Uitspraak
1.Zaak in het kort
2.De procedure
3.De feiten
junior staff assurance. [gedaagde] kreeg de beschikking over een leaseauto. Verder is hij op 1 september 2020 gestart met de duale opleiding
Bachelor of Science in Accountancyaan Nyenrode Business Universiteit, als onderdeel van zijn opleiding tot registeraccountant (hierna: RA-opleiding). Het duale karakter van deze opleiding hield onder andere in dat [gedaagde] onderwijs volgde en werkte. In het algemeen volgde [gedaagde] in iedere onderwijsweek één dag onderwijs en werkte hij de overige dagen bij CROP. De arbeidsovereenkomst met CROP bevatte een studiekostenbeding, op basis waarvan [gedaagde] bij beëindiging van die overeenkomst gehouden kon zijn de door CROP gemaakte en vergoede studiekosten aan haar terug te betalen met inachtneming van de volgende staffel:
Gemaakte studiekosten werknemer:
Hoofdstuk 10
STUDIEKOSTENOVEREENKOMST betreft: RA opleiding aan de Universiteit Nyenrode’ ondertekend. Daarin is onder andere bepaald:
- Indien de studie op verzoek van de werknemer wordt gestopt zonder dat de volledige studie met succes is afgerond (…): de volledige door de werkgever voor die studie betaalde kosten.
- Indien het dienstverband wordt beëindigd binnen 12 maanden na betaling door de werkgever van de voor vergoeding in aanmerking genomen kosten: de volledige door de werkgever binnen twaalf maanden voor het einde van het dienstverband voor die studie betaalde kosten.
- Indien het dienstverband wordt beëindigd binnen 24 maanden na betaling door de werkgever van de voor vergoeding in aanmerking genomen kosten: twee/derde deel van de door de werkgever binnen vierentwintig maanden voor het einde van het dienstverband voor die studie betaalde kosten.
- Indien het dienstverband wordt beëindigd binnen 36 maanden na betaling door de werkgever van de voor vergoeding in aanmerking genomen kosten: één/derde deel van de door de werkgever binnen zesendertig maanden voor het einde van het dienstverband voor die studie betaalde kosten.
€ 17.294,05. Blijkens het daarbij gevoegde overzicht zijn onderdeel van dit totaalbedrag de door Borrie aan CROP betaalde studiekosten. In dit overzicht staat dat Borrie dit bedrag op 31 oktober 2023 aan CROP heeft betaald. Deze overgenomen studiekosten zijn daarin voor 66,67% doorbelast aan [gedaagde] . Dat is volgens het overzicht gelijk aan een bedrag van € 10.419,33. Verder zijn in dat overzicht opgenomen de door Borrie voor [gedaagde] rechtstreeks aan Nyenrode betaalde studiekosten en een door Borrie aan [gedaagde] betaalde declaratie van studieboeken. Voor zover de betaaldatum daarvan volgens het overzicht ligt in de periode van 30 november 2023 tot en met 1 maart 2024, zijn deze kosten voor 66,67% doorbelast aan [gedaagde] . Voor zover de betaaldatum volgens het overzicht ligt in de periode van 15 mei 2024 tot en met 15 september 2024, zijn deze kosten voor 100% aan [gedaagde] doorbelast.
4.Het geschil
5.De beoordeling in conventie en in reconventie
Muller/Van Opzeeland). Hoewel het in dit arrest ging om de terugbetaling van verkregen loon en niet om betaalde studiekosten zoals in onderhavige zaak, is dit beoordelingskader wel toegepast op bedingen die zien op dergelijke studiekosten. Beide partijen hebben hierop ook een beroep gedaan. Ook de kantonrechter zal bij dat kader aansluiten. Uit het arrest
Muller/Van Opzeelandvolgt dat de door de werkgever gemaakte studiekosten in evenredigheid moeten staan tot de mate en periode waarin de studiewerkzaamheden mede ten bate van de werkgever hebben kunnen strekken. Ook volgt daaruit dat als een studiekostenregeling bij beëindiging van het dienstverband een verplichting tot terugbetaling van studiekosten wil meebrengen, deze voor de werknemer zo ernstige consequentie duidelijk aan hem zal moeten zijn uiteengezet. Een studiekostenbeding dat met deze uitgangspunten in strijd is, is in zoverre niet geldig, zo is uit het arrest af te leiden.
Muller/Van Opzeeland(zie daarover Rechtbank Middelburg 13 januari 1982, ECLI:NL:RBMID:1982:AC2815), kan echter niet gezegd worden dat Borrie ook pas na de afronding van de studie baat heeft gehad of kon hebben van de studiewerkzaamheden van [gedaagde] . Hij ontving immers minder loon voor studiedagen die op werkdagen vielen en hij studeerde duaal, wat onder andere betekende dat hij doorgaans vier dagen per week werkte bij Borrie. Borrie had dan ook vrijwel meteen baat van zijn studiewerkzaamheden. Dit lijkt [naam 1] ter zitting ook te hebben bevestigd, waar hij heeft gezegd dat (hij ervan uitgaat dat) de terugbetaaltermijn aanvangt op de datum van indiensttreding. Met deze baat houdt het studiekostenbeding in artikel 6 van Pro de studieovereenkomst onvoldoende rekening, omdat de terugbetalingsverplichting van [gedaagde] op basis daarvan pas vermindert na afloop van een termijn van twaalf maanden na betaling van de kosten door Borrie. Daaruit volgt aldus dat Borrie pas gebaat zou zijn na die termijn. Op grond hiervan geldt naar het oordeel van de kantonrechter tussen partijen de in artikel 6 opgenomen Pro termijn van twaalf maanden niet.