaruit volgt aldus dat Borrie pas gebaat zou zijn na die termijn. Op grond hiervan geldt naar het oordeel van de kantonrechter tussen partijen de in artikel 6 opgenomen Pro termijn van twaalf maanden niet.
5.7.
Tussen partijen is niet in geschil dat de door Borrie aan CROP betaalde studiekosten onder het studiekostenbeding vallen. Borrie heeft voor wat betreft de toepassing van de staffel uit artikel 6 van Pro de studieovereenkomst aangesloten bij de datum waarop zij de factuur aan CROP heeft betaald. Daarmee ‘reset’ Borrie de reeds bij CROP lopende termijn waarop [gedaagde] zijn verplichting tot terugbetaling van deze kosten afbouwde. Deze reset heeft tot gevolg dat hij volgens Borrie nog 66,67% van de gehele factuurwaarde moet terugbetalen, terwijl hij, als de reeds bij CROP lopende termijnen zouden zijn voorgezet, door het verstrijken van deze termijnen een deel van de factuurwaarde niet meer behoefde terug te betalen, een deel daarvan voor 33,33% zou moeten terugbetalen en een deel daarvan voor 66,67% zou moeten terugbetalen. Deze financiële consequentie is onvoldoende kenbaar uit de studieovereenkomst en dit heeft Borrie onvoldoende duidelijk aan [gedaagde] uiteengezet. Naar het oordeel van de kantonrechter brengt het studiekostenbeding daarom niet een verplichting tot betaling van het door Borrie gevorderde percentage van de factuurwaarde mee voor [gedaagde] en geldt het in zoverre niet.
5.8.
Anders dan door [gedaagde] aangevoerd, ziet de kantonrechter in dit geval geen aanleiding om te oordelen dat het studiekostenbeding onduidelijk of onvoldoende bepaald zou zijn omdat daarin geen bedragen zijn genoemd, aangezien [gedaagde] de factuur van CROP zelf aan Borrie heeft doorgestuurd en zijn studiekosten zelf declareerde bij Borrie. Hij wist daarom van de omvang van zijn studiekosten waarop het beding betrekking had. In het studiekostenbeding is op zichzelf ook niet onduidelijk dat de datum van betaling door Borrie de peildatum is en [gedaagde] heeft de door Borrie gestelde betaaldata onvoldoende betwist. Zijn standpunt dat het studiekostenbeding ongeldig zou zijn omdat het geen rekening houdt met de oorzaak van de beëindiging van het dienstverband is niet ter zake doende, omdat hij niet heeft betwist dat het studiekostenbeding wel ziet op zijn situatie waarin hij zijn dienstverband zelf heeft opgezegd. Ook de terugbetalingstermijn maakt het studiekostenbeding niet ongeldig, omdat deze termijn door partijen zelf mag worden en is overeengekomen.
5.9.
Op grond van het voorgaande worden de gevorderde studiekosten gedeeltelijk toegewezen. Met toepassing van artikel 6:248 lid 1 BW Pro vult de kantonrechter de (ontstane) leemten in de overeenkomst tussen partijen ten aanzien van de terugbetalingstermijn en de studiekosten van CROP als volgt aan. Gelet op de staffel in artikel 6 van Pro de studieovereenkomst, worden de door Borrie voor [gedaagde] in de twaalf maanden voor het einde van zijn dienstverband betaalde studiekosten voor 2/3 deel toegewezen en de in de dertien tot en met 24 maanden voor dat einde gemaakte studiekosten voor 1/3 deel toegewezen. Voor wat betreft de peildatum, wordt ten aanzien van de door Borrie rechtstreeks betaalde kosten aangesloten bij haar betaaldatum en wordt ten aanzien van de door Borrie aan CROP betaalde kosten aangesloten bij de door CROP genoemde data in haar factuur. Deze data heeft [gedaagde] niet (voldoende) betwist. Concreet leidt dit tot de volgende berekening:
CROP
7-4-2023
€ 230,00
33,33%
€ 76,67
10-4-2023
€ 695,00
33,33%
€ 231,67
18-5-2023
€ 230,00
33,33%
€ 76,67
13-6-2023
€ 230,00
33,33%
€ 76,67
22-6-2023
€ 990,00
33,33%
€ 330,00
21-8-2023
€ 77,45
33,33%
€ 25,82
22-8-2023
€ 88,36
33,33%
€ 29,45
4-9-2023
€ 230,00
33,33%
€ 76,67
4-9-2023
€ 665,00
33,33%
€ 221,67
6-9-2023
€ 290,00
33,33%
€ 96,67
4-9-2023
€ 825,00
33,33%
€ 275,00
4-9-2023
€ 520,00
33,33%
€ 173,33
Borrie
30-11-2023
€ 200,00
33,33%
€ 66,66
30-11-2023
€ 245,00
33,33%
€ 81,66
30-11-2023
€ 520,00
33,33%
€ 173,32
15-1-2024
€ 200,00
33,33%
€ 66,66
26-2-2024
€ 237,09
33,33%
€ 79,02
1-3-2024
€ 1.740,00
33,33%
€ 579,94
15-5-2024
€ 665,00
66,67%
€ 443,36
15-5-2024
€ 200,00
66,67%
€ 133,34
1-7-2024
€ 200,00
66,67%
€ 133,34
1-7-2024
€ 245,00
66,67%
€ 163,34
15-7-2024
€ 1.060,00
66,67%
€ 706,70
15-9-2024
€ 310,00
66,67%
€ 206,68
15-9-2024
€ 2.100,00
66,67%
€ 1.400,07
Totaal:
€ 5.924,35
5.10.
Borrie heeft de studieschuld verrekend met een bedrag van (€ 3.057,21 - € 1.350,76 =) € 1.706,45 aan gedeeltelijk salaris over maart en € 74,48 aan niet genoten vakantiedagen. Aldus is nu nog een bedrag aan studiekosten toewijsbaar van (€ 5.924,35 – € 1.706,45 – € 74,48 =) € 4.143,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de door Borrie gestelde datum, die door [gedaagde] niet is betwist.
5.11.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen.
Kosten van de leaseauto
5.12.
De door Borrie gevorderde betaling van resterende leasetermijnen voor de auto wordt wegens gebrek aan grondslag afgewezen, omdat de in artikel 7 van Pro hoofdstuk 10 van de algemene arbeidsvoorwaarden genoemde situaties zich in dit geval niet voordoen. Dat geen sprake is van een overname van het leasecontract of een beëindigingsvergoeding die de leasemaatschappij aan Borrie in rekening heeft gebracht is bovendien het gevolg van de verlenging van de leaseovereenkomst door Borrie zelf, waarin [gedaagde] niet was gekend. Borrie heeft niet gesteld noch is gebleken op grond waarvan [gedaagde] anders gehouden zou zijn de gevorderde leasetermijnen te betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.13.
De door Borrie gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens afgewezen, omdat de daarvoor in dit geval vereiste zogenoemde veertiendagenbrief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW Pro ontbreekt. In geen van de aanmaningen van Borrie is een betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [gedaagde] (zie HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, r.o. 3.4, 3.6.1-3.6.2).
Proceskosten
5.14.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen en niet een van de partijen overwegend in het gelijk of ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Borrie te betalen een bedrag van € 4.143,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Boeve en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.